terug  begin  verderprepost

36

Almelo 1 Dec. '15

 

Beste Aart. Hartelijk dank voor je brief, die mij weer zoo buitengewoon veel genoegen deed. Wat ben ik blij, dat Toos het weer zoo goed maakt. Ik kan er nu dubbel voor voelen. Ik hoop, dat het blijvend zal zijn, en dat, als ik in Maart bij

[p. 88]

jelui kom, ik het Voorburgsche dichtertrio stralende van gezondheid zal aantreffen.

Wat je mij over Vondel: Hooft schreef, deed mij plezier. Die voordragende dame is zeker Mevrouw .... (ik ben haar naam vergeten), die uit Hongarije of Polen is gevlucht.152

Jij hebt zeker ook ‘Het zichtbaar geheim’ cadeau gekregen, of heeft Cronheim het je nog niet gestuurd? Het boek ziet er heerlijk uit. En er staan ook weer prachtige verzen in. ‘Het eigen rijk’ kenden we natuurlijk al, de meeste der andere gedichten ook reeds uit de Beweging. Toch zijn ze, voor 't eerst gebundeld, weer nieuw. Prachtig vind ik bijv. (om alleen over Het rijk in de wereld te spreken): Aan het graf van Napoleon; bijna alle gedichten uit: In het winterhuis, vooral: Mijmering en Zangtoon; De heilige ronde; Strofen aan Gertrud Grotrian; Chineesche verzen; Hartegroei; om maar een paar titels te noemen.153 Maar hoe jammer toch, dat Verwey steeds met enkele regels (meestal op rare rijmen) zijn gedichten bederft. Jij zei dat eens naar aanleiding van ‘Unaniem’ (en het ‘ontheven’ uit dat vers aan jou).154 Maar neem nu eens: De heilige ronde, met die 2 indrukwekkende begin regels, die in hun grootsche eenvoud tot het mooiste behooren, wat ik van Verwey ken. En dan opeens die afschuwelijke 6e regel, waar

[p. 89]

gewoonweg niet overheen te lezen is.155 Weet je, waar ik dit eigenlijk voor houd? Voor een soort koppigheid. 't Is net of Verwey denkt: ik laat me niet op den kop zitten door de taal. Maar toch is dat verkeerd. We zijn wel geen slaven, maar toch dienaars v/d taal, en wanneer we onbescheiden worden, trekken wij per slot van rekening aan het kortste eind. Desniettemin toont dit boek weer aan voor de zooveelste maal wat Verwey is - en wat de anderen niet zijn. Met de anderen bedoel ik onze ‘gevierde’ zangers. En dit brengt mij meteen op wat je schreef over je ‘Kinderland’. Ik geloof, dat je nog niet kunt zeggen, dat het genegeerd is, want die boekbesprekingen komen dikwijls zoo laat.156 Verwonderen zou het mij evenwel niet, als het zoo was, want zoo gaat het nog steeds met voortreffelijke werken. In dat opzicht heeft de heele opbloei van onze literatuur na 1880 ons absoluut niets verder gebracht. Dit laatste is misschien niet geheel juist. Ik voor mij geloof wel degelijk, dat het publiek is vooruitgegaan (al is dit niet de gangbare meening). Maar wat nog precies even walgelijk is gebleven, dat is de critiek.157 En het is het publiek niet kwalijk te nemen, dat het daarvan de dupe wordt.

[p. 90]

Publiek staat immers altijd eenigszins tegenover professionals. In een ideale maatschappij misschien niet, maar in de onze wel. En waar nu de voorlichting zoo ploertig, zoo partijdig, zoo persoonlijk is, daar gaat het niet aan met een breed gebaar de schuld v/h onbegrip op het publiek af te wentelen, die m.i. grootendeels aan de bemiddelaars te wijten is.

Om nu slechts één voorbeeld uit honderden te noemen - Wereld- en Nederl. Bibl. zijn ontegenzeggelijk veel gelezen boeken. Nu laat Simons daarin een Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde schrijven en draagt dat op aan - Frans Bastiaanse, de gepersonifieerde letterkundige domheid, maar een bekend dichter en Dr. in de letteren.158 Is het publiek nu kwalijk te nemen, dat het daarop vertrouwt, en kan men het er later een verwijt van maken, als zijn oordeel over letterkunde door vooropgezette onjuiste meeningen is vertroebeld? - Schrijf mij eens, of je dit niet met mij eens bent. Ik geloof werkelijk, dat er van de zijde van het publiek veel meer belangstelling voor kunst aan het komen is, als die ellendige critici de boel maar niet verknoersten [?]. Vergeet ook niet, dat onze aandacht altijd meer in beslag genomen wordt door wandaden van de zijde v/h publiek (zooals het Rotterdamsche stadhuis) als goede daden (zooals de Beurs van Berlage).159

Thomas Browne bezit ik wel, maar - ik heb hem natuurlijk niet gelezen, zooals dat met meer dan één van mijn boeken het geval is. Op het oogenblik is de oude aesculaap natuurlijk trouwens ingepakt. Maar zoodra hij uit zijn pakhuis verrijst zal ik hem gaan lezen.160

En nu adieu, mijn beste. Geloof mij, met heel veel liefs voor jelui drieën,

 

steeds je

Jacques

152Mogelijk doelt Bloem op Hildegard Miriam Telschow (1885-1966) of op Giza Ritschl (1869-1942); beiden waren bevriend met Verwey.
153Het zichtbaar geheim werd in 1915 uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Verwey; dit was mogelijk gemaakt door een fonds, bijeengebracht door vrienden en bewonderaars van Verwey. De bundel bevat de onderafdelingen Het eigen rijk, Het rijk in de wereld en Nieuwjaarsmorgen. Bloem en Van der Leeuw kenden Het eigen rijk al, omdat het in 1912 als zelfstandige uitgave bij de Zilverdistel verschenen was. De volledige bundel is herdrukt in Oorspronkelijk dichtwerk I, p. 765-900. Van Het eigen rijk verschenen in De Beweging, dl. 8, II (1912), p. 164-170 de verzen De zangstem, Begeerte, De uitredding en De regel. In De Beweging, dl. 8, III, p. 30-32 verschenen De voetwassching en op p. 312-315 Zij beiden en De runen. Aan het graf van Napoleon werd gepubliceerd in De Beweging, dl. 9, I (1913), p. 2-3; de gedichten Mijmering, Chineesche verzen en Hartegroei verschenen in De Beweging, dl. 9, II, p. 291, 294-296 en 297-299.
154Verwey droeg het gedicht De woordendans op aan Van der Leeuw; het verscheen in de bundel Het zwaardjaar (1916) en werd herdrukt in Oorspronkelijk dichtwerk II, p. 10-11. Het vers begint met de volgende strofe:
 
‘Wie in dit ruig getij
 
Zo zoete dansen puurt
 
Als gij,
 
Is begenadigd.
 
Zij slingren zich voorbij
 
Mijn oor: zolang hun golving duurt
 
Ben ik verzadigd
 
Met klank en zoetheid die me aan 't leed ontluurt’.
Het werkwoord ‘ontluren’ wordt noch in het WNT noch in Van Dale genoemd; waarschijnlijk heeft het de betekenis van ontheven, waar Bloem in zijn brief op doelt. Ik heb niet kunnen vaststellen welk gedicht Bloem met Unaniem op het oog heeft.
155
 
‘Kom nu tot mijn hulp, Die mij nooit hebt versmaad,
 
Geweldige, Moeder van droomen en dichten!
 
Ik liep waar ge riept, door uw bosch, langs uw straat,
 
Geboeid en getroost door uw felle gezichten.
 
Tot de afgrond me ontving waar geen oor u verstaat:
 
De klok van mijn hart schokt op eigen gewichten.
 
Kom nu tot mijn hulp, Die mij nooit hebt versmaad’.
Aldus de eerste strofe van De heilige ronde, dat verscheen in Oorspronkelijk dichtwerk I, p. 848-850.
Bloem zou later op deze kwestie terugkomen met de woorden: ‘Iedere dichter kent de vreugde om de plotselinge gelukkige vondsten [...] tenzij men, zooals Verwey bijvoorbeeld helaas zoo vaak deed, star aan zijn opzet vasthoudt en de meest incongrue en vaak lachwekkende regels schrijft, alleen omdat men niet wil wijken voor de taak, op een woord te rijmen, waarop in het bijzondere geval of in het algemeen nu eenmaal niet te rijmen valt’. In: Over poëzie I . In: Groot Nederland, dl. 36, I (1938), p. 219-226; het citaat op p. 225. Herdrukt in Verzamelde beschouwingen, p. 15-22.
156In december 1915 besprak Jac. Bosch Kinderland in Den Gulden Winckel, dl. 14 (1915), p. 174; hij schreef hierin onder meer: ‘De dichter werd romancier; maar missende de gave der objectivatie kon hij dit werk niet voeren naar de Eenheid die het volbrachte kunstwerk tot durende vreugde maakt’. Pas later zouden andere recensies volgen; zie hiervoor Aart van der Leeuw, p. 353.
157Bloem zou zijn opvattingen over de kritiek uiteen zetten in 1931-1932 in Het goed recht van het essay [...], dat opgenomen werd in Verzamelde beschouwingen, p. 172-189. Hij schreef hierin onder meer: ‘[...] dat [hij] niet gaarne geacht zou willen worden, een verdediger te zijn van het bandelooze gecritiseer, dat tegenwoordig en overal plaats vindt, en dat men het kortst kan definieeren als: van nullen over nullen’. (p. 172). Dat hij van de kritiek in het algemeen geen hoge dunk had blijkt duidelijk uit de zinsnede: ‘Kunstkritiek, ook de beste, blijft altijd: om het essentieele heenpraten’. (Verzamelde beschouwingen, p. 117-119; het citaat op p. 118). Zie de dissertatie van J.J. Oversteegen, Vorm of vent. Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen . Amsterdam, 19702 over Bloems opvattingen aangaande de litteraire kritiek (p. 287-299).
158Van Frans Bastiaanse verscheen bij de Wereldbibliotheek het vierdelige Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde; deel I verscheen in 1914, deel IV sloot in 1927 de serie af. L. Simons was destijds directeur van de Wereldbibliotheek.
159Het beursgebouw in Amsterdam, dat gebouwd werd van 1898-1903, is een van de beroemde scheppingen van Berlage; Verwey verleende zijn medewerking door teksten te leveren, die aan de wanden werden aangebracht. In 1911-1912 werd de rosse buurt van Rotterdam, de Zandstraat, gesloopt in verband met de bouw van een nieuw stadhuis en postkantoor.
160Sir Thomas Browne (1605-1682). Engels medicus en auteur.
prepostterug  begin  verder