terug  begin  verderprepost

35

Almelo

Donderdag 25 November 1915

 

Mijn beste Aart.

Hartelijk dank voor je laatste brief, dien ik absoluut geen preek vond, zoozèèr zelfs niet, omdat het eigenlijk de uitdrukking was van wat ik zelf heel diep weg eigenlijk ook al gevoelde, maar waarboven de twijfel toch nog dikwijls kwam bovendrijven. Ik ben op 't oogenblik aan een gedicht bezig, dat als het eens af komt en ik lees het je voor, je zal doen gevoelen, hoezèèr ik - of om jouw uitdrukking te gebruiken: mijn zangstem - het met je eens ben (is).147

Overigens zeer hoopvolle berichten: de dokter onderzocht mij zooeven, en vond het resultaat zoo prachtig, dat hij zei, dat ik mijn gewone leven kon hervatten. Alleen ried hij mij aan, voorzichtigheidshalve voorloopig 's middags nog wat te blijven rusten, hetgeen, waar ik hier toch niemand ken en geen afleiding heb, natuurlijk zonder de minste moeite kan geschieden.

Je begrijpt, hoe blij ik ben. Zou ik den knekelman (door dit woord haalt censor van der Leeuw een dikke blauwe potloodstreep) toch nog ontsprongen zijn? - Ik voel mij op 't oogenblik zoo echt aan het leven teruggegeven, zóó licht en stil. - Ik was trouwens den geheelen laatsten tijd in een buitengewoon sereene stemming, die ik ook al aan mijn vriend van der Meulen, met wien ik sinds de mobilisatie geregeld correspondeer, in een brief beschreef.148 Ik vermoed, dat die stemming mij nog wel langer dan dezen tijd zal bijblijven, al is ook de onmiddelijke aanleiding ertoe vervallen. Ik had mij n.l. eenigszins verzoend met den dood. Ik bedoel hier volstrekt niet mee, dat het mij niet zoo veel, of althans minder dan

[p. 87]

vroeger, zou kunnen schelen, dood te gaan. Op dat punt verander ik niet, geloof ik. Maar mijn liefde voor het leven was zóó verinnigd, juist door dat uitzicht op den dood, dat die dood zelf mij niet meer deed ijzen. Iedere seconde voel ik als een onschatbare gave, een oneindige goedheid v/h lot. Je begrijpt mij waarschijnlijk wel. Ik kan mij nu eenmaal niet goed uitdrukken, zooals jij dat zoo heerlijk kunt in die brieven, die ik, vooral in den laatsten tijd, van je kreeg, en waarvoor ik je zoo zéér dankbaar ben, omdat zij mij zoo tot troost en sterking zijn geweest. Laat maar eens gauw weer wat van je hooren.

Ik hoop, dat Toos en jij het nu allebei weer goed maken. Ik hoop jelui in Maart eens te komen opzoeken, als mijn bezoek voor Toos niet te druk is. Ik ben van plan mijn examen aan te vragen voor 24 Januari, dan promoveert v/d Meulen. Na 7 Januari ga ik bij hem logeeren. Voorshands kom ik weer hier terug, na in Utrecht gerepeteerd te hebben, hetgeen ik na 12 Dec. voor het eerst weer hoop te doen.

Ik lees tegenwoordig nogal dikwijls in Vondel en in Novalis (veel keus heb ik hier natuurlijk niet). Maar deze 2 vergoeden veel. Jij houdt, geloof ik, in je hart meer van Hooft dan van Vondel.149 Ik geloof, dat ik in dezen billijker ben dan jij. Hoewel ik in 't algemeen gesproken, meer van het Hooftiaansche dan van het Vondeliaansche houd, verhindert mij dit niet, om in het onderhavige geval [?] meer van V. dan van N. te houden. Ik vind V. zoo hemelsch-aardsch. - J.H. Leopold heb ik ook hier; daar heb ik ook een grenzelooze bewondering voor.150 Jij, herinner ik mij, ook wel, maar je hield er toch niet zoo van.151 Ik geloof, dat dit komt, omdat jij een veel grootere persoonlijkheid bent dan ik. Daardoor weet ik beter te apprecieeren, hetgeen in wezen immers assimileeren is.

Met dit complimentje eindig ik. Het beste, en veel liefs voor Toos, Joh en jezelf

 

van je vriend

Jacques

147Waarschijnlijk maakt Bloem hier een vergissing; bij mijn weten heeft Van der Leeuw nooit de term zangstem gebruikt. Er bestaat wel een gedicht van Verwey met de titel De zangstem; het is opgenomen in de bundel Het zichtbaar geheim (1915) en is herdrukt in Oorspronkelijk dichtwerk I, p. 774.
148De brieven van Bloem aan Van der Meulen zijn bij een brand verloren gegaan.
149Dat Van der Leeuw een groot bewonderaar van Hooft was blijkt onder meer uit een brief die hij 22 februari 1909 aan Verwey schreef: ‘[...] en vroeger al deedt U mij de schoonheid zien van Hooft, die mij, om zijn heerlijke, zoete taal, steeds een voorbeeld gebleven is’. (geciteerd uit Aart van der Leeuw, p. 27).
150Bloem heeft in 1925 en 1935 onder de titels J.H. Leopold I en II en In memoriam J.H. Leopold zijn bewondering voor deze auteur uitgesproken. Hij ziet de grootheid van Leopold ‘[...] In die feillooze verbinding van verhevenheid en menschelijkheid, die alleen de grootste dichters (maar die dan ook altijd) kenmerkt’. (Verzamelde beschouwingen, p. 63-67; het citaat op p 63).
151Zie noot 56.
prepostterug  begin  verder