terug  begin  verderprepost

73

Almeloo 6 Januari 1918

 

Beste Aart

Wel bedankt voor den brief, dien ik gisteren van je ontving. - Ik ben Vrijdag een week geleden in Rotterdam geweest, maar had geen tijd om in Voorburg aan te komen, anders had ik dat natuurlijk wel gedaan. Ik heb er sindsdien evenwel niets meer van gehoord; misschien is het dus al wel verkeken, en ik weet eigenlijk niet of ik daar wel rouwig om zou zijn. De groote attractie van die betrekking was, dat ik dicht bij jelui zou zijn, wellicht in Voorburg zelf; bovendien, dat ik van de Secretarie hier verlost zijn, [sic] waar ik het niet kan vinden met den hoofdcommies. Beide dus redenen, die geheel buiten de betrekking zelve liggen, hetgeen altijd een bedenkelijk iets is. Misschien zou het baantje zijn meegevallen, misschien ook tegen. Het laatste lijkt mij - gezien mijn karakter, en de wijze, waarop ik altijd tegen over iedere betrekking, welke dan ook, sta: er in de eerste plaats de slavernij in te zien - het waarschijnlijkst.

Ik wanhoop er langzamerhand aan, nog eens een leven te krijgen, zoals ik dat zou wenschen. Er is niets, wat mij in die richting ook maar de geringste indice geeft. Ik heb van niemand iets te wachten, geld bedoel ik, en dat is voor mij onontbeerlijk. Natuurlijk kan de god uit de wolk altijd komen, en dat is mijn eenige hoop - maar daarmee mag men toch geen rekening houden. - Ik heb al jaren lang in de misère rondgeploeterd, en 't ziet er voor mij nu donkerder uit dan ooit. Ik stik in de schulden, niemand wil mij helpen, en ik verdien hier zoowat niets. Hoe ik een faillissement moet afwenden, is mij een volslagen raadsel, en toch moet ik het, tenminste voor mijn ouders. Voor mijzelf is het minder: een ongeluk meer in de eindelooze reeks. - Maar genoeg hierover.

't Deed me genoegen te hooren, dat je weer zoo aan 't werk bent. Maar 't onderwerp kan me niet bekooren, hoewel ik ervan overtuigd ben, dat jij er wel iets moois van zult maken. Maar kun je nu in de heele historie van de menschheid geen belangwekkender periode vinden, dan die van de opkomst van het Protes-

[p. 144]

tantisme, geen aantrekkelijker figuur dan ‘le noir Luther’.275 Heusch, ik ben geen doordraver, geen adept van de Nieuwe Kring - heb je, tusschen twee haakjes, het uitstekende stuk van v. Eyck over Talma in het laatste nummer van de Bew. gelezen?276 - maar wat spelen je Duitsche sympathieën je toch parten, als je je bij voorkeur vermeidt [sic] in alle anarchistische bewegingen, waaruit al de ellende van den modernen tijd is voortgekomen. Ik verguis een persoon als Luther absoluut niet, ik weet heel goed, dat hij de drager is van iets in den menschelijken geest, dat noodig en eeuwig is - maar 't is juist van dat, wat wij in onzen tijd al zoo overmatig veel hebben, dat we er waarachtig geen behoefte aan hebben, maar wel aan het tegendeel.

(Ik herinner mij opeens je verhaal: Geboortestad, daar zat die tendenz ook al zoo duidelijk in).

Wat het lijvige boek (geen ‘stukje’) over Le Romantisme Français betreft, het is geschreven door Pierre Lasserre, en een jaar of 10 geleden voor 't eerst verschenen. Het is fel bestreden, maar de Gourmont, die persoonlijk precies het tegenovergestelde van Lasserre was, noemde het al dadelijk: la plus belle oeuvre critique depuis Taine. En het bewijst wel hoe slecht je mij (in dit opzicht) en de jongen Franschen kent - hetgeen je niet anders dan schaden kan, dat je dacht dat het een poging was om de Fransche romantiek boven de Duitsche te stellen. In geenen deele. 't Is een onontkoombaar-juiste, even scherpzinnige als bezadigde verwerping van de romantische beginselen, te beginnen bij Rousseau. Het is een boek, wat je gelezen moet hebben, doe het dus, en moge je er voordeel uit trekken. Lasserre is absoluut niet het type van de domme chauvinist, zie zijn meesterlijke oorlogsbrochure: Le Germanisme et l'Esprit humain, een van de beste dingen, die ik over den oorlog heb gelezen.277

Ik ben van de Duitsche romantiek juist een groot bewonderaar, maar in Frankrijk heeft zij eigenlijk alleen haar verrottende invloed ontplooid, zooder de verheven mystiek, die haar juist in Duitschland rechtvaardigde.

- Ik heb nog een boek: Aus der Chronike door von Zimmern. Heb je dat zelf soms ook? 't Is een uitgave van 1 M. 80, net als de Bücher der Rose.278 En een

[p. 145]

boekje met landknechtliederen uit de Insel Bücherei, dat je evenwel waarschijnlijk ook zelf hebt.279 Zoo niet, schrijf dan maar even, dan zal ik ze je sturen met de rest.

Mijn stukje over Le grand Meaulnes heeft Verwey geweigerd. Ik zal het nu denkelijk aan Coenen sturen.280 Je hebt gelijk, dat ik wel wat op hem lijk, maar ik mis dat strenge in zijn karakter, en lijk daardoor meer op Frantz, hoewel ik gelukkig niet zóó'n zwakkeling ben.281 Gelukkig, zeg ik, maar misschien ten onrechte. Want daardoor mis ik ook zijn zich - totaal - weggooien in het leven, dat toch ook zijn bekoring heeft. Jany Holst zei eens, en ik ben dat volkomen met hem eens, dat wat hij in Verlaine bewonderde was, de roekelooze manier waarop hij zich vergooide, en dat tegenwoordig alle z.g. zwabbers het zoo kleingeestig deden. Ja, zoo is het. Niet het zich verdoen zelve is een deugd, maar de overgave, waarmee men het doet. - Maar ook dat is niet voor mij weggelegd, evenmin als het tegenovergestelde, dat nóg beter is. - Ik ben niets meer, en kan niets meer. Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd: 't was niet slecht, maar een Ronsard ben ik toch niet geworden, zelfs geen Charles Guérin.282 Ik geloof, dat ik mij nog wel zou kunnen vernieuwen, maar daar zijn de omstandigheden niet naar, en ik mis de kracht om die te overwinnen, gesteld dat dat kon. Ik geloof dus, dat mijn rol op het literaire tooneel is uitgespeeld. Hoogstens nog wat essays, en misschien zelfs dat nog niet eens.

Vergeef mij deze klacht, maar 't is niet anders. Heel veel liefs voor jelui 3en

 

van je vriend

Jacques

275Het is bij een plan gebleven; Van der Leeuw heeft zijn studie over de opkomst van het protestantisme en Luther nooit voltooid.
276In De Beweging, dl. 14, I (1918), p. 25-39 publiceerde Van Eyck zijn artikel Over kunst en mystiek (herdrukt in Verzameld werk IV , p. 21-37); zie ook nooit 241.
277Zie noot 199 en 274 over Lasserre en noot 136 over De Gourmont.
278Die Zimmerische Chronik, die Familiengeschichte der Schwäbische Grafen von Zimmern werd geschreven door Graaf Froben Christoph von Zimmern en zijn secretaris Hans Müller. De kroniek werd in de 19e eeuw ontdekt door L. Uhland; in 1869 verscheen een uitgave bezorgd door K.A. Barack, in 1931 een door P. Hermann. De uitgave die Bloem op het oog heeft is mogelijk die, welke verscheen in: K. Amrain, Deutsche Schwankerzähler des XV. bis XVIII. Jahrhunderts (1907), p. 77-149.
Bücher der Rose is de naam van een Duitse serie uitgaven, die 1 M. 80 per deel kostten, uitgegeven door W. Langewiessche-Brand in Ebenhaussen bei München. De serie bevatte voornamelijk uitgaven van brieven en dagboeken, onder meer van Goethe, Annette von Droste-Hülshoff, Schiller, Heine en Hebbel.
279Met de landknechtliederen doelt Bloem op Lieder der Landsknechte, hrsg. von Fritz A. Hünich, als deel 158 bij de Insel-Bücherei (1915).
280Zie noot 271; Bloem heeft zijn bespreking òf niet aan Coenen gestuurd òf deze heeft de recensie evenals Verwey geweigerd. Groot Nederland bevat in de eerstvolgende afleveringen tenminste geen studie over Le grand Meaulnes van de hand van Bloem.
281Bloem doelt hier op de hoofdpersoon uit Le grand Meaulnes, Franz; zie ook noot 271.
282Charles Guérin (1873-1907) was de ‘minor-poet’ van de post-symbolistische periode. Sötemann wijst in Over de dichter Bloem, p. 20 de volgende overeenkomsten tussen de poëzie van Bloem en Guérin aan: ‘Met het werk van Guérin [...] vertoont de poëzie uit Het verlangen opmerkelijke overeenkomsten: zowel vindt men er de bij Guérin zo duidelijke “sensibilité élégiaque” terug - de onbevredigbare hunkering, alsook de gedisciplineerde vormgeving en de behoefte het “verlangen” in een schijn van objectiviteit te kleden door gebruik te maken van legende-achtige figuren en situaties’.
prepostterug  begin  verder