terug  begin  verderprepost
[p. 21]

Gezellige dagen

Neem iemand over honderd jaar.

Hij moet proberen zich uit krantenfoto's, filmjournalen en televisiereportages een beeld te vormen van hoe het bij ons in 1971 toe ging.

En de vraag is: zal die man ooit tot de conclusie kunnen komen dat wij in 1971 gebukt gingen onder een crisiskabinet van steile burgerheren, dat we in machteloze woede de vuist balden tegen hun beheer, dat kunst en cultuur kwijnden, dat het onderwijs tien jaar achteruit was gezet, dat de lucht vergiftigd en het water uit de kraan niet meer te zuipen was?

Nee hoor.

Zo'n man komt na wekenlange aandachtige studie tot de slotsom dat het in die tijd een vrolijke boel was.

Als het bijvoorbeeld een keer ergens een beetje stonk, rats roets, meteen zaten de mensen om de tafel en hadden een actiecomité. De hele avond lachen. De een deed een dubbeltje in de pot, de ander een kwartje, een derde wel eens een rijksdaalder! Vóór je het wist was er al genoeg gelapt voor een betrouwbare touringcar, en alras brak de dag aan dat ze met z'n allen de bus beklommen en de gezellige tocht naar Den Haag aanvaardden. En aan één stuk door zingen, want oude vaderlandse liederen werden toen nog in ere gehouden. ‘De minister is een smeerlap, wat een smeerlap is hij toch’, op de wijze van Ferme Jongens Stoere Knapen en zo.

In de residentie intussen keek de bewindsman reeds ongeduldig uit. ‘Er komt toch wel iets?’, vroeg hij telkens zenuwachtig aan de bode. ‘Je weet toch wel zeker dat er een felle demonstratie zal wezen?’

En ja hoor - de bode had Zijne Excellentie nog maar nauwelijks gerustgesteld, of daar draaide de glimmende bus Het Binnenhof op en schalde het gescandeerde ‘Vuile rotminister’ over het eeuwenoude terrein.

Trots lachend stond de minister even later de actieleiders te woord. ‘Excellentie’, riepen dezen onderdanig, ‘ons actiecomité heeft besloten u uit te roepen tot Drol in de Pispot van het jaar 1971!’ ‘Nou, dat had u toch niet hoeven doen’, stamelde de portefeuille-

[p. 22]

drager diep getroffen.

‘En we meenden’, ging de leiding voort met de in de bus zorgvuldig gerepeteerde toespraak, ‘u behalve een petitie met 2300 handtekeningen, ook een blijvend aandenken te moeten overhandigen aan het doel van onze komst. Pakt u hem voorzichtig uit, want de pispot is van chocola en de drol van zacht fondant.’

Van oor tot oor grijnsde de minister. Gisteren nog had hij zich, in een depressieve bui, afgevraagd of het volk hem wel echt lief had. Dat was geweest toen hij van achter het gordijn had gezien hoe één zijner ambtsgenoten van het actiecomité ‘Viespeuk’ een geheel uit warme paardevijgen geboetseerde tabakspijp had gekregen omdat, zoals het comité woordspeelde, ‘de buurt er tabak van had’ en de minister nou eens ‘een vieze pijp’ wilde laten roken. Hoe jaloers had hij zich gevoeld!

En nu, hij zelf, uitgeroepen tot drol in de pispot 1971!

Ontroerd nam hij het gedenkteken aan, zwaaiend naar de steeds feller protesterende menigte, en intussen schuin naar boven kijkend of zijn collega's het wel zagen. En wat zou moeder-de-vrouw er wel niet van zeggen!

Honderd jaar geleden, heerlijke dagen. En wát, vraagt die studerende man met al die foto's en films en reportages zich steeds meer af - wat zouden de mensen van toen toch bedoeld hebben als ze het over agressie, geweld en intolerante minderheden hadden?

prepostterug  begin  verder