terug  begin  verderprepost

Aanbevolen lectuur

Op één pagina stonden van de week in de Volkskrant twee boeken aangekondigd die ik nog diezelfde nacht ademloos had uitgelezen. Het ene was dan ook een sociologisch proefschrift, en u weet: sociologie is de enige wetenschap waar je niet bij na hoeft te denken, dus het is m'n lievelingsvak. De dissertatie van dr Hessels over vakantie en vakantiebesteding sinds de eeuwwisseling leverde inderdaad weer geen enkel probleem op. Alles wat ik over dit onderwerp reeds vermoedde blijkt waar te zijn, niets van wat ik aangaande het vraagstuk niet wist staat er in vermeld, dus er zal ook wel niks zijn - kortom: de echte sociologie van mijn hart.

Een socioloog, blijkt telkens weer, is iemand die bewijst dat het donker wordt als de lamp uitgaat. Weliswaar dachten u en ik vroeger dat daar geen bewijs voor nodig was omdat we het elke avond zagen gebeuren, maar zo zijn we wetenschappelijk natuurlijk niet getrouwd. We nemen dat maar aan, omdat we nooit iets anders hebben meegemaakt, maar als morgen in Marseille een man z'n lamp uitdraait en het blijft licht, dan valt ons geloof toch lelijk door de mand als pure gemakzucht. Kunt u trouwens met absolute zekerheid staande houden dat zulke merkwaardige gevallen (het uitblijven van duisternis dus, ondanks het doven van de lichtbron) zich niet al eens hebben voorgedaan in Göteborg, Istanboel of Meppel, zonder dat er misschien ooit ruchtbaarheid aan gegeven is? Dan kun je oude talen, scheikunde of medicijnen gestudeerd hebben, of desnoods colleges hebben gevolgd van drs H. van Praag, maar die onzekerheid blijft. Alleen de sociologie, die dan ook is uitgevonden voor het ontraadselen van nooit als zodanig erkende wonderen, wijst de weg. Zij heeft daarvoor de methodiek ontworpen van het onderzoek, ook wel genoemd de enquête, de opinie-

[p. 75]

peiling of het interview.

De socioloog die wetenschappelijk wil bewijzen dat het donker wordt als je de lamp uitdraait houdt een ‘representatieve steekproef’ onder bijv. duizend mensen, ‘analyseert’ de antwoorden vanuit alle denkbare bevolkingscategorieën op de vraag wat men waarneemt als men 's avonds het licht uitdoet, en komt er op die manier achter dat, inderdaad: zowel bij katholieken als bij humanisten, zowel in Staphorst als in de Amsterdamse hoerenbuurt, zowel bij jongelui die op de MULO zijn geweest als bij bejaarden die academisch zijn gevormd, en zowel bij managers met een inkomen van boven de 60 mille als bij onderdrukte minimumlijders, duisternis het steevaste gevolg is van het uitdraaien van de lamp.

En zo moet ook dr Hessels er achter gekomen zijn dat het fenomeen ‘vakantie’ sinds de eeuwwisseling opmerkelijk is toegenomen, vermoedelijk (want je moet in de wetenschap altijd voorzichtig zijn) vanwege het feit dat de vrije tijd zo is gegroeid en de kosten voor geheel verzorgde reizen naar Tibet en de Ardèche zo zijn gedaald.

Zo zie je maar weer: de wetenschap staat voor niets - en dat brengt mij als vanzelf op de tweede bestseller, die weliswaar is geschreven door een tuinman, maar dan eentje in wie een geniale socioloog verloren moet zijn gegaan. Ik bedoel natuurlijk het boek van de Oranjewoudse natuur-addict Louis G. LeRoy, de ontdekker van het volstrekte nietsdoen. ‘Natuur uitschakelen, natuur inschakelen’ is de titel van zijn standaardwerk waarin rijk geïllustreerd wordt aangetoond dat harken, maaien, schoffelen, spitten, omploegen, wieden, spuiten, planten, zaaien en rollen in je tuin allemaal volstrekt uit den boze is: we moeten het laten groeien en ons er verder niet in mengen.

Ik sta er geheel achter, het kost trouwens ƒ 29,50. Toch is dàt gek: dat we in 1973 dertig gulden moeten neertellen om opnieuw te leren beseffen dat je in deze wereld nog maar 't best geen poot kan uitsteken.

prepostterug  begin  verder