terug  begin  verderprepost

84

103 b. Schiedamsche Singel

Rotterdam

13 Juni 1920

 

Beste Aart

Wel bedankt voor je hartelijke briefje. Neen, in Rotterdam is het niet misgeloopen, sinds de vorige week Dinsdag ben ik er.318 Ik ben Vrijdagmiddag bij je geweest, maar helaas waren noch jij, noch Toos, noch Joh er. Misschien kom ik a.s. Zondag of Maandag nog even, maar zeker weet ik dat nog niet. Op je verjaardag zal ik tot mijn grooten spijt niet kunnen komen, aangezien ik dan in Amsterdam voor de heeren rechters zal verschijnen. Wel toevallig, niet waar? Maar geen bepaald prettig toeval.319

Het werk op de krant is druk en vermoeiend, hetgeen in deze omstandigheden een zegen is. Maar daarna. Ik zou zoo dolgraag mij in de eenzaamheid terugtrekken, en alleen literair werk verrichten. Dat is de eenige manier om er boven op te

[p. 159]

komen, want ik heb nog teveel in me, om me door één afschuwelijk noodlottig iets te laten vernietigen. Nooit heeft mijn armoede mij nog zoo gedrukt. Het leven is wel ongelooflijk hard voor mij; om mij zóó te slaan en tegelijk het geneesmiddel voor die slag weg te nemen. Een ding troost mij, en dat is de sympathie, die ik zoo ruimschoots ondervind. - Van mijn clubgenoot v/d Meulen, die een allerminst sentimenteel iemand is, integendeel, kreeg ik een zóó hartelijken brief, dat hij me bepaald ontroerde.320 - Maar deze dagen zijn beroerd, al ben ik ook vrij kalm. En ik zit hier zoo eenzaam, terwijl ik juist nu zoo'n behoefte aan een vertrouwde vriend heb.

Ik ben vandaag in Dordrecht bij Mees geweest, waar we je natuurlijk ook nog herdacht hebben, mede in verband met je periode van Colombinistische dwangarbeid.321 Ook de Westertoren heb ik met attentie opgenomen. Hij woont er erg mooi, op de Nieuwe Haven. Ik vind D. trouwens heelemaal een prachtige oude stad. 't Was dat echte warme zomerweer, en een man speelde heel mooi op een occarina aan de gracht. Reint zei mij, dat hij dat alleen in 't voorjaar doet, en ik dacht aan jouw verzenmaken. - Er was zoo echt die verlief de Zondagavondstemming, met vrijende paartjes etc. en ik vond mijn leven zoo hopeloos mislukt en contrasteerend met al die gelukkige en tevreden menschen. Mijn dichterschap, dat nooit gelegenheid heeft gehad zich te ontplooien, die dagelijksche slavernij voor nog minder dan 't dagelijksch brood, en nu nog deze maatschappelijke klap. Maar eens zal alles voorbij zijn, omdat dan het leven voorbij is. Lees de laatste zin van Wuthering Heights eens over. Daar denk ik nu aan.322

Ik moet je namens Jan Greshoff (en mijzelf trouwens, maar ik heb op 't oogenblik

[p. 160]

waarachtig geen energie voor dergelijke dingen) vragen, een bundel gedichten van je in onze Palladium-serie te geven. De détails behandel ik mondeling wel met je; ik heb geen moed om dat alles uitvoerig te schrijven.323

Nu adieu, mijn beste, als ik eenigszins kan: tot spoedig. Groet Toos en Joh allerhartelijkst van me, en geloof mij

 

als steeds je

Jacques

318Van 1 juni 1920 tot 1 september 1927 was Bloem nachtredacteur buitenland bij de N.R.C.
319Zie noot 316.
320zie noot 61 en noot 148; de brieven van Van der Meulen zal Bloem weggegooid hebben.
321zie noot 105; het adiectivum Colombinistisch is in dit verband niet duidelijk.
322De laatste regel van Wuthering Heights luidt: ‘I lingered round them under that benign sky; watched the moths fluttering among the heath and harebells, listened to the soft wind breathing through the grass and wondered how anyone could ever imagine unquit slumbers for the sleepers in that quiet earth’. Frappant is de overeenkomst tussen Bloems woorden in deze brief over die gelukkige en tevreden menschen en zijn gedicht Feestavond, dat hij schreef in 1907 en dat hij à titre de curiosité citeert in Terugblik, p. 14:
 
‘Roode lantarens hangen in het loover
 
Der boomenrijen langs de gracht en over
 
Het water liggen plekken rooden schijn,
 
Als uitgestorte, vurig-lichte wijn.
 
 
 
Onder de boomen gaan gearmde paren;
 
Zacht klinkt hun spreken als 't geruisch der blaren,
 
Zacht is hun lachen - de avond is zoo zwoel. -
 
Heel in de verte juicht kermisgejoel.
 
 
 
Ik loop alleen langs die geluk'ge menschen,
 
Verlangend, maar ik weet niet wat te wenschen...
 
Ja toch: ook lachend en gearmd te gaan
 
Door de avondstilte in deze luwe laan.’
323De Palladium-serie was een serie, uiteindelijk bestaande uit twintig bibliofiele uitgaven, gepubliceerd in de jaren 1920-1927, onder leiding van Jan van Krimpen. J.C. Bloem, Jan van Nijlen en Jan Greshoff. In maart 1921 was afgesproken in deze serie de bundel Opvluchten van Van der Leeuw op te nemen; in november 1922 bleek dat Van Krimpen zich niet aan deze afspraak wenste te houden. Uit loyaliteit met Van der Leeuw verliet Bloem toen de redaktie. Opvluchten verscheen tenslotte in 1922 bij C.A. Mees te Santpoort.
prepostterug  begin  verder