Toen ik Mevrouw M. Th. Veen verzocht mij inzage te verlenen van het handschrift van Van Oude Mensen, verwachtte ik eigenlijk niet veel te vinden dat van belang zou zijn. Het manuscript van Iskander, dat bij het Letterkundig Museum in Den Haag berust, vertoont immers vrijwel geen doorhalingen of afwijkingen van de gedrukte tekst; waarom zou dit bij Van Oude Mensen dan wèl het geval zijn? Ik kreeg een groot pak dichtbeschreven vellen in quarto-formaat, dat op het eerste gezicht mijn verwachtingen bevestigde. Bij nader onderzoek echter bleek het pak twee handschriften te bevatten, die geheel door elkaar waren geraakt. Het ene, het drukkershandschrift, dat vrijwel geen verbeteringen vertoont en overeenkomt met de eerste uitgave van het boek, bestaat uit 270 aan één kant beschreven vellen, quarto-formaat: Deel één is genummerd 1-69 en 1-70, deel twee 1-89 en 1-42; de laatste bladzijde is ondertekend: Nice. Sept - Dec. IV.
Het tweede manuscript, door Couperus zelf gekenmerkt met ‘Oorspronkelijke Copie’, is zeer slordig, soms bijna of geheel onleesbaar geschreven. Het bevat zeer veel doorhalingen, verbeteringen en allerlei aantekeningen in de kantlijn en wijkt hier en daar aanzienlijk van de uiteindelijke tekst af. De bespreking van dit handschrift, dat als de eerste versie van Van Oude Mensen beschouwd mag worden, is niet in de voorstaande studie opgenomen, omdat het voor het doel van dat onderzoek niet van belang is. Het manuscript opent immers een weg naar de auteur, en naar de compositie van Van Oude Mensen, en niet naar de structuur van de roman. Aan de andere kant leek het mij te belangrijk voor onze kennis van Couperus, om het in het geheel niet te noemen. Daarom volgt een korte bespreking ervan in deze op zichzelf staande bijlage.
Het is niet de bedoeling, de ‘Oorspronkelijke Copie’ hier integraal te herdrukken. Daarvoor zijn de afwijkingen toch weer te gering in aantal en komen de verbeteringen mij vaak te onbelangrijk voor. Alleen die wijzigingen en afwijkingen, die in verband met het voorgaande onderzoek van belang lijken, zijn hier opgenomen. De verbeteringen in het drukkershandschrift zijn zo gering in aantal en van zo weinig
belang, dat dit manuscript in het vervolg niet meer ter sprake zal komen.
Bij de beschrijving van het handschrift zijn de volgende afkortingen gebruikt:
| o.: oorspronkelijke tekst | dg.: doorheengeschreven |
| b.: bovengeschreven | og.: ondergeschreven |
| t.: tussengevoegd | g.: glosse |
| d.: doorgestreept | ol.: onleesbaar |
Van iedere passage is aangegeven, met welk tekstgedeelte uit het Verzameld Werk zij overeenkomt. Bijv. 17 : 27-34 betekent: pag. 17, regel 27 tot en met 34.
Samenstelling. 209 geliniëerde quarto-vellen: a) ongenummerde pagina, waarop ‘Oorspronkelijke Copie. / Van Oude Menschen, / De Dingen, die Voorbij gaan / Eerste Deel’; b) genummerd 1 tot en met 102, bevattende deel één; c) ongenummerde pagina, waarop de titel ‘Tweede deel / Van Oude Menschen / Oorspronkelijke Copie.’ Daaraan vastgeplakt een eveneens ongenummerde blanco pagina; d) genummerd 1-53, 53b, 54-103, bevattende het tweede deel.
a) Oorspronkelijke Copie. / Van Oude Menschen, / De Dingen, die Voorbij gaan1 / Eerste Deel2.
b 1.) Van Oude Menschen, / De Dingen, die Voorbij zijn.
Neen, Charles Pauws vond zich eigenlijk geen man om te trouwen. Hij was nog wel jong, acht-en-dertig; hij zag er zelfs jonger uit; hij had juist geld genoeg, om, met wat hij verdiende, en met wat Elly meê3 zoû krijgen van grootpa Takma, het er op te wagen, maar hij vond zichzelve volstrekt geen type om te trouwen. Zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid, die waren hem het liefst, en trouwen, dat was zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw. Hartstochtelijk verliefd was hij niet op Elly, - hij vond haar een goed, lief kind -; om het geld behoefde hij juist niet meer te doen....4 Waarom deed hij het dan, vroeg hij zich af, dag aan dag gedurende de week, die volgde op zijn aanzoek.
- Mama, kan u mij ook zeggen, waarom ik Elly gevraagd heb?
Zoo sprak hij tot zijn moeder, op een avond, na den eten. Mevrouw Steyn
de Weert zag op met nog mooie blauwe kindoogen de oogen van een stout kind1; zij zat met een boek bij het vuur, terwijl Charles zijn koffie dronk.
- Wat zeg je, Lot? vroeg zij, niet al te zeer verstoord.
Charles Pauws, zoon uit haar eerste huwelijk2 ook wel genoemd Charlot, Lot3, herhaalde rustig zijn vraag:
- Of u mij ook zeggen kan, Mama, waarom ik Elly heb gevraagd?
Mevrouw Steyn de Weert - in de familie, tante Ottilie, - scheen even na te denken. Lots woorden deden haar, dadelijk, een stekel voelen van jalouzie, een stekel, die heel erg pijn deed.4
- We doen altijd dingen,5 en weten niet waarom, zei ze. en zij voelde de pijn in haar hart, als een doorn, die zich stak6 in 't vleesch7
Haar stem klonk zacht, als verontschuldigend de mensch, die zoo deed; Charlot glimlachte,8 zag naar zijn moeder aandachtig, en zeide:
- U antwoordt zoo ernstig Mama....
- Ik?
- Dat ben ik niet van u gewoon.
- Ik ben wel eens een enkele keer9 ernstig.
- Waarom de laatste dagen....
b 2.) - Misschien omdat je trouwen gaat, jongen.... en niet weet, waarom.
- U houdt toch wel van Elly.
- Jawel, ze is lief....
- We moesten maar samen blijven10: ik heb er met Steyn over gesproken. Want zijn tweede schoonvader noemde Lot Steyn, kortweg11.
- Het huis is te klein, vooral als je gauw met een familie begint, zei Mama, en toch dacht zij: blijven wij samen, dan verlies ik Lot niet helemaal.12
- Een familie??
- Kinderen.
- Kinderen?
- Ja.... dat komt toch wel13 voor.
- De familie is al zoo groot: neven, nichten. Ik denk niet gauw met kinderen te beginnen.
- En je vrouw?
- We zullen er eens over spreken.
- Samen wonen: ik zoû wel willen, Lot.... bekende mama treurig14 Ik zal me heel eenzaam voelen, zonder jou15 - Met een schoonmama in huis.
- U is niet het type....
- Ik zou misschien Ottilie in Nice16 eens kunnen opzoeken....
Lot fronste de brauwen.
- Neen....
- Waarom niet? zei mevrouw Steyn de Weert heftiger: ze is toch1 mijn kind...
- Mama....
- Wat? Ze is toch2 mijn kind....
- U kan niet lang bij haar zijn, Mama.3
- Ik heb nooit met haar gekibbeld....
- Ze is.... voor ons verloren.
- Voor jou misschien. Ik blijf haar moeder.
- U kàn haar gedrag niet goedkeuren.
- Ik keur haar gedrag niet goed, maar ik ben haar moeder.
- Mama, als mijn huwelijk nog meer désarroi in de familie brengt, dan er al is, trouw ik niet. U kan niet bij Ottilie gaan wonen. Trouwens, Steyn heeft toch ook meê te praten....
b 3.) - Ik hoû zoo4 van Nice, zei mevrouw Steyn de Weert, zwakjes. De winters zijn er wel5 heerlijk6 Maar.... als het kan, woon ik wel gaarne bij jou, Lot. We zullen zien, een beetje grooter huis. Alleen met Steyn7 kan ik niet blijven. En naar Engeland zal ook je niet willen, dat ik ga....
- Moedertje....
Lot, plotseling, hield op. Mama, in de kindblauwe oogen, had tranen, die vielen niet neêr, en gaven een treurige8 glans aan haar stoute9 blik. Zij nam haar boek op, en deed of zij las. In haar gebaar was, nieuw, iets gerezigneerds en iets koppigs te samen, altijd iets van een stout kind. Een bedorven kind, dat deed tòch10 zachtjes en stilletjes waartoe het lust had. Lot, kopje in de hand, bestudeerde: hij bestudeerde even Mama. Zij moest wel zijn heel mooi geweest: de ooms zeiden altijd, een poppetje. Zij was nu zestig jaren, en zij maakte op niet meer pretentie, maar dat kinderlijk-poppige had zij behouden. Van eene oudere vrouw had zij alleen de11 rimpels; maar het vel van voorhoofd en wangen was altijd12 blank en vlekkeloos zacht. Zij was heel grijs geworden, maar daar zij heel blond was geweest, en zacht kroezig haar had, was het soms nog of zij blond was gebleven, en bijna kinderlijk aan de slaap, in de nek kruifden er lokjes, hoe overigens dat haar met groote eenvoud was opgestoken.13 Haar figuur, klein en tenger, was bijna14 dat van een jonge vrouw gebleven. Klein en lief waren haar handen; trouwens een liefheid was in geheel haar wezen en lief vooral waren hare blauwe kind-oogen. Lot, die glimlachend zag naar zijn moeder, vond haar een vrouw, over wie het leven heengaat, zonder het haar aan te pakken. Toch, mama had het hare gehad, met haar drie mannen: Coquet was zij wel geweest, vrouw van liefde was ze geweest, maar zij had zeker niet anders gekund, en gehandeld, onbewust15 koppig, volgens haar natuur zich (....) aan
het leven1. Om toilet had zij nooit gegeven; onbewust had zij zeker geweten, dat het2 niet was geweest haar natuurlijke bekoring te verhoogen met dingen die heel veel geld kosten3. Nu droeg zij een donkere japon, onbeschrijfbaar, meende Lot. Maar de kamer rondom was gezellig, als een nestje, met ouderwetsche meubels en handwerkjes, waarover een waas van vroeger, van vroegere smaak en van vroegere mode. Mama echter, dol op lezen, las heel moderne boekjes, de romannetjes van (....)4. Zij begreep niet altijd maar dorst aan Lot niet te vragen. Eene ouderwetsche5 naiveteit deed haar soms nadenken en zich verwonderen....
Lot was opgestaan; hij ging naar Elly dien avond. Hij kuste zijn moeder, met zijn altijd stil geamuzeerd lachje, zijn lachje om mama6
b 4.) - Je ging vroeger niet iederen avond uit, verweet mama, en zij voelde de doorn in het vleesch van haar hart7
- Ik ben nu verliefd, zei Lot kalm. En geengageerd. Dan moet je toch wel naar je meisje.... Zal u eens nadenken over mijn vraag: waarom ik eigenlijk Elly gevraagd heb. En het van avond zonder mij kunnen stellen?
- Dat zal ik wel heel veel avonden moeten.... Is Steyn uit?
- Ja, hij is even gaan loopen, met Jack.... Dag moesje.
-Lot....8
Mama deed verdiept in (....)9. Toch, zoodra Lot de kamer uit was, legde zij het boek neêr en zag om, vaag, met een hulpeloozen blik van de blauwe oogen. Zij bewoog zich niet, toen de meid theeblad en theestoof bracht. Het water zong ziedend zijn liedje: langs de ramen huilde de wind met een overbekende klacht. Mama voelde zich verlaten: o wat bleef er weinig van alles over.... Daar zat zij nu, daar zat zij nu, een oude grijze vrouw.... Wat was er van haar leven gebleven.... En toch zoo vreemd: de drie mannen, zij leefden10 allen drie11. Lot had zijn vader onlangs in Brussel gezien; Trevelley woonde in Londen. Hare drie Engelsche kinderen in Londen; Ottilie in Nice - en zij schudde het hoofd en zij dacht aan Ottilie; Lot, Lot zoú zij nu verliezen.... Hij was altijd zoo lief bij haar gebleven, ook al ging hij geregeld op reis, en hij was toch al niet jong meer, voor een jong-mensch; was hij niet acht-en-dertig.... Om zich wat bezig te houden ging zij, tellende op de kleine, vingertjes blank12, de leeftijden na der kinderen: Ottilie, de zuster van Lot, haar oudste, een-en-veertig.... God, wat werd ze al oud! De drie Engelsen, als zij ze noemde, altijd: ‘mijn drie Engelsche kinderen’: Mary, vijf-en-dertig.... John twee-en-dertig .... Hugh.... ja, die was altijd dertig;! God, god wat werden ze oud.... En bezig in leeftijden, om zich te amuzeeren, rekende zij uit, dat oude Mama13 nu wel spoedig.... hoe oud.... ja wel zeven-en-negentig worden zoû.... De oude heer Takma14 - de grootpapa van Elly - was maar een paar jaar jonger....
Zoo curieus1, die oudjes, ze zagen elkaâr haast iedere dag, want grootpapa Takma was kras, en hij ging nog dikwijls uit, altijd zijn loopje van de Mauritskade naar de Nassaulaan. De hooge brug ging hij kranig over.... Ja, en dan moest zus Therese2 - die scheelde acht jaar met haar, acht-en-zestig zijn, en dan de broers -3 Harold, die werd zeventig; Daan, in Indië, drie-en-zeventig; Anton vijf-en-zeventig, terwijl Stefanie - zij het eenige kind uit Mama's eerste huwelijk, en de eenige van Laders - Stefanie werd al zeven-en-zeventig. Zij, Ottilie, de jongste, voelde al die anderen wel heèl oud, en toch, ook zij was oud, zestig.... Wat was dat alles betrekkelijk, van oud worden4
b 5.) en van leeftijden, gevoeld had zij het altijd zoo: dat zij, de jongste, betrekkelijk jong5 was en altijd jonger bleef dan de anderen, dan alle anderen.... Zij moest in hare peinzing lachen, omdat Stefanie altijd zeggen kon: ‘op ònzen leeftijd....’; zij, zeven-en-zeventig.... me dunkt er was6 toch verschil, tusschen zestig en zeven-en-zeventig.... Maar zij haalde7 de schouders op: wat gaf het;8 het was alles gedaan en het was alles gedaan al zoo lang.... Daar zat zij nu, een oude, grijze vrouw en het na-leven9 sleepte zich voort, en de eenzaamheid werd altijd grooter, ook al was Steyn er....: daar kwam hij thuis. Zij hoorde in de gang10 den fox blaffen en de basstem11 van haar man:
- Stil Jack, koest Jack....
0, die stem! wat had ze, wat had ze nog over?12
Vijf kinderen had ze, maar zich niemand13, en òm zich geen kleinkinderen ook.... Ottilie - zij schudde het hoofd - was verloren zooals ze dat noemden14: Mary getrouwd in Indië, en haar beide Engelsche jongens in Londen: aan wie van haar kinderen had zij iets,15 behalve aan die lieve Lot.... En nu, Lot trouwde.... En Lot, zeide, hij wist niet waarom hij trouwde.... Dat was natuurlijk een beetje blague, maar misschien was het ook waarheid een beetje ....(etc.)16
b 8.)17 De kamer om hen echtgenooten, stond, als zij reeds jaren gestaan had: onder de stolp tikte de pendule altijd, altijd door. Er was iets ouderwetsch en iets knus'18 in die kamer: Ottilie had nooit geweten haar huis gezellig te maken.19 Die salon had iets van een wachtkamer, en waarop, waarop wachten zij beiden? Op het einde, op den dood? Steyn verbeet zich en nog eens las hij de advertenties door.
b 9.1 - Neen, natuurlijk niet: nooit gaat iets. Om dat lamme geld. Maar dat zeg ik je, als Lot trouwt, dan kan ik....
- Nu wat.
- Dan kan ik niet alleen met jou blijven. Dan ga ik naar Nice, naar Ottilie....
b 9.)2 Daar stond ze, daar stond ze nu, een oude grijze vrouw, alleen, in die ongezellige kamer....
b 9.)3 Wat waren de jaren wreed, dat zij haar langzamerhand alles ontnamen.... Zelfs de hond was nu mee met Steyn
b 11-12.)4- Lot, ben jij het....
- Neen, ik ben het.
- Jij, Frans....
- Ja? Wat is er?
- Wat ga je doen.
- Ik ga uit....
- Op dit uur
- Ja. Ik kan niet slapen. Ik ga wandelen.
- Op dit uur ga je wandelen?5
- Ja.
- Frits, je bedriegt me!
- Ach wat bedrieg ik je. Ga toch naar bed!
- Frits, ik wil niet hebben dat je uit gaat.
- Zèg....!
- Toe Frits, blijf thuis. Lot is er nog niet en ik ben bang.... alleen.... Toe Frits.
- Ik heb behoefte aan lucht.
- Je hebt behoefte aan....!
b 15.)6 de zijne wat ijdel, klein, sceptisch, artistiek lief toegevend voor anderen7, met een tintje lachende bitterheid;
b 16.)8 - Grootpapa heeft slecht geslapen van nacht: ik heb hem telkens hooren bewegen.
- Hij slaapt al sedert eenige tijd slecht, zei Elly. Ik ga dadelijk naar hem toe.
b 16.)9 Even mijn hoed.... Ik wil hem vanmiddag opzetten. Wij gaan een paar visites brengen bij de ooms en tantes. Nu, en als kennissen aan de beurt komen, dan zou een familie als die van Lot.... Met de onze zijn we gauw uitgepraat. Tante, ik ben zoo gelukkig.
b 16.)10 Zij dorst aan de papieren niet komen, maar de fournituren ruimde zij op, vlug, in kartonnen doozen, borg ze weg.
b 17.)1 Als hij zat, zat hij recht, op kleine stoel, nooit in elkaâr; liep hij, dan liep hij vlug,
b 17.)2 want tijdgenoot alleen was hem de oude mevrouw Dercksz, Dillenhof van zichzelve - in omgang was hij goedig neerbuigend.
b 17.)3 maar de bonhommie was te veel, was soms te uitbundig, om niet te doen denken, dat hij anders dacht dan hij sprak. Soms in zijn heldere oogen, sprankelde op een vonk, als trof hem plotseling iets, een heel acute gewaarwording, die hij niet zeide.... Lacherig vertrok dan zijn mond na, en werd hij het eens met wie hij sprak....
b 18.)4 - Nu, je mag het van je grootvader aannemen. Jij bent mijn eenige heritière. Het zal niet lang meer duren, kind.
b 19.)5 - Ottilie is lief, maar driftig.
- Als ik het doe, doe ik het om mama Ottilie, opa.
b 19.)6 Ottilie is wel heel alleen.... Wie weet, je geeft haar misschien nog iets liefs, wat sympathie om haar heen....
- We zullen zien, grootpapa.
b 19.)7 Dat is minder stijf, ze zal het lief vinden, .... ook al ben je nog niet met Lot getrouwd.
Elly vond grootpapa niet goed vandaag.
b 20.)8 Belde hij aan, dan haastte de oude Anna van mevrouw Dercksz zich open te maken.
- Zeker de oude heer....
b 21.)9 In schemer van wijnroode10 ripsen overgordijnen11, crême tulle-enlinnen stores12 en wijnroode13 velvet tochtlap, die met een bocht hing langs het kozijn zat de oude vrouw
b 24.)14 Mij bewegen doe ik alleen van mijn stoel naar mijn bed. Zoo leef ik, zittende, wachtende, al jaren, al zoo heel veel jaren. En hij heeft daar altijd gestaan....
- Je bent altijd heel nerveus geweest: je hebt er nooit kalm over kunnen gaan denken.
- Ik ben vooral dáarná heel nerveus geworden.
b 24.)15 - Ottilie, wij waren niet zoo heel oud zoo heél oud geworden, als God, en als hij ook ons niet hadden vergeven.
b 27.)1 vol eenzame gedachten om zichzelve.
b 27.)2 vroegen aan Anna, de meid, wie er boven was, bij de oude mevrouw. Was er al een zoon en dochter, dan kwamen ze meestal niet binnen, bang Mama te vermoeien. Was de oude heer Takma pas aangekomen, dan zeide Anna dit
b 27.)3 die oude vrouw, die, strenge moeder eenmaal, zij steeds4 waren blijven zien in de autoriteit van haar moederschap.
b 28.)5 Of dacht zij aan in haar leven verborgen dingen, dingen in haar leven verzonken als in een diepe, diepe put.... Takma, men had altijd gezegd, dat mama met hem een liaison had gehad
b 29.)6 Hierover was zij tevreden, en het was haar niet moeilijk kalm te zijn, plotseling vreedzaam gestemd door die streling, ook al had zij zooeven veel gesproken over vroegere dingen. En toen weer de bel klonk,
b 31.)7 Wij trouwen over vijf maanden, zei Lot.
b 31.)8 - Zoo, zoo, zoo, zei dokter Roelofs. Hij liep hinkend met een stijf been, en zijn ruw geheel geschoren9 gezicht was als van een priester; zijn buik was van een10 enorme glooiing, en hij lispte, terwijl hij telkens een korte dikke hand (....)11 grijs kroezehaar, dat kransde om een blinkende schedel: achter een gouden bril glimpten waterachtige blauwe oogen. Zoo, zoo, zoo, gaat Lot eindelijk trouwen....
- Eindelijk!? riep mama Ottilie geergerd. Waarom eindelijk.
- Zoo jong is hij niet meer....
- Jonge huwelijken zijn niets goed. Daarbij Lot is heel jong.
- Zoo, zoo, zoo.... Een aardig paar. Voor de kunst, samen.... Zoo, zoo, zoo, lispte de dokter. Mama gaat wel achteruit, Ottilie.
Jaren hun dokter, noemde hij haar bij den naam.
- Roelofsz, je brengt haar tot de honderd! zei Anton.
- Nu.... zoo, zoo; dat weet ik nog niet.... Zoo, zoo, zoo; als het van mij af-
b 32.)12 hangt, doe ik het gaarne, doe ik het gaarne.... Ik kweek gaarne mijn oude menschen lang....
- Je kent haar fyziek dan ook sedert een halve eeuw, zei Anton. Me dunkt.
- Zoo, zoo, zoo, jou fyziek ken ik heel goed, oude heer....
- O, ik!
- Ja, ja1, jij.... Zoo, zoo, wat zeg jij, Ottilie? Een ongetrouwde oude baas, als Anton.
- Getrouwd of ongetrouwd, zei Ottilie. Jullie zijn allen hetzelfde. Alle mannen zijn beesten!
Zij zeide het heftig; er was dikwijls een drift in haar stem, onverwachts.
- Kom, kom, kom, kom, kalmeerde de dokter. Beesten....
Anton dacht: daar heeft zij ondervinding van; ik heb andere ondervinding.... Zijn oogen troebelden geel.
- Daar komen de kinderen beneden.... Zoo, zoo, .... zeide Roelofsz. Dag Lot, dag Elly.... gefeliciteerd, zoo, zoo, wel-wel, heel aardig.... Oma maakt het goed? Ik ga dan maar niet naar boven.
- Ik ga even, zei Ottilie. Kinderen, naar wie gaan jullie nu....
- Het reitje af, mama, zei Lot. Maar pfui!.... Niet allen op eén dag....2
- We gaan nu nog naar tante Stefanie.... zei Elly.
- Oom, u zullen we vast maar hier uwe visite3 brengen!
- Lot, zei Elly: hoe kun je zoo onbeleefd zijn4.... Neen, oom Anton, we komen nog bij u
- Laat het maar kinderen, laat het5 maar....
Een handdruk en hij ging weg.
- Wat kan me hun visite schelen, mompelde hij. Ze erven tòch niets van me. Ik gooi liever mijn geld in de gracht, dan het aan familie te laten. Beesten? We zijn allen beesten, mannen en vrouwen. Het zit er bij allen in.... Hij wikkelde zich kouwelijk in zijn jas dichter, en, somber, liep hij langzaam naar de Witte6, waar hij een paar keer in de week nog kwam, in een clubje van drie, vier Indische oudgasten7.
- Zoo, zoo, lispte8 dokter Roelofs bij zichzelf9, terwijl hij stapte in zijn koetsje10. Anton is een (....)11 vent: ik weet het....
En vol eerbied mompelde hij:12
- Misschien zwijnt hij wel nog....
b 33.)13 Lot en Elly vonden haar thuis; zij las een godsdienstig geschrift, dat zij, toen zij binnenkwamen, neêrlegde, met den titel duidelijk zichtbaar.
- Het is een hele verrassing, kinderen....
b 34.)1 - Therèse is verloren! riep Stefanie heftig. Van Therèse heb ik me al lang teruggetrokken.... Maar voor wie ik wat doen kan, offer ik me op2
b 34-35.)3 - maar àl de andere Derckszen zijn
- Zijn wat tante.
- Zijn een hysterische, zondige troep! riep tante Stefanie agressief.
En zij dacht: je moeder, kwajongen, hoort daar ook bij, ook al zeg ik het anders
- Ik ben dan al weer blij, zei Lot, dat mijn Derckszche hysterie dan in evenwicht wordt gehouden4 door meer5 Pauwsche kalmte en bezadigheid
- Dat is bij je zuster zeker niet het geval!
Lot had een beweging van ongeduld.
- Tante, u is onaangenaam. Ik ga weg.
- Ik zeg het niet om je onaangenaam te zijn, mijn jongen. Ik ben hard, maar ik zeg de waarheid.
b 39.)6 - Roomscher dan de Paus, en in Nice heb ik mijn zuster, die ook niet tot de heel jongen meer hoort.
- Ottilie.... Zoek je haar op? Ik dacht.
- Dat je haar niet meer kende?
- Ik?
- Ja; je wilde7 niet dat mama naar Ottilie ging.
- Ik vind het niet goed, dat mama veel is bij Ottilie. Neen. Omdat8 mama is een kind, en Ottilie is très femme, trop femme, - hysterisch en zondig - zoû tante Stefanie wel zeggen. Op mama, die een kind is, heeft Ottilie geen goede invloed. Daarbij, ze kunnen geen drie woorden spreken, of ze kibbelen danig. Maar mij9, interesseert Ottilie en ik wil haar wel eens terugzien. Op jou màg ze geen invloed hebben. Je moet jezelve zijn, en je moet alles zien en weten. Ik zal je niet achter de schermen houden: trouwens, je zoû er niet blijven al hield ik je. O Elly, wat spreek ik veel. Woorden beteekenen10 zoo weinig; en in de stilte kan je pas de waarheid spreken.11
Hij strekte zich uit en legde tegen haar knie zijn hoofd, een beetje ongemakkelijk, omdat heel hoog zijn boord was. Zij voelde voor hem een innige, moederlijke zachtheid, hoe jong ze ook was, en haar hand streelde hem over zijn hoofd.
- Toe, maak mijn haar zoo niet in de war, zeide hij en voelde aan zijn scheiding12. Kijk eens, hoe die wolken prachtig zeilen, als een groote vloot met bollende zeilen....
b 40.)1 Eenige dochter, had zij als jong2 meisje, door tante van IJsselmonde, kunnen uitgaan in wat betere kringen dan de al te Indische3 van haar vader, die in vele Indische zaken, met oom Daan, wat4 geld had gemaakt, maar nooit door mama5 als voorname Indische specialiteit wat meer6 op de voorgrond was kunnen gezet, om de koloniale portefeuille te ambieeren.
b 40.)7 hij bleef, die hij was: wel wat zeer somber als8 zijn broer Anton, maar toch een, die zich liefst buiten alles houdt, en die het altijd betreurd had, niet een Indisch meisje te hebben getrouwd, in plaats van zijn voorname, Haagsche vrouw die geld in hem had meenen te zien. Het geld was tegengevallen aan mama, en ook aan Ina viel het geld altijd tegen.
b 43.)9 van dat oogenblik dat hij de dingen gezién had, de eerste dingen, het eerste vreeslijke ding,
b 44.)10 In de bergen, een eenzame pasangrahan, waar hij s nachts was met zijn beide ouders, papa was ziek.11
.... - Baboe, kom hier: (....)12 kan niet slapen.... Waar was baboe? Ze lag anders voor zijn deur op haar matje, en was dadelijk wakker.
b 46.)13 Er werd gedacht aan een vrouwenperkara, in de kampong; aan jalouzie.... Om dat te bedekken werd uit vriendschap14 door dokter Roelofsz15, secretaris en controleur niet van de wonden gesproken.... Men nieerde, dat Dercksz gewond was: dat waren praatjes van inlanders.
b 47.)16 De steenblokken hadden zijn lijk tegengehouden: een halve paal van de pasangrahan17 was zijn lijk door inlanders gevonden, die wel van een moord spraken, maar dat was zoo niet: dokter Roelofsz18 had het lijk geschouwd....
- Papa, waar denkt u aan?
De stem van zijn dochter riep den ouden man plotseling terug uit de vizioenen, die voor hem waren blijven wemelen van zijn kinderjaren af.
Tegelijk stak d'Herbourg het gas aan, en het scheen plots haast werkelijk door de serre heen.
- Aan niets, kind, antwoordde Harold Dercksz. Aan, dingen, die voorbij.... zijn....
Wàren zij voorbij, of gingen zij nog steeds.... Waren zij al verzonken of sleepten zij nog steeds over bladritselende paden hun lange, lange spooksluiers....1
- Aan dingen, die voorbij zijn.... zei Ina. Ik denk er liever niet over en ik praat er liever niet over. Het leven, dat er is, is al moeilijk genoeg voor menschen, die geen geld hebben....
b 49.)2 Zij stotterde, zij stikte van woede; zij ging uit3, blank van drift, stootend tegen de meubels, slaand met de deuren, naar boven. Zij hoorden in hare kamer haar loopen, zich kleeden, en zij praatte in zichzelve, en zij schold, zij schold steeds door.
b 52.)4 Opgevoed had hij zichzelve, zooals Ottilie, die heél intelligent was, tè5 intelligent misschien - zichzelve had opgevoed.
b 53.)6 dokter Roelofsz zei, dat het praatjes waren....
b 63.)7 Terwijl hij sprak over gezondheid en over weêr en Lot, zag hij - als hij altijd zag - wanneer hij zat naast - over mama, het eene ding, het eene vreeslijke Ding van den zwoelen regennacht, en de eenzame pasangrahan van Tegal.
b 70.)8 Hij had heel veel,9 jaren geleden, van Ottilie gehouden, hij10 een veel jongere man dan zij, en er was eén oogenblik geweest.... Neen, hij had dàt in zich begraven, maar hij zag het voor zich gebeurd....
b 77.)11 't Is me onmogelijk. Het spijt me voor haar. Ze maakt zich onmogelijk.... en hoe wil je nu dat rondom zoo een familie zich kennissen groeperen.
b 78.)12 Een ding stelt me gerust: mama heeft geen geld en ik heb met bankier Doffers13 gesproken, voor ik ging, en verzocht, als mama er om kwam, iets te zeggen haar14 wijs te maken, dat het niet ging, dat er geen geld was.
- Maar ze neemt op.... dat nam ze vroeger ook.
- Doffers15 zei me, dat hij mij er in helpen zou, dat hij mama niets zoû geven.
b 91.)16 zij had de trekken van mama Ottilie, hoewel niet haar oogen, wel haar fijn profiel en teedere kin.
- Wat een mooie vrouw!
b 91-92.)17 Een-en-veertig leek Ottilie niet meer dan dertig, en haar figuur in een witte laken gladde japon behield in de niet te overdreven lijn
b 92.)1 bleef zij niettegenstaande haar bijna te groote schoonheid, tegelijk bevallige als fatsoenlijke vrouw. Haar moeders zelfde gemakkelijke hoogheid2 was in haar houding en haar gebaar, en nooit zou men haar voor een cocotte hebben aangezien in een stad, waar de vrouwelijke types samensmelten. Hoewel zij zeker niet jong meer was3, straalde een rustige jeugd uit haar wezen, en de glimlach was die van tante Therèse, toen deze was jong geweest. Haar groote grauwe oogen, die van Pauws - zagen uit rustig en zeker. In haar gebaar was niets overtolligs.
- Elly, dat is nu mijn zuster!
b 92.)4 - Je bent gegaan aan het conservatoire te Luik?
- Ja.
- Zing je nog dikwijls? vroeg Lot.
- Ja.5 Onlangs, te Parijs.
b 95.)6 - Ja, en ik wist niet, ik heb nooit geweten. En nu, .... Lot, nu weét ik eerst.
b 95.)7 - Ja Elly, nu weet ik, dat ik nu ik Aldo liefheb.... nooit meer van iemand anders zal houden.
b 96.)8 En als ik morgen oud ben, een oude vrouw....
- Dan zal je lijden, Ottilie, zei Lot.
b 97.)9 - God, god, wat een mooie vrouw, zei Lot. Ze is lang niet jong meer, maar wat een mooie vrouw.
Elly was op het balkon gegaan10.
b 98.)11 - Ja, dat weet ik voor mij.... zooals Ottilie dat wist voor zichzelve. En jij ....
- Ik geloof ook wel, dat ik het weet....
b 99.)12 Aldo Adria plukte de mooiste voor Elly.
c) Tweede Deel / Van Oude Menschen / Oorspronkelijke Copie.13
d 1.)14
d 58.)1
d 78.)2 Nu look zij op, tante Adèle, blij omdat Elly vroolijker was, helderder keek, en weèr sprak met haar vlugge beweeglijkheid. Dien middag gingen zij samen, Lot en Elly, naar grootmama. Na den avond, dat mama Ottilie
d 79.)3
d 88.)4 - Ben je wakker, Lot?
- Ja moesje; ik neb geslapen.... Ik voel me goed....
- O Lot, je was gisteren zoo erg. Toen heb je geijld en toen heb je geroepen.... om je vader.... En om Elly.... Ik wist niet wat te doen, en eindelijk....
- Nu wat eindelijk?
Neen niets!.... Wat hoest je nog akelig, Lot.5
d 91-92.)6 Hij was in dit huis nooit geweest. Hij had mama Ottilie sedert jaren en jaren niet gezien. Hij had haar nu even gezien, in de gang, misschien bij toeval, zij7 had geen tijd gehad, zich achter een deur te verbergen8, zoo brusk was hij binnen gekomen, en hij had haar toege(....)9
- Is mijn jongen dood?
- Neen, had zij geantwoord, ik zal hem waarschuwen, dat je er bent.... Maar hij was haar voorbij10 gestormd: op de gang had11 de meid hem de kamer gewezen.
O, hij1 had haar stem gehoord: neen.... ik zal hem waarschuwen, dat je er bent.... En het had hem zoo ontroerd haar stem, haar stem van vroeger te hooren.... Even had hij haar gezien, oud geworden, zeker; maar zij was toch de zelfde gebleven, zij was Ottilie; zij was zijn vrouw geweest; o2, wat was zij lief en mooi geweest, toen hij haar trouwde
d 97.)3 had hij behoefte, na wat hij gehoord had, zich te bewegen, zich te schudden, zich te schudden uit de warreling dier hem vreemde ideeen en opvattingen.... Hij ging de trap af om de deur uit te gaan....4
d 98.)5 Hij ging de deur uit, trok (....)6 toen op straat. Hij zou Lot uit het hotel schrijven, dat hij niet meer terug kwam7 in het huis van zijn moeder, nu hij beterende was, en dat hij hem wachten zoû in Brussel8, om samen te gaan naar het Zuiden.
Toen9 hij op straat de kille regen weer instapte, voelde hij, koud10 nu, een smartelijke smartelijke weemoed, voelde hij, dat hij haar, die vrouw, die was als een kind, een jong kind van liefde en (....)11, altijd, altijd nog liefhad, ook al was alles geweest een schuld zoo heel lang voorbij gegaan, en hij voelde, dat al had Lot anders lief, hij dít met zijn vader wel eens had: dat hij liefhad maar eens.... en dat hij moest lijden, omdat hij Elly missen zou.... voor hoè lang?12
d 103.) Nice. Sept - Dec. IV13.
De data in de ondertekening bewijzen, dat Couperus zijn verhaal in hoog tempo heeft geschreven. Dat er vergissingen zijn binnengeslopen in de tijdsverhoudingen van het verhaal1, is dan ook niet verwonderlijk. Veel opmerkelijker is, dat er niet méér vergissingen zijn gemaakt.
Voordat een letter op papier is gezet, is de gehele compositie tot in details doorgedacht. In de correspondentie van Couperus met zijn uitgever Veen komt Van Oude Mensen voor het eerst ter sprake in een brief uit Nice, van 6 november 1902:
‘Mijn grootere roman voor het volgende jaar zal zijn Oude Menschen. Maar tot nog toe is dat alles in embryonale staat.’
De titel staat dan dus al min of meer vast. Ook de compositie? In ieder geval zwijgt Couperus een half jaar over zijn plan. Hij schrijft intussen De Zonen der Zon en Jahve en vat het plan op Antieke Sproken te gaan schrijven, waarvan hij noemt Dionysos, Afrodite en Herakles (Brief van 10 januari 1903), terwijl hij reeds bezig is aan een, ‘sonnetten-romannetje’, Endymion. Dionysos is 28 juli 1903 klaar. Onderwijl heeft het verhaal van de Oude mensen hem niet losgelaten:
‘Ik ga op de Lido rustig werken aan Dionyzos. Oude Menschen.... misschien later!’ (Briefkaart, zonder datum. Afgestempeld: 1 juni 1903)
De plannen zijn een jaar later wat meer omlijnd. Hij spreekt dan van:
‘mijn nieuwe roman (heusch een roman) die ik mij voorstel deze zomer te schrijven....’ (Den Haag. 16 mei 1904)
Het werd voor de uitgever inderdaad tijd, dat er weer eens een roman kwam. God en Goden, dat De Zonen der Zon en Jahve bevat, was een fiasco geworden. Er werden nieuwe regelingen gemaakt. In een ongedateerde brief uit Den Haag heet het:
‘Wat de nieuwe roman betreft, goed, daarvoor een nieuw contract. Grootte zal zijn volgens type groote roman, ± 400 bladzijden druk.’
Ook de omvang zweeft Couperus dus al voor de geest. Er staat dan nog geen letter op papier. Het gehele verhaal is eerst uitgedacht en tot in details overwogen. Op 5 september 1904 schrijft hij aan Veen:
‘En nu ga ik je eens over de plannen onderhouden. Van den zomer heb ik niet gewerkt, maar nu ga ik goed aan de gang: de roman zal heeten (met dubbelen titel):
Van Oude Menschen;
De Dingen, die Voorbij zijn.
In het genre van Kleine Zielen. Ik heb het idee ervan al lang in mijn hoofd en van den zomer bepeinsd: nu is het maar te schrijven. Ik denk, dat er dit jaar wel het grootste gedeelte van geschreven zal worden, zoo niet voltooid. Dan eerst in Groot-Nederland. - Dan denk ik, volgend jaar, Imperia af te maken, ik denk grootte ± Psyche, maar moeilijk te zeggen: poëzie en proza te zamen; het zal misschien nog wel een lijvig boek worden. Ook maak ik Endymion af; nu, dat wordt een bundeltje van ± 100 sonnetten: een grapje er tusschen door. Mijn grote idee voor het volgende jaar is Heliogabalus (ik ben erg verdiept in Romeinsche Historie.); en deze roman wil ik niet in Groot-Nederland zetten, want wij moeten een beetje rekening houden met onze “fatsoenlijke” lezers. Je krijgt dus de primeur: ik zal het niet te erg maken en denken aan mijn Hollandsch publiek: ook zou ik de roman wel tegelijk met de Hollandsche uitgave, in een Fransche vertaling willen geven. Daar zal ik van den winter iemand over spreken: de vertaalster van Meriskowsky's La mort des Dieux. Dat zijn nu de plannen.... (....) over Heliogabalus spreken wij dan nog later: ik begin er mee als de Oude Menschen klaar zijn.’
Deze brief geeft een goed beeld van de enorme werkkracht van Couperus, vooral als men bedenkt, dat hij aan De Berg van Licht reeds in november begon te schrijven. Van Oude Mensen kreeg hij in december klaar, niet alleen in klad, maar ook de uiteindelijke versie. 4 januari schrijft hij uit Nice:
‘De “Oude Menschen” zijn deze maand begonnen; zij zullen denkelijk 4 à 5 nummers beslaan.’
Dit betreft de publikatie in Groot-Nederland. Het verhaal verschilt dan in niets met de bij Veen verschenen roman. In december 1904 heeft hij dus bij het overschrijven van de oorspronkelijke copie Van Oude Mensen zijn definitieve vorm gegeven.
De veranderingen die de tekst in de loop van de maanden waarin het verhaal werd geschreven heeft ondergaan, zijn van verschillende aard. Ten eerste zijn er natuurlijk de verschillen met de uiteindelijke tekst: bij het klaarmaken van het drukkershandschrift werden allerlei formuleringen en soms ook de opzet aanzienlijk gewijzigd. Vervolgens zijn in de oorspronkelijke copie zelf allerlei verbeteringen aangebracht. Deze kunnen worden onderscheiden in op zichzelf staande verbete-
ringen, en in die welke samenhangen met de wijziging in de opzet van het verhaal onder het schrijven van de oorspronkelijke copie.
De op zichzelf staande verbeteringen zijn van niet veel belang. Direct wanneer een woord geschreven is, wordt een betere formulering gevonden. Een voorbeeld geeft pag. d 97, het begin van de aldaar later doorgestreepte scène. ‘Maar de deur ging open en’ werd geschrapt, zodat de zin zou beginnen met ‘Therèse kwam met Ottilie in de gang’. Toen werd ‘Kwam’ nog geschrapt, en wel zodra de zin tot dit woord geschreven was. Aldus ontstond: ‘Therèse met Ottilie kwam in de gang’. (Zie facs. II) We zien Couperus hier bezig aan zijn zo welbekend geworden stijl. Overbodige woorden worden weggelaten: ‘de deur ging open’ is een overbodige passage. De woordvolgorde wordt gewijzigd: de plaatsing van ‘kwam’, of misschien beter nog van ‘met Ottilie’, wordt herzien en inversie ontstaat.
Interessanter zijn de wijzigingen in de opzet van het verhaal, die onder het schrijven zijn aangebracht. Zo zien we, dat Roelofsz in het begin van de oorspronkelijke copie nog niets met de moord heeft uit te staan, hij is alleen oma Ottilies huisdokter in Den Haag. Vanaf pag. b 53, d.i. pag. 81 van deel VI van het Verzameld Werk, verandert echter langzamerhand de intrigue en wordt Roelofsz de huisdokter in Indië, die van de gehele geschiedenis op de hoogte is.
Van groot belang ook zijn de verschillen met de uiteindelijke tekst, die op de opzet van het verhaal betrekking hebben. Zo is bijv. het begin van het verhaal diepgaand gewijzigd.
In de hier volgende bespreking van de oorspronkelijke copie komt niet iedere wijziging ter sprake. Het behoeft immers geen commentaar, dat b.v. op pag. b 33 de figuur van Stefanie nog maar weinig uitgewerkt is en dat de vergelijking met haar vogeltjes pas in de definitieve tekst is opgenomen.
Het begin van Van Oude Mensen heeft een reeks van veranderingen ondergaan. Aanvankelijk is mama Ottilie minder opvliegend, minder haatdragend tegenover Steyn, minder jaloers vooral; dat zij zoveel weg heeft van een kind, wordt minder beklemtoond; zij is dan nog iemand die gezelligheid om zich heen verspreidt, in tegenstelling tot de mama Ottilie uit de uiteindelijke tekst. De aantekening op het schutblad: ‘jalouzie Ottilie St.’ wijst erop, dat Couperus hierin op een gegeven moment verandering wilde aanbrengen. De vele tussengevoegde zinsneden, die op de jalouzie betrekking hebben, moeten halverwege het werk zijn aangebracht. De eerste scènes waren toen al voltooid. Zo ontstond de tweede versie van het begin: Ottilie wordt iets feller, jaloerser: de ‘doorn die zich (diep) stak in 't vleesch’. Haatdragend
is ze dan nog niet; de parallellie tussen de haat van haar moeder jegens Dercksz, die vermoordt wordt, en de haat van haarzelf jegens Steyn, die zij wel zou willen vermoorden, is nog niet aangebracht1. De gezelligheid van de kamer blijft nog gehandhaafd. Wel wordt haar egoistische levenshouding geaccentueerd: zij wil Lot niet verliezen aan Elly. Over het geheel genomen is Ottilie in de tweede versie van de oorspronkelijke copie dus iets scherper getekend, maar zij is nog niet de felle, egoïstische figuur van de uiteindelijke tekst. Zij is nog een personage dat op zichzelf staat, dat niet ‘afgestemd’ is op de geschiedenis van haar moeder2. Dit blijkt vooral in hoofdstuk II. In de copie zegt Takma tegen Elly, dat zij zijn erfgename is, zonder te zinspelen op mama Ottilie3, en zijn stem verraadt zijn gevoelens voor mama Ottilie nog niet4.
Pas bij het overschrijven van de tekst worden al die toetsen aangebracht, die Ottilies verhaalmotief in overeenstemming doen zijn met de andere twee, vooral met het derde. Hiertoe is o.m. vóór het oorspronkelijke begin een scène aan het verhaal toegevoegd: Ottilie is woedend over het feit dat Steyn gaat wandelen met Jack5. Aldus heeft het begin een belangrijke wijziging ondergaan. De uiteindelijke tekst vangt aan, zoals wij in onze analyse hebben aangetoond, met het eerste verhaalmotief, de huwelijksperikelen van mama Ottilie. Lot, de centrale figuur van het verhaal, is dan bij haar, bij hem klaagt zij over haar man. De oorspronkelijke copie echter begint met Lot, met zijn problemen ten aanzien van het huwelijk. De eerste zin van de copie komt overeen met 8 : 17 uit de tekst. Dit nu is juist het punt, waar we het tweede verhaalmotief, de lijn van Lot en Elly, lieten beginnen!6 De compositie heeft dus bij het overschrijven wel een grondige verandering ondergaan. Oorspronkelijk begon het verhaal met het tweede verhaalmotief, met de centrale figuur van het verhaal, Lot, waardoor het perspectief zich scherper aftekende. Nu begint het verhaal als van terzijde, met Ottilie; de perspectiefwerking is in zoverre gehandhaafd, dat ook nu Lot van het begin af aanwezig is. Doordat de persoon van Ottilie scherper werd
getekend en haar geschiedenis werd afgestemd op de rest van het verhaal, kon deze verandering worden aangebracht zonder dat het begin aan belang inboette.
Kleine verbeteringen van andere aard zijn de toevoegingen in Lots indirecte monologue intérieur1. Deze begint nu met het woordje ‘Ja’, in plaats van met ‘zij moest wel heel mooi zijn geweest’2, en de, aanspreekvorm ‘mama’ is gebruikt in plaats van het pronomen ‘haar’3. Het karakter van de monologue intérieur komt hierdoor meer tot zijn recht, hetgeen een versterking van het opeenvolgend verband betekent.
Het samenzijn van Lot en Elly in de duinen, in hoofdstuk VI, eindigt in de tekst anders dan in de oorspronkelijke copie. Over Lots houding tegenover zijn zuster, Ottilie jr., wordt hieronder nog gesproken. Hier interesseert ons meer, dat de ruimtewerking in de tekst zoveel intensiever is dan in de oorspronkelijke copie. ‘De wolken, als een groote vloot met bollende zeilen’ illustreren in de copie alleen maar Lots fantasie. Diens opmerking is bovendien niet eens erg origineel. In de tekst is dit alles zodanig uitgewerkt, dat de ruimte het karakter van doorleefde ruimte krijgt: de onzekerheid van Lot en Elly's toekomst wordt uitgebeeld, enigszins ontstaat hier al de noodlotsruimte. Met andere woorden, het grondmotief komt in de uiteindelijke tekst meer tot zijn recht.
Op velerlei wijzen is bij het overschrijven de werking van het grondmotief vergroot. Dat Takma nu en dan stemmen hoort, d.w.z. dat zijn verleden hem als een noodlottige dreiging voor ogen staat4, vinden we niet in de oorspronkelijke copie terug, evenmin, zoals we zagen, dat Ottilie eigenlijk Takma's dochter is5. Volgens de tekst heeft oma Ottilie ‘als in suggestie van buiten-af, móeten spreken’ over vroegere dingen6; de copie heeft de aangehaalde woorden niet. De eerste keer dat ‘het Ding’ genoemd wordt, staat het in de copie niet met een hoofdletter7; later is dit wel het geval8. Ook in dit opzicht verandert de auteur dus van mening onder het schrijven. Hier en daar is in de uiteindelijke versie het voorbijgaan der dingen geaccentueerd; ‘alles was voorbijgegaan’9 en ‘Voorbij gegaan waren de jaren, de lieve lachende liefdejaren, vól liefkozing; voorbij gegaan was het álles!’10 staat niet in de copie. Ook fijnere toetsen werken tot versterking van het grondmotief in de eindtekst bij, zoals de toevoeging van ‘misschien’ in 134 : 16 en 134 : 21. Het duidelijkst blijkt de bezinning op het belang van het
grondmotief uit de verbetering die in de titel is aangebracht; ‘De Dingen die Voorbij zijn’ wordt al in de copie veranderd in: ‘De Dingen die Voorbij gaan’, wel een bewijs dat vooral het verstrijken van de tijd het grondmotief uitmaakt.
Verscheidene personen uit het verhaal hebben in de uiteindelijke tekst aan diepte gewonnen. Elly voelt in de oorspronkelijke copie aanvankelijk slechts een ‘innige, moederlijke zachtheid’ voor Lot1; van een streven hem op te wekken tot grootser werk is dan nog geen sprake. In hoofdstuk XIV van deel één komen copie en tekst in dit opzicht wel overeen, ook Elly is dus onder het schrijven ‘gegroeid’.
Ook de figuur van Harold is onder het schrijven veranderd. Volgens de tekst lijdt hij zichtbaar onder een onbegrepen pijn2 en houdt hij zich bij de familiegesprekken enigszins afzijdig3; in de copie is van dit alles op die plaatsen niets te vinden, hij converseert gewoon mee. Bij zijn later optreden, in deel twee, geeft ook de copie zijn lijden weer. We hebben reeds gezien, dat het in het verhaal een symbolische waarde heeft.
Het visioen van Harold4 is in de copie in het praeteritum geschreven, de tekst heeft het praesens historicum. Blijkbaar heeft Couperus bewust het gevaar onderkend, dat het gezichtspunt van Harold met het praeteritum niet gehandhaafd kon worden5.
Anton is in de copie aanvankelijk niet zo zinnelijk als in de uiteindelijke tekst6. Het abstracte motief van de zinnelijkheid werd in het vervolg van de oorspronkelijke copie wèl uitgewerkt.
Daan is de enige die in de tekst minder trekken heeft meegekregen. Volgens de copie heeft ook hij, evenals Anton, vroeger ‘een vieze historie’ gehad7. Misschien vond Couperus deze herhaling van thema lelijk en heeft hij het daarom in de uiteindelijke versie weggelaten. In ieder geval is Daan daardoor een persoon geworden, die uitsluitend van belang is voor de ontwikkeling van het derde verhaalmotief, en die aan de werking der abstracte motieven geen deel heeft. Hij is dan ook in hoger mate een bijfiguur dan aanvankelijk waarschijnlijk de bedoeling was. Dit is des te waarschijnlijker, omdat volgens de aan
tekening rechts onder op pag. d 79 er nog een scène tussen Daan, Therèse en Harold had moeten volgen, of althans Daan nog eenmaal in het verhaal had moeten optreden na de dood van oma Ottilie, een optreden dat tevens zijn verdwijnen uit het verhaal had moeten betekenen. Deze scène is echter niet geschreven, ook niet in de copie.
De kracht van de nawerking van de moord is verhoogd door de toevoeging van de scène, waarin Adèle aan Steyn meedeelt, hoe zij op de hoogte is geraakt van de moordgeschiedenis. In de copie ontbreekt deze scène.
Dat de leidmotieven bewust zijn toegepast, behoeft geen verwondering te wekken. We zien in de oorspronkelijke copie Couperus hiermee a.h.w. aan de arbeid, doordat bijv. aanvankelijk noch van de poes1, noch van het stoken van de benedenvoorkamer en het ronddienen van de pruimpjes op brandewijn sprake is. In de copie verschijnen deze leidmotieven pas in hoofdstuk V van het tweede deel2 resp. in hoofdstuk X van deel één3. Ook worden de overgordijnen bij oma Ottilie pas in tweede instantie rood genoemd; aanvankelijk hebben ze een groene kleur (b 21).
Hetzelfde kan opgemerkt worden over de voorbereidingen. De copie mist mama Ottilies opmerking in het eerste hoofdstuk, dat zij van al haar kinderen in het bijzonder naar Hugh verlangt4. Adèles neiging tot opruimen is in hoofdstuk II van de copie lang zo sterk niet geaccentueerd als in de tekst5. De scheiding tussen Lot en Elly wordt in de copie niet zo subtiel voorbereid als in de tekst6.
Aan de beperking van de speelruimte tot de familiekring is bij het overschrijven veel zorg besteed. Dat Lot bijna geen vrienden heeft en nooit naar De Witte gaat7, dat andere mensen zich alleen vroeger met de familie bemoeiden8, dat er een isolatie heerst om de Derckszen9, komt niet in de copie voor. Bovendien heeft de copie wèl, dat Elly en Lot van plan zijn enige kennissen op te zoeken, hetgeen in de uiteindelijke tekst is weggelaten10. Eveneens mist de tekst de naam van de bankier, die op verzoek van Lot aan diens moeder geen geld meer zal geven; de copie noemt hem Doffers11. Inderdaad wordt door het schrappen van die naam de bepaling van de speelruimte enigszins verscherpt.
De uitbreiding van de speelruimte door het optreden van zovele generaties zien we a.h.w. gebeuren, doordat de zoons van Ina, Gus en Pol, aan de familie worden toegevoegd1. Zoals we reeds zagen, gaat van de confrontatie tussen over-over-grootmoeder en de baby's van Lili een sterke werking uit: daardoor wordt de enorme tijdsafstand tussen de generaties bijna zichtbaar. Couperus nu hechtte veel waarde aan deze scène, blijkens zijn aantekening bovenaan pag. d 55: ‘Lili kindertjes’, ongetwijfeld om niet te vergeten, dat deze scène nog geschreven moest worden.
De figuren waaraan het meest is veranderd, zijn Roelofsz, Ottilie jr., Pauws en Therèse. Roelofsz is in de copie aanvankelijk niet meer dan de huisdokter van de familie in Den Haag. Met Indië heeft hij dan niets te maken, laat staan met de moordgeschiedenis. Dr. Thielens wordt natuurlijk niet genoemd2. Deze verschijnt pas, als Roelofsz van huisdokter huisvriend is geworden3. Het slot van hoofdstuk IV is dan ook totaal gewijzigd. Oorspronkelijk vertelde de scène van een afscheidnemende familiedokter, die zijn klantjes dóór heeft; de uiteindelijke tekst laat een oude huisvriend zien in een scène, die door middel van leidmotieven de persoon van de dokter nauw met het leven der hoofdpersonen verbindt. Toen Couperus op pag. b 46 was gekomen, het einde van Harolds visioen, kwam hij waarschijnlijk pas op het idee Roelofsz bij de moordgeschiedenis te betrekken: de naam is hier tenminste in de copie tussengevoegd. De dokter is dan echter alleen nog maar iemand die uit vriendschap een valse verklaring aflegt; van zijn eis dat Ottilie hem een nacht ter wille zal zijn, blijkt nog niets. Dat dit de plaats is waar Couperus de opzet van het verhaal veranderde, blijkt wel uit het feit dat enige bladzijden verder, op pag. 81 : 4, Roelofsz direct al als Ottilies dokter in Indië wordt genoemd, dus zonder verbetering in de oorspronkelijke copie. In het vervolg komt de opzet van de copie met die van de tekst overeen, er zijn slechts hier en daar nog verschillen in de formulering.
Misschien mogen we de veronderstelling wagen, dat de figuur van Roelofsz anders behandeld zou zijn, wanneer hij van het begin af aan als oude vriend van oma Ottilie zou zijn opgevat. Er zijn, geloof ik, vooral twee mogelijkheden. Roelofsz zou dan in gelijke mate als Takma, of zelfs als oma Ottilie, ook een ‘ruimtelijk’ personage zijn geworden4; ofwel hij zou, bijv. in een indirecte monologue intérieur, het perspectief op beide oudjes verscherpt hebben5. Voor dit laatste zou hij de aan-
gewezen persoon zijn geweest. Het is niet onmogelijk, dat Couperus' oorspronkelijke bedoeling te zeer beslag legde op zijn geest, nadat hij de opzet van zijn verhaal had gewijzigd, dan dat hij de mogelijkheden die de nieuwe Roelofsz bood geheel heeft kunnen uitbuiten.
Ottilie jr. en Pauws zijn ieder de hoofdpersoon van een compositiemotief. Beide motieven zijn oorspronkelijk veel ruimer opgezet. In het begin van de copie komt Ottilie jr. uitgebreider ter sprake, als wilde zich hier een geheel nieuw verhaal-motief ontwikkelen. Zij is dan nog geen artiste, alleen iemand die ‘in zonde leeft’. Nog op pag. b 92 wordt zij een ‘cocotte’ genoemd. Pas onmiddellijk daarna, op dezelfde copiebladzijde, blijkt dat zij zangeres is en concerten geeft. De houding van Lot tegenover haar is hier ook anders dan in de tekst. Hij heeft bepaald niet veel op met zijn zuster, hij acht haar voor de familie verloren1, hij is een beetje bang voor haar invloed op Elly2, maar hij is toch wel nieuwsgierig naar haar3, die hij zelfs ‘tè intelligent’ meent4. Wilde Couperus alleen maar haar werkelijke beroep van zangeres lange tijd verzwijgen en door haar in de gedachten van anderen zo zwart af te tekenen de onthulling van haar ware aard en betekenis des te verrassender doen zijn? Of is hij ook ten opzichte van haar onder het schrijven van mening veranderd? Hoe dit ook zij, het verschil tussen de copie en de tekst is aanzienlijk. In de copie lijkt de lijn van haar geschiedenis aanvankelijk een apart verhaalmotief te gaan vormen en is de functie van Ottilie jr. in het verloop van het verhaal dientengevolge onduidelijk: zij treedt te weinig op om een verhaalmotief te kunnen vormen en te veel voor een compositiemotief. Hierin nu is in de uiteindelijke tekst verandering gebracht. Zij komt in de eerste helft van deel één wat minder ter sprake en van het begin af aan is haar beroep bekend. Daardoor is de functie van Ottilie jr. inderdaad niet meer dan die van een compositiemotief: zij verleent reliëf aan de andere figuren en wel zo, dat de zin van het verhaal, uitgedrukt in het grondmotief, sterker blijkt.
Ook de figuur van Pauws is in de copie meer uitgewerkt, en wel bij zijn tweede (laatste) optreden, aan het eind van deel twee. Bij zijn bezoek aan zijn zieke zoon ontmoet hij nl. zijn gewezen vrouw, al is het maar even, een ontmoeting die hem erg van zijn stuk brengt5. In de tekst hoort hij alleen haar stem achter een gesloten deur. Een tweede verschil vormt het slot van hetzelfde hoofdstuk. In de copie is de parallellie met Lot veel sterker geaccentueerd dan in de tekst: beiden zijn door hun vrouw verlaten, beiden kunnen maar eens liefhebben6.
De werking van het compositiemotief is in de uiteindelijke tekst dan ook veel zwakker, misschien wel opdat voorkomen zou worden, dat aan het eind van het verhaal Pauws te veel in het centrum zou komen te staan ten koste van Lot. Dat de eerstgenoemde scène geschrapt is, kan dezelfde reden hebben, maar ook kan het samenhangen met het wegvallen van nog een derde scène in dit hoofdstuk, nl. de ontmoeting van Pauws en Therèse.
Hiermee kom ik aan een der belangrijkste gedeelten van het handschrift. Het is reeds bij de analyse van de tekst gebleken, dat Therèse een opvallende figuur is. Zij behoort tot de personages die zeer uitgewerkt zijn - zij beleeft zowel de ruimte als de tijd - en toch komt zij maar weinig in het verhaal voor; andere figuren aan wie evenveel aandacht is besteed, treden daarentegen juist dikwijls op. Waarom vormt Therèse een uitzondering? Ik meen uit het handschrift te mogen opmaken, dat haar aanvankelijk waarschijnlijk een even grote rol toebedeeld was als aan haar broers.
Wanneer in het eerste hoofdstuk mama Ottilie in gedachten haar gehele familie nagaat, vermeldt de oorspronkelijke copie niet, dat Therèse in Parijs woont1. Misschien zag Couperus haar toen dus nog, met haar broers, in Den Haag, maar zeker is dit natuurlijk niet. Op pag. b 34 woont ze in ieder geval wel in Parijs, maar dan is zij de moeder van Ina. Dit laatste is door Couperus doorgestreept, waarschijnlijk omdat hij verderop Ina de dochter van Harold laat zijn. Op zichzelf zijn deze twee plaatsen van niet veel belang, maar in verband met hetgeen volgt is het toch wel opmerkelijk, dat ten aanzien van Therèse klaarblijkelijk van het begin af onzekerheid heeft bestaan.
In hoofdstuk XIII hebben de copie en de tekst beide het bezoek van Lot, Elly en Theo aan het klooster bij Parijs, waarin Therèse haar intrek heeft genomen. De eerstvolgende vermelding vinden we dan in de kantlijn van pag. d 55; het is een aantekening van Couperus, waarin hij noteert welke scènes nog geschreven moeten worden. Tussen ‘Lili kindertjes’ en ‘Pauws’ staat ‘Tante Th.’ Deze aantekening slaat misschien op Therèses overkomst uit Parijs om aanwezig te zijn bij het sterven van haar moeder. Dit wordt verteld tussen het bezoek van Lili aan oma Ottilie en de overkomst van Pauws naar het ziekbed van zijn zoon. Het wordt echter niet in een aparte scène verteld, maar in een dialoog tussen Anna en Lot vermeld. Alle andere genoteerde gebeurtenissen echter slaan wel op aparte scènes. De aantekening ‘Tante Th.’ zou dus de enige zijn die een in het voorbijgaan vermelde ge-
beurtenis zou betreffen. Dit is niet waarschijnlijk. De aantekening kan echter ook slaan op een scène met Therèse, die Couperus misschien van plan was in te lassen. In de glosse staan immers de nog te beschrijven scènes niet allemaal in de volgorde van de uiteindelijke tekst. In het rijtje naast de reeds genoemde wordt herinnerd aan de dood van Roelofsz, aan een scène van Ottilie en aan het vertrek van Steyn. Van deze gebeurtenissen vallen de eerste en de laatste eveneens tussen het bezoek van Lili en de overkomst van Pauws. De verbindingsstreep tussen ‘Ottilie’ en ‘Elly R. Kruis. Lot ziek’ maakt duidelijk, dat mama Ottilie nog een scène met Lot is voorbehouden, die in hetzelfde hoofdstuk als Pauws' overkomst wordt verteld. De notitie ‘Tante Th.’ kan daarom evengoed slaan op de scène die in de copie op pag. d 97 is begonnen, maar niet werd afgemaakt. Indien dit zo is, hechtte Couperus aanvankelijk dus nogal gewicht aan deze scène. Deze interpretatie van Couperus' aantekening is des te waarschijnlijker, omdat een tweede notitie, op pag. d 79, de voorgenomen scène nader aanduidt: ‘Therèse en Harold en Daan en Anton’ en daaronder: ‘Ina vraagt Therèse’. Deze scènes zouden misschien hebben moeten komen tussen het overlijden van oma Ottilie en de ziekte van Lot. Zeker is dit laatste niet, want de volgorde van de gebeurtenissen, ook zoals ze in de copie worden verteld, komt overigens niet overeen met die welke de aantekening aangeeft: het vertrek van Elly valt niet vóór, maar na de dood van oma Ottilie. Hoe dit echter ook zij, zeker is dat op het ogenblik waarop de notitie werd neergeschreven, Therèse nog twee scènes te wachten stonden. Eén daarvan kan de bovengenoemde zijn geweest.
Pag. d 88 bereidt deze scène voor: mama Ottilie zegt tegen Lot, dat tante Therèse op bezoek zal komen. Dit gedeelte is echter meteen doorgeschrapt en vervangen door een dialoog die vrijwel met 252 : 1-5 overeenkomt. Dit schrappen betekent niet, dat Couperus toen al de scènes van Therèse wilde laten vervallen. Op pag. d 97 laat hij immers Pauws Therèse bij Ottilie ontmoeten. Hij schreef de scène op een volgende bladzijde verder, en bezon zich toen eerst. Hij schrapte de gehele ontmoeting en vervolgde de scène van Pauws, maar nu zonder Therèse, op de achterkant van het laatst gebruikte blad.
Samenvattend kunnen we dus opmerken, dat van het begin af aan enige onzekerheid omtrent de rol van Therèse heeft bestaan. Couperus heeft haar aan het eind van het verhaal aanvankelijk nog enige scènes toegedacht: één met Harold, Daan en waarschijnlijk ook met Anton, één met Ina, en één met Pauws en misschien met mama Ottilie. Het is niet duidelijk, of hij zich alle drie de scènes heeft voorgenomen, dan wel of de laatst genoemde in de plaats van de eerste twee moest komen.
In ieder geval is geen van deze scènes in de uiteindelijke tekst opgenomen.
Welke betekenis zouden deze scènes voor het verhaal gehad hebben? De beantwoording van deze vraag is een hachelijke zaak. We weten immers niet, wat Couperus erin wilde vertellen. Voor zover we de scène met Pauws kennen, is het zeker dat hij er het grondmotief een belangrijke functie wilde laten vervullen: ‘het is alles, alles voorbij....’, zegt Therèse met nadruk. Toch is er m.i. wel iets van te zeggen. De figuur van Therèse zou in ieder geval meer tot haar recht zijn gekomen. Zij is zodanig in het verhaal uitgewerkt, dat een ‘afsluiting’ van haar optreden voor de hand zou liggen. Hetzelfde geldt echter voor Ina, Harold, Daan, Anton en Stefanie. De lezer laat hen, zoals het verhaal nu is, a.h.w. achter bij het sterfbed van hun moeder. Hij komt alleen te weten, hoe het Pauws, Steyn, mama Ottilie, Elly en Lot verder gaat. Dat zijn alleen de personen van het eerste en tweede verhaalmotief. Na het overlijden van de drie oude mensen blijven alle personen van het derde verhaalmotief achter. Zij missen, zou men kunnen zeggen, een toekomst. Zij blijven zo leven als zij op het laatste ogenblik van hun optreden bestonden: in de ban van de oude mensen en hun verleden. Misschien is dat wel de laatste bedoeling van Couperus geweest en heeft hij hun daarom een slotscène ontzegd. Mèt een slotscène zouden vrijwel alle figuren gelijkelijk, maar ieder op zijn wijze, een toekomst gekregen hebben; het verhaal zou in allen dele afgerond zijn geweest. Nu, zonder deze scène(s), zijn de figuren van het derde verhaalmotief achtergebleven, toekomstloos, of misschien beter: met een toekomst die geheel gelijk is aan hun verleden. Want alle verhaalfiguren bezitten een zekere toekomst, nl. in de nawerking van het verhaal in de geest van de lezer. De toekomst van de broers en zusters van mama Ottilie is statisch, onveranderlijk, waarom zij óók achteraf tweede-plansfiguren blijken te zijn. De personen uit het eerste en tweede verhaalmotief echter hebben een dynamische toekomst, een toekomst met mogelijkheden, onvoorzienbaar.... en toch door hun karakter en mens-zijn bepaald. Want hun leven is wel afgerond, op de wijze van het verhaal afgerond, d.w.z. hun leven is er totaal: het staat naar de toekomst open.

| Oude dokter | Lili kindertjes |
| dood | Tante Th. |
| Ottilie | Pauws |
| Steyn weg | Elly R. Kruis |
| Lot ziek | |
| Ottilie met Hugh |
Steyn weg
Elly weg
Mev. dood
Therese en Harold en Daan en Anton (?)
Ina vraagt Therese
Lot ziek Hugh
Pauws, Ottilie
Ot. weg met H.
Lot en St.