terug  begin  verderprepost

Minister

Niet alleen om z'n naam heb ik die Vredeling eigenlijk van meet af aan iemand gevonden die ik beter kon plaatsen in de achttiende eeuw dan in de ploeg van Den Uyl. Ook z'n gezicht heeft iets

Wolff-en-Deken-achtigs: die combinatie van weldenkendheid en bonhommie, die Burgerhardtkant, dat rekbare waarvan je afleest dat hij veel kan hebben, maar toch niet over zich laat lopen.

Ik mag dat wel.

Als hij over zichzelf spreekt, zegt hij blijkbaar ook zelden ‘ik’, maar heeft hij het over ‘deze minister’, wat ook al op een distantie wijst die meer bij vroeger past dan bij nu. ‘Ik’, heeft iets inruilbaars - van ‘deze minister’ is er maar één.

Maar hij zal het er niet minder moeilijk om hebben, dat blijkt wel nu hij in ruzie ligt met de VVDM, de vereniging van dienstplichtige militairen, over het stakingsrecht van soldaten.

In de achttiende eeuw zou dat natuurlijk niet eens zo geheten hebben: als een militair in die tijd zijn werk wilde weigeren, kon hij een schop onder z'n kont, en nog een kogel in z'n rug op de koop toe krijgen, want hij was een deserteur. Weliswaar drukt Vredeling zich in het jaar 1974 niet zo boud uit, maar er is toch geen ruimte voor misverstand als hij zegt: ‘De Nederlandse militair, ook de dienstplichtige, heeft, gezien het algemeen belang, geen stakingsrecht’.

Het lijkt inderdaad een natuurwet. Iedereen kan in principe plat, maar de landsgrenzen moeten tenslotte beveiligd blijven; als er op 10 mei 1940 gestaakt was, had de oorlog misschien maar één dag

[p. 87]

geduurd, en hoe had dr L. de Jong deel III van zijn standaardwerk dan vol moeten krijgen?

Bij nader inzien evenwel ben je geneigd te vragen wat Vredeling in zijn uitspraak precies bedoelt met ‘algemeen belang’, en vooral in hoeverre dat algemene belang ten aanzien van het leger zwaarder weegt dan in bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Ik ken ondernemers bij de vleet die in hun hart het stakingsrecht van alle werknemers zouden willen afschaffen onder verwijzing naar een algemeen belang, en er zijn minstens evenveel gewone mensen die na één week staking bij het openbaar vervoer goed de pest in zouden krijgen - misschien minder dan wanneer de Russen over onze werkonwillige infanterie zouden heenlopen, maar die vergelijking is niet helemaal billijk; als de tram staakt moet ik lopen, dat is zo zeker als een huis; maar het is lang zo zeker niet dat de Russen opmarcheren als ons leger staakt - die causaliteit is althans nog nooit overtuigend aangetoond. Je zou zelfs kunnen zeggen dat een 24-uurs-actie in een 15-mans-schoenfabriekje een aanwijsbaarder schade voor een tamelijk ‘algemeen belang’ oplevert dan het platgaan van luchtmacht, marine en landmacht samen: het leger produceert tenslotte niets en staat alleen maar ‘borg’ voor iets dat zou kunnen gebeuren. Dus.

Is het eigenlijk wel conform een progressief beleid het stakingsrecht zo a priori te ontzeggen aan een groep arbeiders in een nota bene niet eens nuttige industrie?

Ik zou me een zeer vooruitstrevende en dus positieve benadering van het probleem kunnen voorstellen waarbij een minister het stakingsrecht onvoorwaardelijk ook aan onze jongens te land, ter zee en in de lucht gunde, zonder een ogenblik te vrezen dat het nationaal belang in de verdrukking zou komen. Wat daarvoor nodig zou zijn is vertrouwen: het vertrouwen dat de stakende soldateska, mocht het rooie gevaar de grenzen naderen, als één man de soldijverhoging of de kwaliteitskuch zou vergeten, teneinde met opgeheven hoofd, en luidop het Wilhelmus zingend de communisten over de IJssel terug te werpen en Deventer voor het vaderland te heroveren. Kortom: vertrouwen in hun gemotiveerdheid.

‘Het kan anders’, zoals Den Uyl mompelde toen hij het Catshuis betrad en de definitieve mentaliteitsverandering in het volk ter

[p. 88]

hand nam.

Maar Vredeling - en dat vind ik het aardige aan die man - heeft meer iets van: het kan nog best zoals vroeger.

prepostterug  begin  verder