terug  begin  verderprepost

62

[AMSTERDAM, 8.8.1917]

 

Beste Aart.

Ja, wèl ben ik je al lang een brief verschuldigd. Maar 't is als steeds het oude liedje: ik heb zoo veel verplichte correspondentie dat de niet-verplichte er steeds bij inschiet.

Het bezoek hoop ik je de volgende maand te komen brengen, mèt de city-bag, waar ik bizonder veel plezier van heb, en die mij in den laatsten tijd iederen morgen naar het kantoor vergezelt, gevuld met boterhammen en boeken.

't Is zeker wel héél lang geleden sedert ik je de laatste maal schreef, want ik merkte uit je brief, dat je nog geen eens wist, dat ik met ingang van 1 Sept. mijn ontslag heb genomen, en dat is al ruim een maand geleden gebeurd. Ik kan het hier niet uithouden. Wat ik ga doen, weet ik nog niet, maar 't kan nooit beroerder zijn dan dit. Misschien dat ik je in September meer nieuws kan mededeelen.

Indien ik nog blozen kon, zou ik dat ongetwijfeld doen bij de veel te vriendelijke woorden, die je mij schreef naar aanleiding van mijn onbenullige stukje in de Groene over jou, waarin ik je maar zoo weinig recht heb laten wedervaren. Ik hoop later nog eens een uitvoeriger, groote studie over je te schrijven.238

Ik was erg blij verzen van je in de Beweging te zien o.a. dat prachtige: ‘Heilige Eindloosheid’ dat je me voorlas toen ik de laatste maal bij je was.239

- Dat gedicht van v. Eyck op Verwey vond ik niet bepaald slecht, maar toch te redeneerend. Het had iets van Verwey zelf, (niet op zijn best). Want ik ben het

[p. 125]

volkomen met je eens, dat die verzen ‘Late Lente’ zoo goed waren als hij er in langen tijd niet heeft geschreven. Het gedicht dat jij noemt, staat mij op 't oogenblik niet meer zoo helder voor den geest, maar ik vond bijv. dat kleine versje ‘al dat jonge groen’ zoo mooi, en zelfs Jany Holst, die anders zoo onbillijk tegenover Verwey pleegt te zijn, vond dit ook.240

Weet je dat v. Eyck uit de nieuwe Kring is? Vandaar dat vers op Verwey.241 - Overigens moest ik tot mijn spijt constateeren, dat je de laatste greinen gezond verstand, die de oorlog je tot dusver nog liet, ook al bent kwijtgeraakt. Stel je voor: ik maak die vuile Moffen een compliment (waar ik natuurlijk niets van meen, want ik vind, dat je in dezen tijd van een dergelijk volk niets moet apprecieeren, in het heden natuurlijk niet, maar zelfs niet in het verleden) - ik zeg dus,

[p. 126]

geheel om jou te plezieren, dat we niet moeten vergeten etc. (terwijl ik eigenlijk vind, dat we dat zoo spoedig mogelijk moeten vergeten, om ze, indien dat nog zou kunnen, nog meer te kunnen haten). En nu vat jij daar vlam op de woorden ‘walgelijke depravatie’, die toch wel het meest zachtzinnige euphemisme zijn, dat je je kunt denken, om de huidige toestand van Duitschland aan te duiden.242 - Wat ben jij toch een allerafschuwelijkste pro-Mof! En dat alleen om een paar van die romantische flauwekulletjes die je zoo onmatig bewondert. Wat een kerel! ‘Pfui!’ zouden je vriendjes zeggen.243

Ik lees op 't oogenblik ‘Wuthering Heights’, dat je ongetwijfeld wel kent. Welk een ongelooflijk groot en geniaal boek.244

Weet je dat er van Stefan George een oorlogsgedicht uitkomt: Der Krieg.245 Ik verheug mij er al op, hoe ook die groote dichter zal vallen over de rotheid van zijn volk; en, terwijl in de geallieerde landen de prachtigste werken ontstaan, gedoemd zal worden tot het schrijven van slechte poëzie, omdat de grond, waar hij op staat, voos is. De wraak der Muze! (Jij zult het natuurlijk wel mooi vinden.) Ik heb Arthur [van Schendel] hier verscheidene malen gesproken en ga den 25sten met hem naar Bergen. Hij is volstrekt niet zoo pro-Duitsch als jij me hebt verteld. Ook Triebels en Batavier zie ik dikwijls.246

Wat grappig, dat je zwemt!

Je schreef niets over Toos en Joh, ik vermoed dus dat ze het goed maken. Doe hen mijn hartelijke groeten en geloof mij

 

als steeds je vriend

Jacques

[p. 127]

Beste Aart. ik verras Jacques schrijvende aan jou. Nu kan ik niet nalaten - in letterlijken zin: tegen alle regels in - mijn beste groeten mee te zenden. Groet ook Toos en Jo, en ik hoop spoedig: tot ziens. Aty maakt het wel. Stevigen handdruk van Jan.247

238Zie voor Bloems recensie in De Groene noot 222. In De Gids besprak hij de bundel Sint Veit en andere vertellingen, waarin hij zich uitsprak over het wezen van de kunst van Van der Leeuw en over de vorm ervan (De Gids, dl. 84, I (1920), p. 522-527). Behalve een recensie van Ik en mijn speelman (De Gids, dl. 92, I (1928), p. 427-429) en van Die van hun leven vertelden (De Stem, dl. 14, I (1934), p. 636-637) schreef Bloem niet meer over Van der Leeuw of diens werk. Wel verscheen een algemene beschouwing over Van der Leeuw van de hand van Van Eyck: Aart van der Leeuw's ontwikkelingsgang (Leiding, dl. 2, II (1931), p. 70-98 en 154-166; herdrukt in Verzameld werk V, p. 316-366.
239In De Beweging, dl. 13, II (1917), p. 145-148 publiceerde Van der Leeuw de volgende verzen: Heilige eindloosheid, Als onze ziel niet zong, Rusteloos, Dankoffer en Aan een zwijgend dichter. Ze zijn, behalve Dankoffer, opgenomen in de Verzamelde gedichten, p. 272-273 (onder de titel De dichter tot de eindloosheid), 200, 238 (onder de titel Liefde's ongeduld) en 195.
240Van Eyck schreef in dezelfde aflevering van De Beweging zijn gedicht Aan Albert Verwey (p. 135-136; herdrukt in Verzameld werk I, p. 324-325); dit bevat de volgende strofe:
 
‘Maar dat ik thans mijn eigen grens aanvaarde,
 
Als gij, als elk wiens innerlijk gezicht
 
Tot de Eenheid dringt in 't stoflijk beeld der aarde,
 
En vindt: het Al, de vormendroom van 't licht’.
Verwey antwoordde hierop in de bundel Goden en grenzen (1920), die een onderafdeling bevat met de titel Van hem tot hen. Het eerste gedicht hieruit, De weg van taal, is opgedragen aan Van Eyck. Verwey schrijft hierin onder meer:
 
‘Anders niet dan de uiting
 
Maakt het eindloos ledig
 
Tot de oneindge ontsluiting.
 
Ik-die-Ik-verdedig,
 
Uit u en 't zal blijken
 
Dat ge uw ogen opent
 
Op de ik-loze rijken,
 
Die de god belette een vorm te worden
 
En zichzelf te zijn in menslijke orden’.
De twee andere verzen uit Van hem tot hen zijn getiteld: Als hij niet was en Tot de nog jeugdigen (herdrukt in Oorspronkelijk dichtwerk II, p. 123-126). Verwey stelt hierin dat de taal, de uiting, de enige mogelijkheid is tot verstandhouding tussen de mensen.
Late lente is de hoofdtitel van de verzen, die Verwey publiceerde in De Beweging, dl. 13, II (1917), p. 1-14: Meidag, Het jonge groen, Heimwee, De diepe bron, De spiegel zelf, Pinkster in 't bos, Zielsdrang, Aan de Mei-dichter en De boomen. (herdrukt in Oorspronkelijk dichtwerk II, p. 111-122). Roland Holst zag als voornaamste bezwaar tegen Verwey's poëzie ‘Het dichten over het dichten, waardoor Verwey maar zo zelden tot dichten kwam [...]’ (Tirade, dl. 10, (1966), p. 638-640).
241Zie voor het vers op Verwey noot 240. De nieuwe kring van C.A. Wijnschenk Dom, Pieter Talma en Henri ten Holt was voortgekomen uit de Moderne kunstkring, in 1910 opgericht door de Frans georiënteerde schilder Conrad Kickert (1882-1965), die het kubisme propageerde. Omdat een aantal leden van de Moderne kunstkring hun eigen ideeën hadden over de functie van deze kring, stichtten zij in mei 1916 De nieuwe kring. Ze namen daarbij het verenigingsorgaan, dat geredigeerd werd door Wijnschenk Dom en Talma, mee: Het Journaal van Den Nieuwen Kring (2 jaargangen, 32 afleveringen, 1 maart 1916-1/16 juni 1917; de eerste vier afleveringen onder de oude titel: Het Journaal van Den Modernen Kunstkring).
242Bloem doelt hier op zijn bespreking van Herscheppingen, die verscheen in De Amsterdammer van 21 juli 1917. Hij schreef hierin onder meer naar aanleiding van de auteurs, die op Van der Leeuw hadden ingewerkt: ‘Wat wij in dichters als Novalis, Hölderlin, Brentano, Mörike e.a. zoo bewonderen, is ten slotte: hun diepte, hun voortdurend tasten naar het uitspreken van het onuitsprekelijke. Dit is misschien wel het hoogste kenmerk van den Duitschen geest, en de walgelijke depravatie daarvan, die zich thans aan de wereld openbaart, mag ons dit niet doen vergeten’.
243Van der Leeuw heeft zich een aantal malen uitgelaten over zijn litteraire voorkeuren; in een brief aan Verwey (22 februari 1909, aangehaald in Aart van der Leeuw, p. 27) schrijft hij: ‘Veel leerde ik van de groote kunstenaars waarvan mij velen door U werden toegevoerd: Regnier, George, Hofmannsthal zijn mij bijzonder lief en vroeger al deedt U mij de schoonheid zien van Hooft, die mij, om zijn heerlijke, zoete taal, steeds een voorbeeld gebleven is. In Villiers, Balzac, Keats, Coleridge en Poe lees ik veel, terwijl ook de schrijvers van de “Romantische Schule” mij zeer aantrekken. Weinig boeken troffen mij zoo als “Der grüne Heinrich” van Keller’. In een gesprek met G.H. 's-Gravesande (Sprekende schrijvers, p. 12-15) zei Van der Leeuw zich beïnvloed te voelen door De Régnier, Goethe, de Duitse romantici (onder wie Jean Paul en Hölderlin), George, Ronsard, Chenier en Wordsworth; hij merkte in dat gesprek bovendien op dat hij graag een synthese tussen klassicisme en romantiek zou willen vinden.
244Wuthering Heights van Emily Brontë (1818-1848) werd in 1847 uitgegeven onder het pseudoniem Ellis Bell.
245Der Krieg verscheen in 1917 bij G. Bondi te Berlijn.
246Zie noot 223 en 224.
247Greshoff schreef deze woorden schuin in de linkermarge.
prepostterug  begin  verder