terug  begin  verderprepost
[p. 76]

Gelijk

Je hebt mensen die van bepaalde dingen precies weten hoe ze moeten en die bij de opmars naar hun doel ogenschijnlijk nimmer worden gehinderd of zelfs maar achtervolgd door enigerlei twijfel. Ik weet nooit precies of ik zulke mensen bewonder, benijd, beklaag of verafschuw, en probeer het daarom meestal maar alle vier tegelijk, zodat het doorgaans een troebele troep in mijn ziel is, en menigeen me dikwijls verwijtend zegt dat hij niet weet wat hij aan me heeft.

Alsof ik dat zou weten.

Zulke mensen van Dennendal bijvoorbeeld, of van De Vluchthaven, of van nog tien van die hoeves waar het de laatste tijd steeds hommeles is, zodat ik me de dagen nauwelijks meer kan heugen dat ingezonden brieven in de krant nog gewoon gewijd waren aan het toenemende aantal hondedrollen op het trottoir, in plaats van aan de gepolariseerde zorg voor bejaarden, zieken, minder-begaafden en andere misdeelde medemensen die vroeger bijna altijd lagen en nu voortdurend worden ‘opgevangen’ alsof ze regelrecht door god uit de hemel zijn gegooid, wat volgens ds Glashouwer waarschijnlijk ook zo is.

Ik meen het serieus. Laatst zag ik weer zo'n ‘groepsleider’ in een actualiteitenrubriek - een tamelijk jonge jongen nog, in conflict met waarschijnlijk weer een bestuur (wie zou dat toch ooit hebben uitgevonden?), en met de door roeien en ruiten gaande blik van iemand die weet dat hij nog door tien muren zal heendreunen en dan (op z'n veertigste, z'n zestigste, z'n sterfbed?) bereikt zal hebben wat hem reeds in de tweede klas van de agogenacademie voor ogen stond. Mijn god, wat zou ik niet graag willen dat zo'n jongen m'n vader, m'n broer of zelfs maar het aangetrouwde neefje van mijn schoonzuster was - maar aan de andere kant heb ik laf en gemakkelijk praten, want als er bij mij voor de deur twee stratenmakers verschijnen ben ik al geneigd te gaan verhuizen, uit angst dat ze misschien wel een barricade opwerpen. Is er ooit in de wereld op het gebied van, ik noem maar een paar dingen: de slavernij, de kinderarbeid, de opheffing van het zegel, de ontvoogding van de derde wereld en de uitvinding van de ritssluiting - iets verworven, tenzij met de hulp van mensen die het verdomden

[p. 77]

om aan hun ideaal te twijfelen?

Daarom wil ik iemand als Carel Muller eigenlijk wel ontzettend respecteren, al ben ik te dom om te kunnen uitrekenen of hij over 100 jaar nog gelijk gehad zal blijken te hebben, maar wie dan leeft, moet het dan ook zelf maar weer uitzoeken. Mijn enige vrees ten aanzien van dat type mensen betreft hun vermogen om ooit op te houden met geloven, of al is het maar een heel klein beginnetje te maken met twijfelen. Je ziet dat haast nooit. Han Lammers is nog niet belijdend lid van de Gereformeerde Kerk àf, of hij wordt belijdend lid van de Kring of de Amsterdamse gemeenteraad.

Pastoors genoeg die hun boord afdoen en zelfs trouwen, maar dan geloven ze weer in Mao. Er is zelfs een augustijner monnik geweest die z'n orde niet meer zag zitten en toen maar luthers werd.

Wat gaat zo'n jonge groepsleider nog allemaal uitvreten als hij binnen tien jaar dwars door al die muren is gekomen? Misschien wordt hij rooms, en dat is nog tot daar aan toe, maar wie verzekert mij dat hij dan niet de absolute dictatuur van zijn Gelijk vestigt, en nog weer een paar jaar later met ijzeren vuist, en desnoods onder aanroeping van de politie, jongelui van z'n erf jaagt die dàn weer met een heilig vuur in hun borst gelijk denken te hebben?

Want ik denk nog steeds dat het leven dóórgaat, en dat het Gelijk net zo vergankelijk is als een torenflat in de Bijlmermeer, of als een tor die je 's zomers wel eens over een blad ziet kruipen en geen haar op z'n hoofd die kan vermoeden dat hij morgen dood is.

prepostterug  begin  verder