terug  begin  verderprepost

Signalement

Hoe links is eigenlijk W. Drees jr? Ik moet bekennen dat ik daar steeds onzekerder over begin te worden.

In de typologie van de bestaande machtsverhoudingen lijkt hij evident niet te deugen. Lid van DS '70, een partij van zeer verdrietige mensen door wie hij zich als 48-jarige broekeman naar voren laat schuiven om de jeugd te paaien. Minister in een christelijk-liberaal kabinet. Onludieke horizon. A-cultureel. Verstand

[p. 16]

van cijfers. Financieel deskundig. Ingevallen wangen. Het overtuigend signalement, kortom, van een rechts iemand.

Maar is het niet té overtuigend?

Ik heb het wel eens in de bioscoop. Alles wat ik aan sympathie kan opbrengen gaat naar de jonge, gelukkig getrouwde dominee die de vlammen helpt blussen in het zo raadselachtig in brand geraakte plaatselijke bejaardenhuis. Kijk die man daar toch blussen.

Overschrokken werpt hij zich opnieuw in de vlammen, nu om de 75-jarige rijke heks te redden die hem jarenlang zo vals bejegend heeft. Te laat! De tranen staan hem in de ogen, en ik kan wel mee janken, zó lief is die man me. En toch. Als in de allerlaatste minuut van de film wordt ontknoopt dat niemand anders dan diezelfde dominee de oudjes in de fik heeft gestoken, besef ik ineens dat ik dat al die tijd heb zitten weten. En dát gevoel bekruipt me tegenwoordig ook telkens als ik Drees achter die rechtse regeringstafel zie grijnzen.

Is W. Drees jr. niet eigenlijk het allerradicaalst-linkse dat wij in Nederland ooit zullen kunnen voortbrengen?

Ik geef een paar indicaties.

De lengte van de toespraak die Drees in de Kamer houdt kan alleen in de schaduw staan van de tijdsduur die voor redevoeringen wordt opgeëist door leiders van socialistische volksrepublieken. Rechtse politici kunnen nooit zo lang praten; die verzwijgen bijna alles.

In die toespraak lanceert Drees een dodelijke aanval op de auto, de lievelingsvijand van links. De drie z.g. progressieve oppositiepartijen sputteren, samen met de rechtse Schakel, een beetje tegen uit naam van ‘de kleine man’; alsof Van Mierlo het niét erg vindt als we zouden sterven aan de uitlaatgassen van de arbeidersklasse. Meer op de achtergrond bereidt Drees maatregelen voor die moeten garanderen dat kapitaalkrachtige uitbuiters voortaan zullen bloeden als ze hun doorgaans toch te stomme kinderen zo nodig aan een universiteit willen laten studeren.

Een soortgelijke ‘filosofie’ draagt hij uit op het terrein van de kunst; we staan aan de rand van een economische afgrond, en er is wel wat anders te doen dan in een avondjurk naar de opera te gaan.

En niet anders, tenslotte, redeneert hij ten overstaan van het z.g.

[p. 17]

welzijnswerk. Wat valt er nog maatschappelijk te vormen als we straks niet meer te vreten hebben? Laten we nou eerst maar eens tien miljoen ton suikerbieten plukken - dan kunnen we daarna in de jeugdherberg nog lang en gelukkig aan de vrije, creatieve ontplooiing van het individu werken.

Dat zie ik Drees allemaal doen. En dwars door het stereotiep heen van de langharige, alternatieve, met Indiase kralen bijeengehouden rebel, denk ik wel eens bezorgd: een ernstige 48-jarige broekeman, onludieke horizon, a-cultureel, financieel deskundig en ingevallen wangen - is dát eigenlijk niet het overtuigende signalement van de Nederlandse revolutionair?

prepostterug  begin  verder