terug  begin  verderprepost

83

Almeloo

3 Mei 1920

 

Beste Aart

Wel bedankt voor den brief, dien ik eergisteren van je kreeg. Ik ben blij, dat mijn stukje over St. Veit eenigszins naar je genoegen was. Ik voel me altijd bezwaard, als ik mijn oordeel over een boek moet neerschrijven, en dat te meer naarmate ik het meer bewonder. Ik ben zeer benieuwd naar je nieuwe boek. Dat is een vervolg op Kinderland, niet waar?315

Van mijzelf kan ik geen goeds berichten. Ik bevind mij in een zóó perilleusen toestand als nog nooit van mijn leven. Ik kan er geen eens over schrijven. Je mag er ook met niemand (behalve met Toos en Joh) over spreken. Misschien loopt het nog met een sisser af. God geve het, anders ben ik voor altijd vernietigd. Ik hoop

[p. 158]

gauw eens bij je te komen, als het achter den rug mocht zijn. Ik kan toch wel een nacht bij Joh logeeren, niet waar?316

Ik had de schrijverij juist weer een beetje hervat, maar nu is alles natuurlijk weer voorbij. In de Gids van deze maand staat een kleine necrologie, die ik over Jan Danser schreef.317

Mijn vader is Zaterdagavond uit de Emma-kliniek teruggekeerd. Hij maakt het gelukkig goed, als hij zich nu maar wat weet te menageeren, maar dat is het juist. Sinds kort werk ik op de Griffie v/h Kantongerecht alhier. Ik heb n.l. gesolliciteerd naar griffies, te Kampen of te Veghel. 't Is een rustig baantje, en 't bevalt mij wel. Als alles tenminste niet met mij naar de bliksem gaat.

Beste Aart, ik leg je nogmaals de meest volstrekte geheimhouding op, zelfs over het weinige wat ik je schreef. En geloof mij met hartelijke groeten ook aan Toos en Joh

 

als steeds je

Jacques

315De mythe van een jeugd, dat in 1921 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum verscheen, is een vervolg op Kinderland; Kinderland bevat de lotgevallen, beschreven in de eerste persoon, van Willem Voogd tot zijn twaalfde jaar, terwijl De mythe van een jeugd in de derde persoon de daarop volgende puberteitsjaren van Rijkert beschrijft. Dit laatste werk werd niet door iedereen met enthousiasme ontvangen; zie hierover Aart van der Leeuw, p. 186-190 en de bibliografie in deze studie op p. 354. Ook Van der Leeuw zelf twijfelde aan de betekenis van De mythe van een jeugd; op 2 december 1921 schreef hij aan Verwey (aangehaald in Aart van der Leeuw, p. 189): ‘Zelf wist ik nooit goed wat ik aan dit boek had. Ik heb het in een slechten tijd geschreven en toen ik het af had beviel het mij absoluut niet’. Tegenover 's-Gravesande zou hij zich in 1925 nog duidelijker uitdrukken (Sprekende schrijvers, p. 11-12): ‘Het zwakste van mijn boeken lijkt me de Mythe van een Jeugd. Vorm en inhoud hebben zich daar veelal niet gevonden. In Kinderland was dit wél gebeurd’.
316Bloem doelt hier op zijn contact met de justitie wegens homosexuele handelingen. Deze geschiedenis heeft zich dus eerder afgespeeld dan Sötemann aanneemt (Over de dichter Bloem, p. 35-36).
317In De Gids, dl. 84. II (1920), p. 334-336 schreef Bloem In memoriam J.G. Danser; zijn bijdrage is herdrukt in Verzamelde beschouwingen, p. 120-122. Van Danser verscheen in 1917 de sonnettenbundel Ontmoetingen; vrijwel alle daarin opgenomen verzen waren eerder in De Beweging gepubliceerd. Bloem noemt de grondtoon van Dansers verzen ‘[...] een van peinzenden weemoed’ en stelt ‘Het is kenmerkend voor dezen dichter, dat het toekomstig geluk, waarom hij in zijn verzen smeekt, dikwijls weer smart blijkt te zijn’. (p. 335).
prepostterug  begin  verder