terug  begin  verderprepost

90

Rotterdam

19 April 1928

 

Beste Aart.

Ik wilde je nog altijd even bedanken voor je briefje. Ik ben erg blij, dat mijn stuk-

[p. 165]

je je ten slotte bevredigd heeft, al heb je er natuurlijk groote bezwaren tegen.329 Dit heb ik mij ook nimmer ontveinsd: het kan niet anders, waar wij zoo verschillend van aard zijn. Maar ik geloof, dat dit noch aan onze vriendschap, noch aan onze waardeering behoeft te schaden, en dat is ten slotte het voornaamste.

Mag ik eens je aandacht op één, bij jou heel veelvuldig voorkomend Germanisme vestigen: als in plaats van toen.330

Wij gaan met 1 Juni, misschien zelfs al met half Mei hiervandaan, naar de buurt van Utrecht, waarheen weten wij nog niet, maar dat zul je t.z.t. wel hooren. Ik hoop je voordien nog goedendag te komen zeggen, als je tenminste nog in Voorburg bent. Mocht je je voornemen hebben volvoerd, en je onder behandeling van prof. Bouman hebben gesteld, laat dat dan eens even weten: ik ben er zoo buitengewoon benieuwd naar.

Nu mijn beste, ik hoop tot spoedig, en geloof mij inmiddels met heel veel hartelijks, ook voor Toos en Joh, en van Claartje.331

 

Steeds je

Jacques

329Bloem heeft hier de bespreking van Ik en mijn speelman op het oog, die hij geschreven had voor De Gids, dl. 92, I (1928), p. 427-429. Ondanks de vele positieve woorden die Bloem aan deze roman wijdde, bemerkte hij toch ook ‘[...] een vaag besef van een zekere onvoldaanheid’; dit werd volgens Bloem veroorzaakt door ‘[...] een eigenschap, die men in het Fransch “mièvrerie” [gemaaktheid, lievigheid] noemt’. Bovendien bespeurde Bloem ‘een tweede zwakheid’, namelijk die van ‘de monotonie der vreugde’. (de citaten op p. 428).
330Bloem ging in de hierboven genoemde recensie ook in op de door Van der Leeuw gebruikte germanismen: ‘Zelfs de kleine taalonzuiverheden, die hier en daar het voortreffelijke proza ontsieren, zijn van Duitschen oorsprong’. (het citaat op p. 429).
331Sinds 4 november 1926 was Bloem getrouwd met Clara Eggink.
prepostterug  begin  verder