terug  begin  verderprepost

82

Almeloo, 29 Februari 1920

 

Beste Aart

't Is alweer een tijd geleden (December) sinds we iets van elkaar hebben gehoord. En hoe veel langer nog, dat we elkaar voor 't laatst zagen! Ik schat dat wel op 1½ jaar, precies weet ik het niet meer. Ik kan je niet zeggen, hoezeer ik dat betreur. Onder al mijn vrienden blijf jij ten slotte nummer één, voor mijn leven lang, en het spijt mij zoo, dat ik juist jou zoo weinig zie. Dit is ook alweer den schuld van den vloek van mijn leven: het gebrek aan geld. Had ik dat wat meer, dan kwam ik je wel meer opzoeken. Maar ik kom tegenwoordig nooit meer de Haagsche kanten uit, en ik ben altijd eenigszins huiverig om te vragen, bij je te komen logeeren, omdat ik weet, dat dat altijd een zekere opschudding bij je te weeg brengt, hoe gastvrij je me ook gezind bent.

Ik heb gehoord, van Jany Holst, dat je aan Colenbrander hebt geschreven, een

[p. 156]

beloofde studie over de romantiek (?) voorloopig niet te kunnen schrijven, omdat je je niet wel genoeg gevoelde.312 Maar dat is alweer een tijdje geleden, en ik hoop dat het heerlijke, uitzonderlijk-vroege lenteweer, dat wij gehad hebben, je weer heelemaal uit de put zal hebben gehaald.

Over ‘de Gids’ gesproken: in het nummer van morgen verschijnen 3 boekbesprekingen van mij, w.o. een over St. Veit. - Je begrijpt, dat, nu Jany redacteur is geworden, alles wat je aan ‘de Gids’ wilt zenden met graagte zal worden geäccepteerd.313

- Nu 't een en ander over hier. Ik heb je in December natuurlijk al geschreven, dat mijn vader het minder goed maakte, doordat zijn hart niet in orde is. Weliswaar maakt hij het op 't oogenblik alleszins bevredigend, maar beter kan hij nooit meer worden, en zijn leven is van nu af aan steeds bedreigd, meer dan van een normaal mensch. - Je weet, welke de gevoelens zijn, die ik ten aanzien van mijn ouders koester, en je begrijpt dus, hoe ik mijn lieve vader niet meer kan aanzien zonder dat mijn hart wordt dichtgeknepen bij de gedachte, dat ik hem eenmaal zal moeten missen. Dat zijn van die dingen, die men altijd wel vooruit geweten heeft, maar latent, en die men pas onder zulke omstandigheden reälizeert. [sic] Je begrijpt dus, dat ik nog bedrukter dan anders leef. - Mijn vader heeft op 't oogenblik verlof, maar hij zal het burgemeesterschap er wel aan moeten geven; het is te vermoeiend voor hem, vooral met dat heen en weer reizen.

Bovendien moeten wij met Augustus uit ons huis. Ik hoop dan maar, dat wij heelemaal deze contreien zullen verlaten, en dat mijn ouders zullen gaan wonen waar ik dan ben, opdat ik hen nog zooveel mogelijk kan zien.

- Het treft allerberoerdst, dat ik nu net geen baantje heb, want ik weet, dat mijn vader dit ook vervelend vindt. Ik ben daarom weer ijverig aan 't solliciteeren, maar het zal me ditmaal niet gemakkelijk lukken, omdat ik op 't allerlaatst, den laatsten dag, dat ik op 't Arbeidsbureau was, ruzie heb gekregen met mijn chef, zoodat die geen referenties over mij wil geven, hetgeen altijd een uiterst zwak punt voor mij vormt. - Ik solliciteer op 't oogenblik voornamelijk naar 2 dingen: hoofdcommies a/h Departement van Waterstaat, en hoofdcommies ter gemeente-Secretarie te Hilversum. - Mocht het mij gelukken, het eerste te bemachtigen (maar

[p. 157]

dat lijkt me uiterst onwaarschijnlijk, want het is een vrij ‘hooge’ betrekking, waar wel heel wat capabeler candidaten voor zullen komen opdagen), dan verheug ik mij er zéér op, eindelijk dicht bij jou, Toos en Joh te zijn. - Ga daarom, als je uit wandelen gaat - 't is een kleine moeite - eens even langs bij die kamer, waar ik toen haast gekomen was (in 't dorp, je weet wel, die lage kamer, met die keuken erbij) en vraag eens of die met April soms nog vrij is. Maar zeg er vooral bij, dat ik nog absoluut geen toezeggingen omtrent huren kan doen.

Ik ga de volgende week bij Jan Greshoff logeeren, die zooals je zeker wel weet, hoofdredacteur v/d Nieuwe Arnhemsche Courant is geworden.314 Aty gaat n.l. spoedig naar 't Diaconessenhuis voor haar bevalling, en ik houd hem dan wat gezelschap. Schrijf mij dus aan dat adres: 45. Burgemeester Weertsstraat, Arnhem. En nu adieu, mijn beste. Laat eens gauw wat van je hooren, en geloof mij, met hartelijke groeten, ook aan Toos en Joh,

 

steeds geheel je vriend

Jacques

312H.T. Colenbrander en A. Roland Holst maakten deel uit van de redactie van De Gids; de eerste was sinds 1916 secretaris van de redactie. Zijn plan een studie over de romantiek te schrijven voor De Gids heeft Van der Leeuw niet ten uitvoer gebracht.
313In De Gids, dl. 84, I (1920), p. 522-530 besprak Bloem in de rubriek Bibliographie van Van der Leeuw Sint Veit en andere vertellingen, Fantomen van François Pauwels en Het groote avontuur van J.J. de Stoppelaar. Over het werk van Van der Leeuw schreef Bloem onder meer: ‘Men zou Van der Leeuw een natuurdichter kunnen noemen, maar men moet aan dat eenigszins vage woord dan een zeer speciale beteekenis toekennen. [...] In het grootste deel van zijn werk voltrekt zich juist de herschepping, waardoor de mensch één wordt met de natuur niet alleen, maar - en dat is het belangrijke - op natuurlijke wijze’. (p. 523).
Van der Leeuw publiceerde vanaf 1920 zijn verzen vrijwel uitsluitend in De Gids; natuurlijk hangt dit mede samen met het einde van De Beweging in 1919.
314Greshoff was van 1 januari 1920 tot 1 april 1923 hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemsche Courant, met Albert Besnard als eerste redacteur.
prepostterug  begin  verder