terug  begin  verderprepost

Spellen

Als de actiegroep van de schoolpsycholoog Kohnstamm haar zin krijgt, doen we op een dag geen zout meer op ons ei, maar zaut op ons ij.

Persoonlijk zal ik daar geen ij minder om eten. Spelling is, zoals Kohnstamm niet nalaat terecht op te merken, een kwestie van afspraak - van mijn part vreet u de hele dag een oe met zuut, als ze maar niet te erg stinken, want een roos is een roos is een roos. De actiegroep voert bovendien uitstekende argumenten aan om af te komen van dat tijdrovende dicteegelazer waarin de eidele leifijgene een aud, benouwd gebauw op zijn schauders moet dragen; jarenlang worden kinderen met dat soort dingen lastig gevallen, zonder dat het iets toevoegt aan hun taalvormende vermogen. Let maar op, op televisie: een willekeurige Amerikaanse analfabeet formuleert beter wat hij zeggen wil dan een willekeurige Nederlandse parlementariër; die weet hoe je 't spelt maar hij kan 't niet zeggen.

Kortom - van mij mag 't, al behoud ik mij de vrijheid van enige reserve voor, die door de verschillende voorstanders van de radicale spelvereenvoudiging tot op dit moment nog niet is weggenomen. Deze reserve heeft te maken met zekere visuele aspecten van de zaak, waarvan ik ook niet had verwacht dat ze zouden zijn opgemerkt door een psycholoog, want dat is iemand die in mijn ziel kijkt, en dan zie je andere dingen vanzelf een stuk minder

[p. 18]

scherp.

Neem bijvoorbeeld dat ij. U mag dat voortaan best zo schrijven, en ik zal me zonder veel zeuren bij een eventueel meerderheidsbesluit neerleggen, maar het is voor mij geen ei meer. Dat heeft te maken met wat je ziet als je het schrijft. Een ij is, althans in mijn visuele voorstelling van het letterteken, te lang voor een ei - ik weet bijna zeker dat het, als ik al lepelend geconcentreerd aan de ij zou denken, zelfs niet meer als een ei zou smaken. Dat ronde, gezellige is er af, je zou het voor mijn gevoel ook niet meer kunnen bakken, en van stuk koken, met van die witte, vliederige gezwellen die treurig langs de dop hangen zal in het geheel geen sprake meer zijn.

Ik betwijfel of dit uitsluitend een kwestie van gewenning is - de tegenwerping waarmee Kohnstamm natuurlijk zal komen en waarbij hij zo ver zal gaan te zeggen dat het misschien ook op medische, milieuhygiënische en maatschappijkritische gronden hoog tijd werd dat ijeren een andere smaak kregen. Ik houd staande dat het beeld van letters en lettercombinaties een autonome rol speelt in de taal, het taalgebruik en de taalvorming. Wij hebben heus niet voor niets eeuwenlang ‘au’ geroepen als we pijn hadden, en niet ‘ou’. Visueel is au vreselijker, onherroepelijker, ik zou bijna durven zeggen catastrofaler dan ou.

Dit kan bij de vorming van woorden interessante consequenties voor de spelling hebben. Zo schiet naar mijn eigen gevoel het beeld van de lettercombinatie ‘koud’ ernstig tekort als het er om gaat allerlei ervaring van niet-warm te noteren. Bij het type droge, spijkerharde vriesweer heb ik het inderdaad ‘koud’ - maar ik vind het ongenuanceerd om datzelfde vierletterbeeld te gebruiken als er een verzamelingetje smerig geworden natte sneeuw van mijn jas af per ongeluk tussen twee knoopsgaten van mijn overhemd door langs mijn buik begint te druppelen. In dat geval onderga ik de sensatie als kaud, en als het véél sneeuw is zelfs als kaut.

Kohnstamm zal wel begrijpen waar ik heen wil. Hij mag het van mij best een keer kaut hebben, maar hij mag de ogen niet sluiten voor het feit dat hij het daar niet mee redt in een klimaat als het onze. Hij mag van mij de ene vrauw na de andere liefhebben, maar het risico blijft bestaan dat hij op een ochtend wakker wordt en er ligt 'r een naast hem van wie hij moet erkennen dat het een vrouw

[p. 19]

is, of een frau, of een weif, of een dwijl, of een zeer uitzonderlijk mooie mijd.

En dit betekent dat de spelling, verre van vereenvoudigd te kunnen worden, aan een diepgaande complicering moet worden onderworpen. Op dit moment, zegt Kohnstamm, wordt de helft van het aantal taaluren op de basisschool besteed aan de spelling, en nóg blijkt 41% van de kinderen na zes jaar de boel niet onder de knie hebben. De oplossing zal dus gevonden moeten worden in tenminste een verdubbeling, maar misschien wel een verdrie- of vierdubbeling van het aantal taallessen, en derhalve van de totale leerplichtperiode.

Ik denk dat ik daar een actie voor begin.

prepostterug  begin  verder