terug  begin  verderprepost

80

Almelo, 19 October [19]19

 

Beste Aart

't Is alweer geweldig lang geleden, sinds ik de laatste maal van je gehoord heb. In mijn toestand is sindsdien wel eenige verandering gekomen, en, al is zij nog lang niet zooals het wezen moet, in elk geval is het er niet beroerder op geworden. Ik

[p. 153]

ben op 't oogenblik voor een paar weken thuis; voordien was ik een maand in Bergen, waarheen ik over een week weer vertrek. Ik ben daar zeer goedkoop en geschikt onderdak. Ik heb op 't oogenblik een kleine toelage van eenige vrienden, waardoor ik in elk geval het leven kan rekken, totdat ik eens iets te doen krijg, waarin ik mij werkelijk een bestaan kan scheppen, en niet, zooals tot dusver, allerlei betrekkingen, die ik om der wille van het geld accepteer, en waarin ik mij op den duur toch niet kan handhaven. Je begrijpt, dat de materiëele zijde van mijn bestaan nog wel zeer bedreigd is, maar in elk geval heb ik mijn vrijheid toch terug, en je begrijpt, hoe ik daarvan geniet. - Mijn adres in Bergen is: p/adr. Mej. Meuter, Zuidergeest. Ik blijf echter nog een week hier (d.w.z. niet in dit hôtel, daar ben ik slechts toevallig, maar bij mijn ouders) - Ik heb voor van den winter allerlei werkplannen, en hoop, die eindelijk eens te kunnen volvoeren. Jany Roland Holst is ook in Bergen, en mijn vriend Tielens, die op 't oogenblik in Egmond woont, komt er ook wonen.300 Dat is dus heel gezellig. Misschien - maar dat is nog niet gedecideerd - krijg ik er een heel klein huisje, dat aan ten Holt behoort.301

Daar zou ik dan mijn boeken en meubelen onderbrengen, en meteen voor ‘werkplaats’ inrichten, en dat zou natuurlijk wel meer dan mooi zijn.

En hoe maken Toos, Joh en jij het? 't Is geweldig lang geleden sinds ik jelui heb gezien. Ik hoop toch nog eens te komen. Wanneer zal dat lang gekoesterde ideaal nu toch eens werkelijkheid worden: wij samen wonend in hetzelfde dorp. - Zoodra ik ergens gefixeerd ben, sommeer ik jelui, hoor.

Jan Greshoff is overspannen en doet een rustkuur in Haamstede (Zeeland). Verdere bizonderheden weet ik niet.

Wat zeg je toch van het ophouden van ‘de Beweging’? 't Is toch jammer, maar, eigenlijk gezegd heeft het tijdschrift niet veel reden van bestaan meer, tenzij natuurlijk voor de kritiek van Verwey, want er komen absoluut geen jongeren. Uyldert vond dat ook. Daar had ik het nog met hem over, hoe wij geen van allen hebben gegeven, wat wij beloofd hadden, maar allen door den financieelen druk, op ons uitgeoefend, geknakt zijn.302 Een beroerde gedachte. Maar die mij toch niet al te beroerd stemt. Ik ben geloof ik, erg veranderd, in de laatste jaren, en begin de kunst eenigszins ontrouw te worden, voor - ik kan zoo moeilijk zeggen waarvoor.

[p. 154]

Ik verlang maar één ding te schrijven: een kritiek op het walgelijke moderne leven.303

Nu adieu, mijn beste. Laat eens spoedig wat van jelui hooren. Doe mijn heel hartelijke groeten aan Toos en Joh en geloof mij

 

als steeds je

Jacques

300Zie noot 213.
301Henri Friso ten Holt (1884-1968) maakte deel uit van de Bergense schildersschool; hij was bevriend met Van Eyck, Roland Holst en Bloem.
302Toen de Beweging in 1919 ophield te verschijnen schreven de drie redacteuren elk een slotwoord: Berlage schreef Tot een afscheid (p. 321-322), De Vooys nam afscheid in Voor 't laatst en Verwey sloot zijn werkzaamheden aan De Beweging af met Een afscheid (p. 323-325). Hij merkte hierin onder meer op: ‘Tijdschriften hebben juist zoo lang beteekenis als zij tot verzamelplaats dienen voor gelijkgestemde geesten’. Uyldert kwam op de oorzaak van einde van De Beweging terug in Uit het leven van Verwey III, p. 79: ‘Het was ook de aanmerkelijk verminderde medewerking van het jongere geslacht, en soms moest [Verwey] zich wel afvragen of de bloei der poëzie niet tot een voorlopig einde gekomen was. De oudere medewerkers waren hem, op een enkele uitzondering na, trouw gebleven, al stuurden zij soms ook bijdragen bij andere tijdschriften in’.
303Bloem heeft nooit een artikel speciaal over dit onderwerp geschreven, maar hij uitte zijn mening over het walgelijke moderne leven meermalen in andere artikelen; zo schreef hij in een bespreking van het werk van Katherine Mansfield, die dateert van 1928: ‘De meeste modernen nemen van dezen tijd alleen dat, wat het meest aan de oppervlakte ligt: het lawaaiige, mechanische, verwarrende, vernederende, het Amerikanisme in een woord. Onder al dit zinnelooze uiterlijke zetten de eeuwige dingen des levens hun bestaan voort, in wezen onveranderd, zoo niet in verschijning. Deze immers kan niet anders dan den invloed ondergaan van het veranderde uiterlijke leven’. (Verzamelde beschouwingen, p. 204-208; het citaat op p. 204).
prepostterug  begin  verder