In het dagblad Trouw zag ik een kiekje van mijn lievelingsparlementariër, Bas de Gaay Fortman.
De fotograaf had hem betrapt op het moment dat hij, zoals het bijschrift enigszins overbodig toelichtte, ‘een stevig stuk hout’ torste, in het kader van een week arbeid in de bouw. Hij had dan ook een helm op z'n kop.
Het beoogde effect van zo'n geïllustreerde onthulling lijkt me bijna altijd: eerbied.
Hier zien we een jonge, niet onbemiddelde intellectueel, gewend aan denkwerk, lid van de Tweede Kamer, en in de keuze van zijn hoofddeksels eerder naar exclusiviteit dan naar nivellering neigend, ineens vrijwillig afstand doen van zijn maatschappelijke prerogatieven teneinde zich onder het volk te begeven en sjouwerskarweien op te knappen. Dat is een offer, en dwingt dus bewondering en respect af.
Moeilijker zijn natuurlijk de drijfveren vast te stellen die een man van stand tot zo'n daad brengen.
De impuls op zichzelf ken ik uit ervaring. Ofschoon geen politicus, ben ik ook niet het uitgesproken type van een houtdrager, en toch overvalt mij met tussenpozen van, zeg een jaar, de onweerstaan-
bare aandrift om over te gaan op eenvoudig handwerk. Ik wil dan iets schilderen, behangen dan wel bijpleisteren, of liever nog met de elektrische boor gaten aanbrengen in een betonnen muur, zonder duidelijke bedoeling desnoods, maar anders om ze later weer dicht te plamuren, ofwel om er een plug in te steken die een schroef omhelst waaraan je dan naderhand weer een schilderij of één haak van een boekenrekje kunt bevestigen. Het is een hoezalig-glijdt-de-werkmanskiel-aanvechting die meer schijnt voor te komen bij hoofdarbeiders, en die wat mij betreft zelden meer dan een paar dagen duurt (zodat mijn huis vervuld is van gaten, half geverfde deurposten en scheefhangende boekenplanken) en waarbij ik in ieder geval nooit en te nimmer een fotograaf zou toelaten.
Nu zal de knutselbehoefte zonder enige twijfel ook bij Bas een rol spelen, maar ik heb, nog afgezien van de publiciteit voor zijn bouwvakkersol, het gevoel dat zijn nederig werk de pretentie heeft nog een ander doel te dienen. Het doel namelijk om via het torsen van stevige stukken hout en, wie weet, ook af en toe een zware mortelbak, dichter te komen bij de arbeidersbevolking en daardoor een beter inzicht te krijgen in haar leefwereld.
Die ambitie leeft volgens mij sterk bij erudiete radicalen, vooral als ze van christelijken huize zijn en dus ontvankelijker voor allerlei schuldbesef dan iemand die god noch gebod met de paplepel heeft ingekregen.
De vraag is dan wèl of Bas aan een week genoeg heeft om zich député-ouvrier te mogen noemen - de vraag is zelfs of hij het brevet in een maand, een jaar of een decennium zou kunnen halen, zolang hij de veilige zekerheid achter de hand houdt dat hij op elk door hem gekozen moment de spatel weer kan neerleggen om met een geruite jachtpet op terug te keren naar de Tweede Kamer of binnen de groene beslotenheid van zijn eigen grasgazon. De vraag is kortom of de pretentie stand houdt tegenover de realiteit, en of datgene wat de schijn heeft van een offer niet de werkelijkheid dekt van een luxe.
Het is geloof ik een oud theologisch probleem, maar die zie je wel vaker terug opduiken - zoals monnikspijen ineens de kleding kunnen worden van heidense maatschappijvernieuwers. Het is ook altijd zo dat Bas en de zijnen tijdens hun reces wèl de bouw in
gaan, maar loodgieters en metselaars gedurende hun vakantie zelden of nooit een tijdje fractievoorzitter worden om de leefwereld van de PPR nader te leren kennen.
Ik wou zeggen: het verschil tussen Bas die z'n handen gebruikt en u die een schrootjeswand in uw slaapkamer timmert is maar klein. Het scheelt één foto in de krant.