terug  begin  verderprepost

32

Almelo. Allerheiligen [1 november] 1915

 

Beste Aart. Hartelijk, hartelijk dank voor je vriendelijken brief, die mij o zoo bizonder troostte. Ja, je hebt gelijk, ik maak mij waarschijnlijk 100 maal meer beroerd dan noodig is - maar je zei het zelf, het is zoo makkelijk niet om van je gedachten af te komen. En dan: ik heb hier niemand om mee te spreken. Dat is voor mij, die zoo ontzettend op vrienden ben gesteld, ook een heel iets. Want mijn ouders wil ik niet met al die een feitelijken grondslag missende jérémiades vervelen, al doe ik het nog veel meer dan ik wil. Maar ik denk er toch hard over om over 2 weken naar Utr. te gaan. Want die nervositeit maakt mij oneindig veel beroerder dan een beetje werken zou doen. En dan ik, die altijd zoo leef in de toekomst (niet in de Toekomst, die is meer voor jouw partijgenooten), die altijd vol plannen loop - om maar niets te moeten doen, niets vooruit te stuwen in de richting van wat ik hoop en begeer - 't maakt me dol. Mijn dokter hier lijkt mij niet iemand, die voor de psychologische kant v/d ziekte veel oog heeft - maar hij is uitstekend voor de physieke, en voor de eerste zorg ik dan maar.

- Niettegenstaande ik verscheiden gedichten in mijn hoofd heb, kan ik natuurlijk ook geenszins de rust vinden om te trachten ze tot een geheel uit te werken. Laat ons hopen, dat mij dit hier nog eens moge gelukken!139

Ik ben vandaag minder overstuur dan de vorige dagen, vandaar ook dat ik je schrijf. Je schreef me, dat je indertijd je leed overwon door aan iets anders, i.c. een meisje te denken. Ja, dat middel is probaat. (Er is nog een ander zeer goed middel, dat is: je goed te moeten houden. Dit heb ik deze dagen toegepast, daar er een Oom en Tante bij ons zijn). Ik heb het ook al vele malen toegepast, maar bij mij vermengt het zich direct met de vreeselijke bijgedachte: maar tegen dien tijd ben ik misschien wel dood of voortdurend sukkelend, en de helft van 't jaar in Davos.

Ik ben n.l. voor de zooveelste maal van mijn leven hier weer eens verliefd geraakt. Ditmaal - ik schaam mij eigenlijk er met iemand over te spreken, maar aan jou durf ik alles zeggen - op een kind van een jaar of 11, 12. Men schijnt zooiets in 't algemeen pervers te vinden; zou het een oratio pro domo zijn als ik zeg, dat

[p. 81]

ik dit niet zoo vind? Er is iets in dit rijpende van een kind, dat nog in 't geheel geen vrouw is, en waaromheen toch al zoo iets vaag-vrouwelijks, iets wordend en groeiend is, wat mij bovenal aantrekt. Het is zoo'n echt frisch arbeiderskind, blond, licht blozend en proper: Zaterdags is haar schort nog even helder en zijn haar klompen nog even wit als Maandags. 4 malen op een dag zie ik haar voorbijkomen, behalve natuurlijk Woensdag en Zaterdagsmiddags, en den geheelen Zondag niet. En - vreemd, zooals het onderbreken van een gewoonte onaangenaam wordt (zoo vind ik altijd zoo bizonder onaangenaam als een draaiorgel midden in een stuk uitscheidt, bijv. omdat een paard schichtig wordt) [sic]: de Zondag is mij nu gehaat. Die dag is voor mij een grijze, ijle leegte, en waarom: alleen omdat ik haar niet zie voorbijkomen. 't Is bespottelijk - maar 't is zoo. Natuurlijk heb ik het kind nog nooit gesproken, ik zal mij daar ook niet aan wagen, want men zou mij waarschijnlijk van de ergste onzedelijkheden verdenken. Wellicht dat het lot nog eens iets aangeeft. Ik zeg maar: who ever loved that loved not at first sight, en dit moet voorloopig maar volstaan.140 Ik denk niet, dat mijn liefde het 4 jaren uithoudt - ik ben op dit punt eenigszins sceptisch gestemd, maar anders zou het juist geschikt zijn, dan zij zij zoowat 16 en ik 32 zijn, juist dubbel zoo oud. [sic] Maar, dat ligt in mijn geheele levensgevoel, ik zou het zoo vreeselijk vinden om een vrouw te hebben, die al oud was, terwijl ik nog midden in mijn leven was, en vandaar dat ik zoo'n groot verschil wensch, al vindt men dit meestal niet. En dan grijpt mij weer de angst aan: dat ik tegen dien tijd wel dood of zóó zwak, dat het daarmee eigenlijk gelijk staat, zal zijn, en dan grijpt mij weer die ontzettende begeerte om te leven. Je ne veux pas aller dans le trou. (Heb je Les Amitiés françaises van Barrès wel eens gelezen. Zoo niet, dan raad ik je dat ten zeerste aan).141

Ja, Aart, je mag dezen brief gerust gek vinden. Ik wensch toch hem je niet te onthouden.

Een gedicht, waar ik in deze dagen ook voortdurend aan gedacht heb, is: An die Parze, van Hölderlin.142 Maar aangezien al mijn boeken ingepakt zijn, kon ik het niet nalezen, en ik herinner het me slechts vaag. Ik mis mijn boeken vreeselijk. Ik denk, als ik beter word (wat ik nog steeds quaestieus blijf vinden), maar volon-

[p. 82]

tair op een Secretarie te worden, en een uiterst ingetogen leven te gaan leiden. Zoowat geen alkohol en sigaren. Boeken en wandelen. Dorpsburgemeester en -secretaris, het heeft toch wel veel voor, al is er in mijn hart altijd nog een hoekje, en niet het kleinste, dat naar de groote steden trekt. Maar het is buiten toch veel gezonder voor iemand als ik. Wanneer men een niet te kleine gemeente heeft en tegelijk burgemeester en secretaris is, verdient men gauw een goede ƒ2000. Het is niet veel - men zal er nooit rijk mee worden, maar ook nooit arm. En het is zeker. En mijn ideaal zou het zijn, als de gevierde zanger Mr. A. van der Leeuw met vrouw en schoonzuster zich nog eens in mijn gemeente vestigden. Maar dit zal wel

[p. 83]

te mooi zijn; laat ik in ieder geval trachten mijn droom te verwezenlijken voor zoover ik kan. En als de pijl mij toch eerder in 't hart [...] - ja, daar is niets aan te doen. Ik hoop, dat het lot mij gunstiger zal zijn. Zeg aan Toos en Joh, dat ik hen nooit apart schrijf, omdat mijn brieven ook altijd voor hen bestemd zijn, want van jullie drieën houd ik 't meest van alle menschen, behalve mijn ouders. Lach maar eens hartelijk om me, maak het goed en geloof mij

 

als steeds je vriend

Jacques

139In november 1915 zou Bloem Allerzielen schrijven; het werd gepubliceerd in De Gids, dl. 81, III (1917), p. 429-430 en herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 95-96. 16 December 1915 maakte hij een begin met De mummie; hij voltooide dit vers op 12 december van het volgende jaar; het verscheen eveneens in De Gids, dl. 81, III (1917), p. 430-432; vanaf de vierde druk is het niet meer opgenomen in de Verzamelde gedichten.
140Bloem citeert hier uit As you like it; het zijn de woorden van Phebe, derde acte, scène vijf; Shakespeare ontleende op zijn beurt deze regel aan Hero and Leander (I, 176), een toneelstuk rond 1590 geschreven door Chr. Marlowe (1564-1593).
141In 1902 publiceerde Maurice Barrès (1862-1923) de essaybundel Les amitiés françaises. Notes sur l'acquisition par un petit Lorrain des sentiments qui donnent un prix à la vie. Hierin komt een hoofdstuk voor, getiteld Le trou; een jongetje verliest zijn bal in een afgrond en nodigt iedereen uit zijn bal te gaan zoeken met de woorden: ‘Toi, tu vas aller dans le trou’, in de hoop en verwachting dat zij, eenmaal in de afgrond, zullen ontdekken dat zij deze nooit meer kunnen verlaten.
142An die Parzen, van Hölderlin, gepubliceerd in Die epigrammatischen Oden (1798) luidt volgens de editie in de door F. Beissner verzorgde Sämtliche Werke (Frankfurt A.M., 1961) als volgt:
 
‘Nur Einen Sommer gönnt, ihr Gewaltigen!
 
Und einen Herbst zu reifem Gesange mir,
 
Dass williger mein Herz, vom süssen
 
Spiele gesättiget, dann mir sterbe.
 
 
 
Die Seele, der im Leben ihr göttlich Recht
 
Nicht ward, sie ruht auch drunten im Orkus nicht;
 
Doch ist mir einst das Heilge, das am
 
Herzen mir liegt, das Gedicht, gelungen,
 
 
 
Willkommen dann, o Stille der Schattenwelt!
 
Zufrieden bin ich, wenn auch mein Saitenspiel
 
Mich nicht hinab geleitet; Einmal
 
Lebt ich, wie Götter, und mehr bedarfs nicht.’
Bloem zou hier in februari 1946 op antwoorden met het gedicht De ledige, dat gepubliceerd werd in Ad Interim, dl. 3 (1946), p. 198 en herdrukt werd in Verzamelde gedichten, p. 207; hij deed dit in het volgende sonnet:
 
‘Eén zomer en één herfst vroeg Hölderlin
 
Om den gerijpten zang in aan te heffen,
 
Eer hem de pijl van 't zwarte lot zou treffen
 
En hij den god, die hem versloeg, zou zien.
 
 
 
Dit is van de verhevenen. Misschien
 
Deed hem een voorgevoel duister beseffen,
 
Dat hij weldra moest heengaan uit het effen
 
Bestaan naar waar des levens gronden vliên.
 
 
 
Zoo ben ik niet. Voor mij was het gedicht
 
Nooit anders dan een uit gebrek onthullen
 
Van wat mij 't gierige leven derven deed.
 
 
 
En als ik tot het lot één bede richt
 
Is het: wil dit leeg hart nog eenmaal vullen,
 
Dat niet beminnen daaglijks sterven deed’.
Het is opvallend dat Bloem verder in deze brief gebruik zal maken van de beeldspraak En als de pijl mij toch eerder in 't hart [...]; in zijn antwoord van 1946 - dus meer dan 30 jaar later - zal hij van hetzelfde beeld gebruik maken.
prepostterug  begin  verder