Na een lange periode van niet zo zeer principiële als wel toevallige onthouding, heb ik gisteren weer eens het oor geleend aan iemand die op gezag ener omroepvereniging de Dag Opende.
In die branche is ook een hoop veranderd!
Dat de Voorzienigheid er tegenwoordig niet meer met naam en toenaam aan te pas komt, had ik al wel eens horen verluiden, maar ik had mij niet gerealiseerd dat de aard van de matineuze causerie daardoor dusdanig in de hemel kwam te hangen dat het voor de ongeoefende luistervink nog helemaal niet zo eenvoudig is, de toespraak ook meteen als een Stichtelijk Woord te determineren. Door scherp toe te horen meen ik er niettemin in geslaagd te zijn bepaalde idiomatische eigenaardigheden op het spoor te zijn gekomen die, dacht ik, de ware bedoeling van de vroege redenaar toch vrij snel aan het licht kunnen brengen.
Het invoegsel ‘dacht ik’, dat ik voor de aardigheid in de vorige zin al even bezigde, reken ik in dit verband nog niet tot een doorslaggevend kenmerk, evenmin als de lap ‘mag ik zeggen’ in bijvoorbeeld een mededeling als: ‘de man vertoonde een mag ik zeggen merkwaardig gedrag’. Dit soort tussenwerpsels wordt weliswaar vaker gebruikt door godgeleerden die, sprekend over hun geloof, graag poseren als mensen die onderhevig zijn aan vreselijke twijfels, dan door winkeliers die alleen maar op de weegschaal hoeven kijken om te zien dat een kilo inderdaad twee pond is - maar de gewoonte is erg besmettelijk en ik heb laatst al een fysicus horen zeggen: ‘water, dacht ik, kookt bij, mag ik zeggen 100 graden’.
Nee, wat tot op dit ogenblik de dagopener, en hem alleen, absoluut verraadt, is het oeverloze gebruik van het aanwijzend voornaamwoord op alle plekken waar u en ik zouden volstaan met het bepalend lidwoord. ‘De vrouw van Piet kocht bij de groenteman een pond spinazie,’ zegt u. Maar de dagopener, wiens geest (uit hoofde van z'n vak) nooit bij zulke lullige incidenten verwijlt, maar die
ze toch te baat wil nemen om er iets hogers en universelers mee uit te drukken - de dagopener zegt: ‘Deze vrouw, van deze Piet, kocht bij deze groenteman dit pond spinazie’.
Als u zoiets over de radio hoort kunt u er bijna donder op zeggen dat er, in de code Piet-vrouw-groenteman-spinazie, over God wordt gesproken.
Het blijft natuurlijk oppassen. Vanwege een ook door mij nog niet helemaal achterhaalde speling van het taalgebruik is namelijk het aanwijzend voornaamwoord in de afgelopen jaren ook zeer geliefd geraakt bij sportverslaggevers van de media - als Kuiphof geestdriftig raakt noemt hij Van Hanegem steeds ‘deze Van Hanegem’: ‘deze Van Hanegem, die in de derde minuut van deze wedstrijd deze onnavolgbare pass gaf naar Moulijn’ - en dat is natuurlijk ook wel religie, al was het maar omdat in dit land alles religie is, maar het is toch iets anders dan waar we het hier over hebben.
De verfijning die we moeten aanbrengen om de determinatie volstrekt betrouwbaar te maken, zit voor wat de dagopening betreft in het consequente gebruik van ‘deze’ en ‘dit’, ook voor abstracte, dan wel wel overdrachtelijk gebezigde zelfstandige naamwoorden. Voorbeeld: de dagopener zegt niet ‘het geluk hangt als een druiventros’, maar: ‘dit geluk, dat hangt als deze druiventros...’ - en als gewone mensen meedelen dat iemand uit de boot is gevallen, hoor je omstreeks acht uur op de radio: ‘Zo overviel deze man dit gevoel dat hij uit deze boot was gevallen, en hij vroeg zich af: wat heeft deze boot voor mij betekend?’
Lees nu het hiernavolgende verhaaltje zorgvuldig door en vertaal het in het Dagopeners:
‘Kees werd wakker en had meteen de pest in. Hier, riep hij, terwijl hij zijn vrouw een lel verkocht. Hou je handen thuis, loeder, gilde zij, en gaf hem een hengst terug. Op dat moment begon hun anderhalfjarig dochtertje te krijsen. Laat dat kreng ophouden, zei Kees terwijl hij uit bed kroop. Keihard zette hij de radio aan om het gejank niet te horen. Door de kamer galmde de stem van een dagopener. Deze zei: maar wat nu bewoog deze Kees deze vrouw deze lel te verkopen?’