De carrière van Aart C. Gisolf, arts - die mag er ook wezen.
Hoe lang is het helemaal geleden dat je op medisch gebied niet om dr Van Swol heenkon, en geen omroepvereniging het zou wagen een film uit te zenden waarin iemand zijn neus snoot zonder eerst hèm te raadplegen? Ja, je had toen ook wel mensen als Trimbos en De Vaal, maar dat bleven toch meer co-assistenten, zeg maar gerust semi-medici. De markt was echt van Van Swol, zoals de bezettingsjaren van Lou de Jong zijn en alle televisieprogramma's van Nico Scheepmaker, ook al schrijft hij onder het pseudoniem Jan Bank of Philip van Tijn.
Wie had ooit van Aart C. Gisolf gehoord? Wat mij tussen twee haakjes altijd al bezighoudt, dat is de hegemonie van één figuur in zulke gevallen. Als publiciteitsmedia op een bepaald gebied deskundigheid willen inroepen, schijnen ze nooit de keus te hebben uit twee of drie mensen, ze komen altijd terecht bij iemand die op dat moment de zaak heeft gemonopoliseerd. Zo heeft Nederland
eigenlijk maar één boer: Mansholt. Eén feministe: Joke Kool-Smit. Eén politicoloog: Marcel van Dam. Eén dame: freule Wttewaal van Stoetwegen. Eén Ibo: Wim Ibo. En één dokter: Aart C. Gisolf, arts.
Je bent natuurlijk geneigd te denken dat het te maken heeft met het feit dat we een klein land zijn waar de geleerdheid niet voor het oprapen ligt en de combinatie met aantrekkelijk publiciteitsgedrag dus helemáál zeldzaam is. Maar dat is waarschijnlijk niet vol te houden. Ik ken bijvoorbeeld genoeg mensen die er smakelijk uitzien, die foutloos Nederlands schrijven en spreken, wier Engels niet meteen iedereen met gegeneerd erbarmen vervult en die ook nog aardig wat van oude films weten. Maar ze schijnen iets te missen dat Simon van Collem heeft - zoals mijn huisdokter die tot nu toe al onze kwalen naar volle tevredenheid heeft genezen blijkbaar iets niet heeft dat als een soort genade moet zijn meegegeven aan Aart C. Gisolf, arts.
Zouden we het ‘it’ moeten noemen?
Ik ben bang dat het niet veel wetenschappelijker is te determineren. Achteraf kun je wel zeggen dat Van Swol alles had om de nationale dokter van de jaren vijftig en begin zestig te worden, maar ik weet zeker dat het in die tijd bárstte van dat type artsen met zo'n hoekig, betrouwbaar gezicht, en zo'n warme, Henk-van-Laarachtige stem die op dicteersnelheid de werking van de blaas uitlegde. En je hoeft vandaag maar om je heen te kijken, of je ziet jonge dokters met een coltrui en een enigszins gedekt, maar net niet overdreven lang kapsel veerkrachtig uit een deux-chevaux stappen, en de één lijkt bij wijze van spreken nog méér op Aart C. Gisolf dan de ander - maar zal schrijven niet in de Haagse Post, ze krijgen géén opdrachten van Avenue en ze zijn geen medische quizmasters op het scherm.
Een mysterie.
Reken maar dat ze in omroepland al lang hebben zien aankomen dat Van Swol aan inruil toe was en dat ze daar al een hele tijd hebben gezocht naar een nieuwe, eigentijdse, dus open, maatschappijkritische, gedemocratiseerde dokter die niks moet hebben van de witte toverjas en voortdurend de boodschap uitstraalt van onthounou-goed-dokter-is-ook-maar-een-mens en liever met een doodzieke patiënt om de tafel wil gaan zitten discussiëren over de beste
medicijn dan hem met één injectie autoritair beter te maken. Kortom: zoals ze in het Gooi ook ooit dominees hebben gezocht die Gods woord konden verkondigen zonder het woord God te gebruiken.
Maar hoe en waarom hebben ze tenslotte hun keuze laten vallen op de jonge god Aart C. Gisolf, arts? Of wou die soms graag?