terug  begin  verderprepost

74

Almeloo

17 Maart 1918

 

Beste Aart.

Indien ik wachten moest met je te schrijven, totdat mijne levensomstandigheden zich hebben verbeterd, zou je waarschijnlijk nooit meer een brief van mij ontvangen, en dat zou ik niet graag willen. Ik ben daarom al lang van plan je eens te

[p. 146]

schrijven, maar ik werd daarin weerhouden deels door andere drukke correspondentie, deels door de gedachte, dat ik van jou wel weer wat zou hooren (al was jij ook niet aan de beurt) en ik dan zou kunnen antwoorden, iets waar ik altijd veel gauwer toe kom dan tot uit me zelf te schrijven. Je ziet evenwel, dat ik mij vermand heb; ik heb evenwel een voorgevoel, dat deze brief er nu juist een van jou zal kruisen, zooals dat zoo vaak gebeurt. Enfin, daar is niets aan te doen. Welk een lang en onbeduidend prothalamion!283 Daar heb ik altijd een neiging voor. Misschien omdat ik zelden iets blijs heb te vertellen. Ook nu niet. Mijn toestand is nog steeds hopeloos. Ik kan maar geen geld en geen betere betrekking krijgen; het laatste heb ik noodig voor het eerste, en het eerste om aan een faillissement te ontkomen. Maar genoeg hierover; als ik aan jou schrijf wil ik me de luxe permitteeren het eens over iets anders te hebben, iets un peu sur la montagne. Bovendien, in dit overzoete begin van het voorjaar word ik bijna onverschillig tegenover mijn aardsche nooden. Vroeger maakte mij dat bijna uitsluitend verlangend naar liefde, nu ook nog wel, maar er komt hoe langer hoe sterker bij, iets wat vroeger veel vager en onbewuster was, een zich overgeven aan jeugdherinneringen. Voor mijn gevoel hooren deze twee dingen bij elkaar, al zou ik het logische verband ertusschen niet kunnen aantoonen. Wat is mijn leven mislukt, althans anders geworden dan ik had gedacht en gewild. En toch, is dit misschien een supreeme rechtvaardigheid? Ik ben n.l. zoo gelaten, als ik zelf bijna niet begrijp. Ik streef ernaar omdat ik weet, dat het goed is, dan uit innerlijke drang. [sic] (Dikwijls tenminste, een mensch verandert natuurlijk nooit zoo plotseling, en er is nog heel veel van het vroegere in mij).

- Je verzen vond ik mooi, je stuk over de duitsche romantici heb ik ingezien, maar ik zal het eens spoedig gaan lezen.284 We hebben hier n.l. sinds de vorige week een openbare leeszaal, wat natuurlijk voor mij een heerlijk ding is met het oog op alle tijdschriften, hoewel ik niet denk, dat ik er zoo héél veel zal komen, want het is voor mij altijd zoo'n geweldig besluit, naar zoo iets heen te gaan.

- En hoe maken jelui het, geliefde trits? Kon ik jelui maar altijd in mijn nabijheid hebben, wat zon mijn leven dan veel minder wanhopig zijn! Ik zit hier zoo absoluut verstoken van dat verkeer, dat ik het allermeeste noodig heb, in deze drie-

[p. 147]

werf verdoemde achterhoek. - Van mijn sollicitatie in Rotterdam heb ik niets meer gehoord, dat is dus verkeken. Nu las ik juist in de krant, dat er te Arnhem ook een Volksuniversiteit wordt opgericht. Zou je zwager daar soms iets van weten, misschien zelfs in het bestuur zitten? Schrijf hem daar eens over, want als ze daar soms een Secretaris noodig hebben, kan hij mij eventueel steunen. Vergeet dit vooral niet, en schrijf mij dan gauw het resultaat. Het is hier op de Secretarie ook al weer donderen, vervelende chefs, en klerkenwerk te doen. Het is toch werkelijk om gek te worden, als je eens denkt aan alles, wat ik zou kunnen doen, en aan wat er van komt. En dat alleen door gebrek aan geld. Ik ben in deze beschouwingen niet consequent aan de theorieën van mijn vereerde meesters (Lasserre etc.); ik vrees, dat dit alles erg romantisch is, maar wij allen hebben dat fond zoo sterk in ons, dat anders spreken huichelen zou zijn.

Vindt je die kritische stukken van v. Eyck, die den laatsten tijd in de Beweging verschenen zijn, niet uitstekend.285 We zijn 't er allen over eens, zelfs Jany Holst, die over 't algemeen allerminst tot zijn bewonderaars behoort. - En hoe vondt je zijn verzen in de laatste afl.? Ik vond ze een zeer groote vooruitgang, het IIde vooral.286

Nu adieu, mijn beste. Heel veel hartelijks ook voor Toos en Joh, vergeet niet spoedig aan je zwager te schrijven en laat mij dan ook weer eens wat van je hooren.

 

je vriend

Jacques

283Het woord prothalamion komt niet in klassieke woordenboeken voor, noch in litteraire poetica's. Het zou ‘voorvertrek’, dus hier zoiets als ‘inleiding’ moeten betekenen.
284In Leven en Werken, dl. 3, I (1918), p. 24-25 publiceerde Van der Leeuw Liedjes van den troubadour I en II. In De Gids, dl. 82, I (1918), p. 223-229 verscheen van zijn hand Tusschen waken en droomen. Deze verzen zijn herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 202-203 en 252-260. Er verschenen ook nog verzen van Van der Leeuw in De Beweging, dl. 14, I (1918), p. 427-432: De elementen, De seizoenen, De planten, De dieren, Het huis, De geliefde en Loflied; de laatste vijf verzen zijn herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 214-218. De studie Het Duitsche heimwee naar het zuiden werd gepubliceerd in Groot Nederland, dl. 16, I (1918), p. 202-218 en 306-318; herdrukt in Verspreid proza. Hierin bespreekt Van der Leeuw een aantal Duitse romantische auteurs, die allen hun inspiratie in Italië en Griekenland zochten.
285In 1918 publiceerde Van Eyck een aantal kritische artikelen in De Beweging: in januari verscheen Over kunst en mystiek (zie noot 276). In februari besprak hij onder de titel Lezing en herdenking werken van Couperus, Van Genderen Stort en Scharten (p. 106-127). In maart recenseerde hij een studie over Léon Bloy en Kriegsbrevier van Dehmel (p. 110-116); deze bespreking is herdrukt in Verzameld werk IV, p. 110-116.
286In De Beweging, dl. 14, I (1918), p. 196-202 verschenen zeven verzen van Van Eyck; het tweede van deze serie begint met de regel: ‘Achter 't gordijn de oranje najaarsboomen...’; ze zijn verspreid opgenomen in de bundel Inkeer en herdrukt in Verzameld werk I, p. 327-347.
prepostterug  begin  verder