terug  begin  verderprepost

Spreker

Diep in de nacht - en ik kan geen oog van Berger afhouden.

‘Is hij dronken?’, vraagt mijn vrouw, want die zoekt altijd de mens achter het kamerlid.

‘Nee’, zeg ik zonder een spoor van bewijs. ‘Hij praat altijd zo’. Ik ben gefascineerd door slechte sprekers. Ik had vroeger een vriendje dat consequent de metathesis toepaste. Als hij iemand ‘hou je goed’ hoorde zeggen, zei hij: ‘gauw je hoed’, en als hij de kat van z'n bord liet eten en z'n moeder riep streng: ‘niet op tafel!’, mompelde hij: ‘tiet op navel’.

Een vermoeiende hobby, maar ik ben hem jaren later nog eens tegengekomen, en toen was hij er van af.

Berger, DS-zeventiger in hart en nieren, heeft waarschijnlijk zelfs die jeugdfixatie bewaard.

‘Meveer de noorzitter, de strijkceefers vaarwan het momerundam van de gevachte agvervaardigde luikt te getijgen neken lergens op.’ Het fantastische van Berger is, dat het niet bij letterverwisseling blijft. Z'n hele syntaxis is aan een ruïneuse democratisch-socialistische revolutie onderworpen geweest - hij telt zelfs op een andere manier tot tien.

‘En dan kom ik tot m'n derde opmerking, en deze vierde opmerking, menoor de veerzitter, die is dan, zoals uit mijn achtste opmerking op dit punt al is gebleken, dat ik mij voor de volle 100% achter de opvattingen van de heren De Brees en Drauw stel, opvattingen, veneer de zoormitter, die ik zo dadelijk in mijn eerste opmerking nog zal verduidelijken’.

Al die tijd zie ik Wiegel van links naar rechts en van rechts naar links door het beeld stappen. Bij Wiegel denk ik altijd aan een jongen van zeer goede familie, maar toen hij acht was is zijn vader verleid door de 18-jarige keukenmeid en met het vileine schepsel naar Brazilië uitgeweken. Op aanraden van zijn grootvader is Hans

[p. 41]

toen in huis genomen door een oom en een volwassen achternicht - en die drie oudjes hebben nog zorg genoeg gehad om de bengel, want natuurlijk zat er genoeg wulpsheid van de vader in, maar dat hebben ze er uitgeslagen, en die jongen is er nog steeds dankbaar voor: hij kookt zèlf. En zie hem nu eens door de Tweede Kamer lopen: de Pieter Stastok van de parlementaire democratie.

‘Dat hèèft-ie toch al gezegd?’, vraagt mijn vrouw, die intussen op Berger is blijven letten.

‘Op woenderdag twieendrintig oktustus, sleem voormister, wijn zij wedernieuw ompafel agbedruist om geblikt voorbuis te manen tot geldverontwaardiging’, zegt Berger.

‘Nee’, antwoord ik mijn vrouw. ‘Dit is de vijfde aanvulling op zijn derde opmerking. Dit is in feite de kwintessens van de hele crisis, let maar op’.

En verdomd - daar drukt Den Uyl de knop van de interruptiemicrofoon al half in en ik hoor hem zeggen:

‘Gestrengelde vruchtenpap!’

Hilariteit.

Zelfs Biesheuvel lacht nu helemaal ontspannen - de zware, Louisseize-achtige onderbakkes komt gemoedelijk tot zijn recht in de troisquart-uitsnede van de televisiecamera. Het is een heel andere man als je hem zo ziet - misschien eigenlijk wel de hartelijkste landsvader die we in jaren hebben gehad, maar dat zul je altijd zien: zo'n man krijgt de bons en dan ga je er ineens dingen in waarderen die voordien als het ware onderdrukt zijn gebleven. Hadden we, zullen we misschien al heel gauw tegen mekaar zeggen, hadden we Biesheuvel nog maar! Maar ja, als hadden geweest is, is hebben te laat. Of omgekeerd.

Berger kijkt vanachter de lessenaar over zijn bril heen. Als gevat debater zou hij nu iets moeten terugzeggen - maar je moet er maar zo gauw óp kunnen komen. Zijn blik panorameert door de gewijde zaal waar het hart van de constitutionele monarchie klopt. Je ziet hem denken, terwijl al die 150 gezichten hem toeschateren. Maar hij weet niks. En er zit iets heel zieligs in de hand die naast de katheder naar het glas grijpt.

Hij neemt een wok slater.

prepostterug  begin  verder