terug  begin  verderprepost

78

[AMSTERDAM,] 16 Januari 1919

 

Beste Aart

Wat ben jij toch een gelukkig mensch. Daar stuur je maar weer een heele hoop verzen, die tot de allermooiste hooren, die ik van je ken.294 Ik weet haast niet welke ik 't beste vind, zoo prachtig zijn ze. Ik wil je er wel even voor bedanken, maar uitvoerig kan ik niet zijn. Ik heb haast geen tijd, 't is erg druk op 't bureau; en verder heb ik ook geen lust in schrijven. Ik heb altijd in den put gezeten, maar zooals nu misschien nog nooit. Alle mogelijke zorgen: amoureuze, huiselijke en financieele combineeren zich en maken, dat ik me gewoonweg opvreet van zenuwachtigheid en ellende. - En dan vraagt men nog, waarom ik nooit meer schrijf. Ik zou wel eens iemand willen zien, die dat kon in mijn omstandigheden.

't Eenige nieuws is, dat ik trachtend ben, correspondent v/d Rotterdammer in Rome te worden.295 Ik schrijf je daarover nog wel nader.

Ik ben nog niet op mijn nieuwe kamers, maar de volgende week ga ik er heen. Als ik weer eens kan, kom ik een week-end bij jelui, om van je heerlijk rustig-makende omgeving te genieten.

Maken jelui het goed? Hartelijke groeten aan allen en geloof mij

 

als steeds je vriend

Jacques

294Van der Leeuw had in augustus 1918 vijf verzen geschreven, die verschenen in De Gids, dl. 83, I (1919), p. 86-92 onder de hoofdtitel Gestalten: Rhodopis, Faunus, Daphnis, Rebekka en Broeder Juniperus; ze zijn herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 242-251. Pas in juni 1919 zou hij weer nieuwe verzen schrijven.
295Van Eyck was van 1914 tot 1916 correspondent voor de N.R.C. in Rome geweest. Vermoedelijk had men na Van Eyck in verband met de oorlogssituatie geen nieuwe correspondent benoemd. In 1919 werd hij opnieuw voor Rome gevraagd, maar hij weigerde.
prepostterug  begin  verder