terug  begin  verderprepost

95

St. Nic. 19 Juni '30

 

Beste Aart

Heel hartelijk kom ik je bedanken voor ‘De opdracht’, dat ik eergisteren van je kreeg en waarmee ik erg blij ben. In de allereerste plaats om de extra-litteraire reden, dat ik blijkbaar weer waardig gekeurd word, van je boeken present-exemplaren te krijgen. Het, gelukkig spoedig opgehelderde, misverstand behoort dus wel heelemaal tot het verleden. En dan verder om het boekje zelf (den inhoud althans, het uiterlijk kan mij niet bekoren).344 Ik heb het verhaal destijds in den

[p. 171]

Gids gelezen (daar stond het immers in?) en met groote bewondering. Hoe buitengewoon ben je erin geslaagd, jezelf te vernieuwen, met behoud natuurlijk van het eigenste, dat niet te veranderen, en waarvan verandering trouwens ook niet wenschelijk, is. In je laatste stukken (ik heb dat in Leiding maar heel vluchtig ingekeken, expres, ik had zelfs dat niet willen doen, omdat ik altijd liever wacht tot het heele verhaal er is, maar ik was te nieuwsgierig) schijn je mij volkomen bereikt te hebben, wat je in de Mythe van een Jeugd nog niet is afgegaan: een sprookje van het dagelijksch leven te maken.345 En dat begint zich al op den ouderdom te beroepen! Ik zou met een kleine variant op Vergilius tegen je willen zeggen: Macte, nove virtute puer!346

Het andere exemplaar heb ik naar Jan Greshoff doorgestuurd. Zijn adres (je mocht het nog eens noodig hebben) is: 130. Boulevard Auguste Reyers. Schaarbeek. Brussel.

Je schreef, dat je tot 15 Juni in je zomerverblijf bent, maar aangezien je brief diezelfde dagteekening droeg, meende ik, dat dit wel een verschrijving voor Juli zou zijn.347

Jelui maakt het dus, vermoed ik, wel goed, behalve dan dat je wat moe van het werk bent - maar waar kan men dat beter van zijn? - Ons gaat het ook goed, tenminste physiek. St. Nic. wordt langzamerhand een obsessie, vooral voor mijn vrouw; ik kan er beter tegen, maar ik vind het er toch ook wel erg. (Maar het baantje blijft een zaligheid, voorzoover baantjes dat ooit zijn.) Ik heb nu gesolliciteerd naar Hoorn; ik zou daar erg graag heengaan; het is dichtbij Alkmaar (Bergen) en Amsterdam, en een mooi oud stadje, waar mijn familie nog door traditie mee verbonden is. Maar juist als je iets zoo graag wilt, gaat het je neus voorbij, dat is des levens aard. - Op het oogenblik ben ik hier alleen: mijn vrouw en Wimmie zijn de heele maand in Bergen, in het huisje van Jany Holst, die al meer dan een half jaar in Italië is, maar de volgende maand weer terugkomt. Ik ben de eerste week van deze maand ook mee geweest, maar kon niet zoo lang blijven en ga er nu de volgende week Vrijdag weer heen, om den Woensdag daarop gezamenlijk hierheen terug te gaan.

Onlangs ben ik weer aan de verzenschrijverij geslagen, naar ik geloof, ook van andere zijde, niet slecht.348 Maar als je Het Verlangen al somber vond, zal je dit

[p. 172]

wel heelemaal erg vinden. Ik ben in de laatste jaren absoluut versomberd, niet in het dagelijksch leven, maar in mijn gevoelens over het leven zelf. En toch weet ik heel goed, dat dit deels zeer ondankbaar van mij is, want ik heb in mijn kind een geluk gevonden, zooals ik nooit had kunnen denken, dat het leven voor mij in petto hield. Misschien zal dan ook, als ik ouder ben, en in het leven niets meer zoek dan dat eene, ik toch nog gelukkig worden, zij het op een volkomen gelaten wijze.

Nu, mijn beste, hierbij laat ik het voor ditmaal. Als ik in September nog in den Haag kom, kom ik je vast eens opzoeken, want je hebt mijn vrouw wel, maar Wimmie nog niet gezien. Heel, heel veel hartelijks, ook voor Toos en Joh en geloof mij

 

als steeds je

Jacques

344De band- en typografische verzorging van De opdracht waren van J.B. Heukelom. Naam, titel en lijnenfiguur op de buitenkant waren in groen; de titelpagina en de rest van het boek zijn met geel versierd. Van der Leeuw noemde de uitvoering ‘Misschien wat overdadig? Maar ik vind ze toch wel aardig’. (Briefwisseling Van Eyck-Van der Leeuw, p. 184). Later, naar aanleiding van de kritiek van Van Eyck en Bloem, zou hij schrijven: ‘Nu ik het boekje wat langer in mijn bezit heb vind ik vooral ook die eerste bladzij veel te druk’; hij sprak zelfs van een ‘dure en pompeuze uitgave’. (idem, p. 192).
345In Leiding, dl. 1, I (1930), p. 252 267 verscheen Het avontuur van den huurder; later zou het als eerste hoofdstuk opgenomen worden in De kleine Rudolf (Rotterdam, 1930). Zie voor de verschillende meningen over De mythe van een jeugd, noot 315.
346De zegswijze, die ontleend is aan Vergilius (Aen. 9. 641) luidt: Macte nova virtute puer, sic itur ad astra: geluk met dit eerste bewijs van uw dapperheid, mijn zoon; zo bereikt men de onsterfelijkheid.
347Vanaf 1921 bracht Van der Leeuw elk jaar met zijn zuster en schoonzuster zes weken door in het zomerhuis je De keet in Hulshorst, dat vrienden hun ter beschikking stelden.
348In juni 1930 maakte Bloem een begin met Spiegeling. Het werd opgenomen in Balans 1930-1931, p. 104 en herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 125:
In juli 1930 zou hij beginnen met vijf nieuwe verzen: Het oude kerkje, Bezinning, Hemelen, Uitzicht en Ademen. De eerste twee verzen verschenen in Leiding, dl. 1, II (1930), p. 301; de laatste drie verschenen samen met Najaarsmist onder de verzameltitel Strofen van den Herfst in De Gids, dl. 95, I (1931), p. 337-340. Deze gedichten zijn herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 124 en 126-129. Voor Bloem kunnen we hier spreken van een opvallend grote produktiviteit.
prepostterug  begin  verder