Om te kunnen blijven meepraten in beschaafde kringen, en omdat ik de Biologische Tijdbom en Soldaat van Oranje ook al gemist heb, ben ik uiteindelijk toch maar begonnen aan dat boek van Jan Foudraine.
Tsjonge, tsjonge, wat kan die man vertellen, zeg. Echt de oren van je kop. Logisch natuurlijk, want hij is zenuwarts van z'n vak, dus die heeft jarenlang luisterend naast de divan gezeten, en dan moet op een dag de reactie komen. Mensenlief wat een spraakwater.
En hij zou nóg wel een boek kunnen vol maken! Gelukkig maar dat spreken altijd nog zilver is; al blijft zwijgen natuurlijk goud, Jan!
Wie is van Hout, zoals Jan z'n boek heet, is volgens mij zo'n succes omdat het op psychisch gebied de functie vervult die we in de sector knutselen zien innemen door de doe-het-zelf-folder. Welke enigszins uit de kluiten gewassen Nederlander bestelt tegenwoordig nog een behanger of een loodgieter als hij elke ochtend een gratis drukwerk in z'n trap vindt waarin wordt uitgelegd hoe je de lijm opbrengt of de hoofdkraan afsluit? Dat is een ontwikkeling in het kader van de voortschrijdende democratisering (weg met de metselaar met z'n typisch autoritaire witte jas), en in dat licht zie ik ook de betekenis van Foudraines werk.
Als hij uitlegt dat één van z'n patiënten het woordje helpen interpreteert als hel-pen: ‘iemand in de hel vastpennen’ - dan heb ik op dezelfde manier iets opgestoken van de psychiatersmethodiek als wanneer ik mijn kamer mooi heb geverfd omdat ik eerst kennis heb genomen van Flexa's Tamponneer Tips voor de Vrije Tijds Schilder. Als ik dan iemand in mijn kennissenkring tegenkom die, ik noem maar eens wat, bang is voor piepen, dan zal ik meteen snappen dat die man vroeger op school, slecht was in meetkunde (pi) en vermoedelijk een paar bittere ervaringen heeft opgedaan in het Limburgse dorpje Epen. Die man, zal ik dan snel kunnen vaststellen, is helemaal niet bang voor piepen, hij is bang voor pi-epen, en daar kunnen we dan samen mee verder. Ik durf niet te voorspellen dat ik de patiënt op die manier over z'n angst heenhel-p, maar daar staat tegenover dat ook Jan wel van alles en nog wat over zijn patiënten vertelt, maar zelden of nooit hoe het met ze afliep.
Dat brengt me trouwens op een tweede en veel algemener nut van het werk van Foudraine (vgl. fr. fou = gek, en drainer = ontwateren), te weten zijn vurig pleidooi om patiënten van een psychiatrische kliniek geen patiënten te noemen, maar leerlingen, en de inrichting ook geen ziekenhuis, maar een levensschool. De gedachte is, sinds Orwells dubbeldunk, niet nieuw (noem werklozen arbeidsreserve en de crisis komt nooit meer terug), maar heeft intussen aan bruikbaarheid op alle terreinen van menselijk samenleven natuurlijk niets ingeboet. Ze verdient naar mijn mening de allerruimste verbreiding, en ik twijfel er ook niet aan of die zal komen - juist in de sector van de z.g. menswetenschappen waar op een bestsellertje meer of minder niet gekeken wordt.
Lees nu Foudraine nog eens aandachtig over en maak in je eigen woorden een opstel van 470 pagina's op het thema: de ontwikkelingslanden zijn niet meer arm als we ze rijk noemen; of: Luns is links als hij dat wil; of: de NAVO kan genezen als we haar in het vervolg aanduiden als een Instituut voor Vrede en Vriendschap; of: monseigneur Gijsen is lang niet zo katholiek als hij er uit ziet, maar zelfs al zou hij toch nog tamelijk rooms blijven, dan nog hoeft hij niet zo conservatief te zijn als hij nu lijkt omdat ze in Roermond zo'n progressief profiel van de nieuwe bisschop hadden gemaakt.