Ik kijk naar wéér een boosaardige cartoon over de profijttrekker Van Doorn, die, na ons Veronica te hebben ontstolen, nu ook nog het entreebiljet voor musea onevenredig hoog wil belasten - en vraag me af: heb ik daar eigenlijk een standpunt over?
Nou nee.
Wel denk ik te vermoeden dat er, globaal gesproken, twee opvattingen heersen over de relatie tussen kunst en geld, kunst en publiek, kunst en samenleving.
De eerste opvatting, meestal de ‘kapitalistische’ genoemd, gaat uit van de gedachte dat een boek, een schilderij, een film of een theatervoorstelling consumptie-artikelen zijn die niet in het licht van een principieel ander marktmechanisme mogen worden gezien dan een jurk, een auto, een brood of een tube tandpasta. Er is voor geproduceerd, er is mankracht en geld in geïnvesteerd, en als het goed is kan er winst op worden gemaakt.
Het begrip goed wordt in dit verband gewoonlijk heel helder en concreet gedefinieerd: het is goed als de mensen het willen hebben. Fabriceer ik de glimmendste, snelste, degelijkste en veiligste fiets van de wereld, maar geen hond wil 'm kopen - dan is-ie niet goed. Er schijnt daarentegen zeer goede kunst te bestaan: voor een beetje Rembrandt of Rubens tel je gauw zes ton neer, sommige films brengen 20 miljoen op, en sinds hij rooms is geworden wil iedereen de boeken van Reve hebben.
In dit gesloten denk-circuit zou waarschijnlijk zonder veel moeite kunnen worden uitgerekend dat alleen al het betreden van een museum dat volhangt met Van Goghs of Picasso's bijna onbetaalbaar is, en dat Van Doorn de prijs zou moeten verhogen tot minstens f 500,- per persoon.
Ben ik tot zover duidelijk?
Mooi.
De tweede opvatting lijkt volstrekt tegengesteld aan de eerste, dat wil zeggen ze lijkt voort te komen uit de louter ideële veronderstelling dat kunst sowieso goed is voor mensen, daarom binnen het bereik van iedereen moet liggen en dus voor een grijpstuiver beschikbaar dient te zijn. Ofschoon de ‘intrinsieke’ goedheid van kunst tot dusver minder overtuigend is bewezen dan bijvoorbeeld
de intrinsieke slechtheid van sigaretten (die niet 50, maar slechts 14 percent duurder worden), blijft menigeen toch geloven in de genezende, kalmerende, spierpijnverjagende, vormende, opvoedende of zelfs wereldverbeterende krachten die in de kunst zouden schuilen.
Als veel religies gaat ook deze gepaard met een sterke zendelingendrang: men wil de kunst naar de mensen brengen, en als dat niet lukt de mensen desnoods naar de kunst slepen om de bekering (in kringen van muzische vorming spreekt men meestal van ‘integratie’) maar tot stand te brengen. Er wordt geduldig en langdurig aan gewerkt: zoals negers ooit van tastbare kralen via dubbelzinnige spiegeltjes naar de abstractie van het christelijk lijden zijn gevoerd, wil men cultuurheidenen van Daar was Laatst een Meisje Loos tot aan Peter Schat brengen - en gedreven paters als Henk de By en Pierre Jansen, of uit de Orde der Openbaar Kunstbezitters, trekken er jaren voor uit om met de hulp van de allermodernste middelen hun Zin te krijgen.
Het ligt voor de hand dat zij die deze tweede opvatting over de relatie tussen kunst en publiek huldigen, in het geweer komen tegen de kapitalistische prijsmaatregel van een minister die er aanvankelijk zo ideëel uitzag.
Wat zouden de katholieken niet raar opkijken als de paus morgen besloot zijn steun aan de missie met de helft in te krimpen!
P.S. Nou heb ik natuurlijk nog geen standpunt. Maar ik ga er even over nadenken. Goed?