Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 1


auteur: P.J. Blok


bron: P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1923 (derde, herziene druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 45]

Boek II
Het Frankische tijdperk

[p. 47]

Hoofdstuk I
Franken, Saksen en Friezen

Van de namen der talrijke groote en kleine stammen in de landen aan Schelde, Maas, Rijn en Eems zijn de meeste verdwenen, zoo niet spoorloos - in plaatsnamen vinden wij dikwijls een herinnering aan hun vroeger bestaan - dan toch voorgoed. Alleen de naam der Friezen bleef tot op onzen tijd leven. Het is evenwel waarschijnlijk, dat ook deze een andere beteekenis heeft verkregen en dat onder dien naam oudtijds ook kleinere stammen aan de kusten der Noordzee zich verborgen; met andere woorden, dat ook de naam der Friezen een verzamelnaam voor een aantal kleinere volkjes, Sturiërs enz., geworden is: reeds de Romeinen spreken van Frisii majores en minores, van Frisii en Frisiavones. Van de Franken en Saksen weten wij dit zeker. De namen Frank en Saks1) zijn zonder twijfel algemeene namen voor groote volksbonden in noordwestelijk Germanië; daarin verdwijnen die der afzonderlijke stammen bijna geheel.

Niet meer tegengehouden door de zwakke bezettingen der romeinsche vestingen aan den Rijn, drongen de Franken de provinciën Germania en Gallia Belgica binnen en maakten zich met toestemming der Romeinen van deze landstreken meester. Niet, gelijk vroeger de Bataven, als bondgenooten, maar als beschermelingen - die hun ‘beschermer’ zelf moesten verdedigen - traden thans de Franken op in den romeinschen staat, schaduw van het machtige wereldrijk. Zij leverden troepen voor de verdediging der rijksgrenzen en verkregen daarvoor de vergunning binnen die rijksgrenzen te wonen onder hun eigen bestuur2), hun eigen koningen. Men vindt ze ook in de keizerlijke lijfwacht. Weldra beheerschen zij feitelijk den beschermer. Reeds in de vierde eeuw hooren wij van den Frank Merobaudes en zijn stamgenoot Arbogast, die de eigenlijke beheerschers van het Westen zijn, immers keizers op den troon verheffen en keizers dooden. In de vijfde eeuw dringen zij de Romeinen in Gallië meer en meer terug, als vanouds de germaansche stammen, geleid door hunne koningen, aanvoerders van een of meer gouwen in den strijd. De frankische legervorsten zijn de gevreesde vijanden der romeinsche stadhouders, die hen en hunne benden voor grof geld afkoopen of hun zekere landstreken ter besturing of ter verdediging opdragen. Niet de nog vrij wel

[p. 48]

ondoordringbare wouden der ‘silva carbonaria’ in Luik en Henegouwen, maar het welvarende vlakke land van Vlaanderen wees dezen vorsten een gemakkelijk te volgen weg1). Onder die koningen noemt de oude geschiedschrijver der Franken, Gregorius van Tours, Chlogio, die zijn zetel had in Dispargum2) en van daar uit het nog romeinsche Tornacum (Doornik) benevens het land aan de Somme bemachtigde, gelijk andere koningen Cameracum (Kamerijk) en de latere steden Atrecht en Térouanne. Omstreeks het midden der vijfde eeuw was Merovech (lat., Meroveus) koning der frankische scharen, die hij, in verbond met de Romeinen en Westgothen, tegen de ook door onze streken tot in Gallië doorgedrongen Hunnen aanvoerde in den grooten volkenslag op de Catalaunische velden, waardoor Gallië bevrijd werd van het gevaar, dat zijn bestaan dreigde van de zijde dezer nog wilder barbaren uit het Oosten. De roemrijke Merovech gaf zijn naam aan het geslacht, dat op het einde der eeuw over de voornaamste gouwen der Salische Franken regeerde.

Duister is het lot van West-Europa, van onze gewesten in het bijzonder, in de ongelukseeuw, waarin het oude Rome eindelijk ophield de beheerscheres van het Westen te zijn. Geen geschiedschrijver verhaalt ons, hoe de veroverende Frank den overwonnen landzaat behandelde; geen gedenkteeken herinnert aan den overwinnaar noch aan zijn slachtoffer; alleen sporen van brand en plundering spreken van het nameloos wee, in die eeuw van verwarring en vernieling onder de bewoners der door de Franken veroverde landen geleden. Eerst op het einde der vijfde eeuw staat onder de Franken koning Chlodovech (Lodewijk) of Clovis (481-511), zooals de gallische Romein hem in het Latijn noemt, als de stichter van het groote frankische rijk voor onze oogen.

Wild en woest treedt hij op aan het hoofd zijner ruwe krijgers, de groote Frankenkoning, overwinnaar van Alemannen en Bourgondiërs. Zijn vader Childerich, die nog te Tornacum woonde, was, gelijk zijn voorzaten, met de Romeinen verbonden geweest, ja, hun ‘magister militum’, hun legeraanvoerder in Noord-Gallië en de verdediger van hunne noordelijke grens, die toen tot achter de Somme ingekrompen was, zoodat het salische gebied erbuiten viel. Childerich liet zijn zoon een sterk ontwikkelde koninklijke macht na, in den loop eener eeuw meer en meer boven die der oude germaansche volkskoningen verheven. Clovis maakte gebruik van die op een sterk volksleger berustende macht. Hij vernietigde het laatste spoor der verzwakte romeinsche heerschappij in Gallië, waar in het Noorden nog een romeinsche veldheer zich een onafhankelijk rijk had gesticht en aan zijn zoon Syagrius had nagelaten, die heerschte van de Loire tot de Somme. Gelijk de Romeinen bij Soissons, de Alemannen in de Rijnstreek bij Zülpich, zoo leden de Westgothen over de Loire bij Vouglé tegenover Clovis de nederlaag. De veraf wonende Thüringers, in het Oosten aan Elbe en Neckar, werden van hem afhankelijk. Weldra heerschte hij in plaats van over eenige gouwen in Noord-Gallië, zooals zijn vader, over een rijk, dat zich van Bretagne tot Wezer en Lech, van de oevers van Loire, Rhône en Donau tot de monden van den Rijn uitstrekte. Het oud-gallische Parijs werd zijn hoofdstad.

Zijn overgang tot het Christendom te Rheims in 496, onder invloed van zijn katholieke bourgondische gemalin Chrodichildis (Clotildis) en den heiligen bisschop Remigius, was een daad van groote beteekenis voor de toekomst van West-

[p. 49]

Europa. Doch zijn bekeering door den kerkvorst van Rheims maakte nog geen pionnier der beschaving van den woesten krijgsman, die wel ‘aanbad, wat hij had verbrand, en verbrandde, wat hij had aangebeden’ maar geen bedrog, geen moord ontzag om zich te ontslaan van de kleinere koningen der Franken, die de alleenheerschappij van zijn geslacht schenen te bedreigen. Hij was een alleenheerscher, veel meer dan de romeinsche keizers van den laatsten tijd, de schepper eener monarchie. Romeinen en Franken waren hem gelijkelijk onderdanig. Van hem ging alle bestuur, alle recht uit. Zijn ambtenaren bestuurden, de overal nog wel bestaande gedeeltelijke zelfregering vernietigend. Bij zijn dood in 511 liet hij zijn zonen onbetwiste erfgenamen van het groote door hem gestichte Frankenrijk. Zijn dood was echter het begin van een hevige crisis in zijn pas gevormd machtig koninkrijk, door den romeinschen keizer van het Oosten min of meer als wettig erkend, toen deze aan Clovis het ‘honoraire consulaat’ toekende.

Een van Clovis' zonen, Chlotachar (Lotharius) I, werd de beheerscher van het noordelijkste deel van Gallië, tusschen Rijn, Maas en Seine en de Noordzee; de oostelijker streken vielen aan den oudsten zoon, Theodorich I, ten deel. Na lange, bloedige twisten in het vorstenhuis vereenigde Chlotachar, die zijn neven had laten dooden gelijk Clovis eenmaal de zijne, weder het geheele Frankenrijk onder zijn scepter. Maar ook hij had vier zonen, die na zijn dood volgens de gewoonte der Franken de vaderlijke erfenis deelden zonder evenwel het begrip van den innerlijken samenhang des rijks te laten vervallen (561).

In de geschiedenis van den dan volgenden grooten strijd om het Frankenrijk in de tweede helft der zesde eeuw staan met zwarte kool geboekt de namen van Brunichildis (Brunhilde), de vrouw van koning Sigebert van het oostelijke Austrasië, en Fredegundis (Fredegonde), eerst bijzit, later vrouw van koning Chilperich van het westelijke Neustrië; haar tijdgenoot Gregorius van Tours heeft ons het vreeselijke verhaal van hare bloedige misdaden nagelaten, misdaden, die bijna het geheele koningshuis verdelgden, totdat de tweede Chlotachar in 613 alleen overgebleven was uit de groote slachting. Een eeuw van moord en doodslag, van woesten onderlingen krijg, was over een groot deel van onze streken heengegaan, zonder dat wij iets noemenswaard van de bewoners zelf vernemen dan dat ook zij zwaar hebben geleden onder de verderfelijke twisten in het koningshuis. En het voorbeeld der vorsten werd gevolgd door de edelen, standgenooten van den wilden Rauching, die zijn hoorigen levend begroef om hen te straffen voor een zonder zijn voorkennis gesloten huwelijk en andere beestachtige wreedheden pleegde1).

Met Chlotachar II en zijn zoon Dagobert wordt de toestand ten minste iets beter: het frankische Rijk der Merovingen is - behoudens enkele tijdelijke deelingen - sedert een onverdeelde monarchie, al bleef het rijk van Austrasië, in het algemeen tusschen Maas en Rijn gelegen2), zuiverder germaansch dan dat van Neustrië, tusschen Loire en Maas.

In die atmosfeer van list en bedrog, van verraad en broedermoord, van misdaad en wellust, door Gregorius van Tours zoo aangrijpend geschilderd, is de bloem van het Christendom ten onzent ontloken.

De wilde Frank, ‘gens Francorum aspera’, had in Midden-Gallië de gallisch-romeinsche beschaving niet geheel vernietigd gevonden, hoewel daar vóór hem reeds in de vijfde eeuw zijn germaansche neven, West-

[p. 50]

gothen en Bourgondiërs, waren binnengedrongen. Die beschaving had zich vooral onder de hoogere klassen der bevolking in zekere mate weten te handhaven. Sommige frankische koningen hadden getracht de beschaafde romeinsche elementen voor ondergang te bewaren, ja aan hunne hoven met hulp dier elementen nieuwe middelpunten van beschaving te scheppen. Elegante dichters als Venantius Fortunatus leefden aan het hof van koningin Brunichildis; koningen als Chilperich beoefenden kunst en wetenschap met goed gevolg; tal van afstammelingen der beschaafde gallisch-romeinsche bevolking bekleedden bij de Franken hooge waardigheden in de Kerk, in het burgerlijk bestuur. Den Franken zelven bleef voornamelijk de krijgsdienst voorbehouden, terwijl de gezeten bevolking, vooral in de steden, zich onder hunne soms twijfelachtige bescherming bleef wijden aan de werken des vredes, aan handel en bedrijf. Niettegenstaande - gedeeltelijk misschien juist ten gevolge van - de wilde oorlogen tusschen de verschillende deelen des rijks nam de bevolking dier oude steden toe in aantal en in welvaart. De tijdens de invallen der Germanen verwoeste plaatsen in het Noorden werden herbouwd en schonken veilige toevlucht aan den koopman, aan den op zijn hoeve aan iederen rooversaanval blootgestelden boer. Weldra zag men overal in het Frankenrijk vermenging tusschen de beide elementen, het overwinnende germaansche en het overwonnen gallisch-romeinsche. In het eigenlijke Gallië ontstond een nieuw volk uit de vereeniging van beiden, terwijl in de noordelijker streken, aan de monden der rivieren, het germaansche element het overschot der romeinsch-gallische bewoners, door de langdurige germaansche invallen grootendeels vernietigd, in zich deed opgaan. Ook in dezen tijd stond in de streken van het frankische rijk, die eenmaal de Nederlanden zouden heeten, de beschaving vrij wat beneden die in de zuidelijker gelegen gouwen van het latere Frankrijk.

Op de vermenging der beide volkeren - Gallo-Romeinen en Franken - heeft vooral het Christendom, sedert Clovis aan beiden gemeen, grooten invloed gehad. Het heeft zich nu eens meer, dan eens minder in den steun der christelijke frankische vorsten mogen verheugen. Onder die vorsten, thans ware koningen geworden, veel machtiger dan Rome's heerschers, dan Gallië's praefecten, wier inrichtingen zij anders in vele opzichten overnamen1), waren er, die de bischoppen en priesters van den nieuwen godsdienst eerden; maar er waren er ook, die de aangroeiende macht van de Kerk met leede oogen aanzagen. Er waren er, die de oude: heidensche gebruiken krachtig bestreden; maar er waren er ook, die dat niet waagden tegenover de talrijke aanhangers, die het aloude heidendom nog onder de Franken en andere stammen telde. Vooral onder de Franken in het Noorden en Noord-Oosten, in de onbeschaafde streken van noordelijk Neustrië en van Austrasië, hadden Wodan en Thor, Freya en Holda nog een menigte innige vereerders, die eerst langzamerhand het voorbeeld der bekeering, hun door hunne aanvoerders gegeven, volgden. De Christenzendelingen - deels zelf Franken, deels uit het hartstochtelijk christelijke Ierland overgestoken kloosterlingen - vonden in het vroegere Belgica en in Germanië een ruim veld van werkzaamheid en werden door de frankische koningen krachtig gesteund.

Die koningen zagen in, dat mèt de invoering van het Christendom ook

[p. 51]

hunne eigen macht werd versterkt in de onbeschaafde streken van het Noorden, waar hunne stamgenooten grensden aan de nog bijna geheel onafhankelijke volkeren van Germanië, namelijk aan de Friezen en de Saksen.

Deze beide volkstammen zijn in den ouden tijd in de berichten der geschiedschrijvers even moeilijk van elkander te scheiden als later de Denen en Noren. Hunne namen komen naast elkander, soms door elkander voor; dezelfde streken worden tot hun gebied gerekend. Zij zijn de bevaarders, de zeeroovers meestal, van de Noordzee.

Reeds in de derde eeuw heeten de Saksen aan de Boven-Eems gevestigd. Hun naam, oorspronkelijk slechts aan een stam bij de Elbe toekomend, was toen waarschijnlijk reeds de algemeene naam geworden voor de noord-germaansche stammen tusschen Eems en Elbe. Zij grensden westelijk aan de frankische volkeren en kwamen weldra met hen in strijd. Reeds in de geschiedenis van Childerich, Chlodwig's vader, wordt gesproken van een verwoesting der ‘insulae Saxonum’, de oostelijke eilanden aan de Noordzeekust1): Theodorich, Chlodwig's zoon, streed er met de toen reeds verwoestende plundertochten op die kust wagende Denen en Noormannen. Chlotachar I en zijn opvolgers hadden met de Saksen en Friezen menigen moeilijken kamp te doorstaan. Vooral Chilperich II, ‘de schrik der Friezen en Sueven’, zooals Venantius Fortunatus hem noemt, heeft tegen hen geoorloogd.

Naast de Saksen worden altijd de Friezen vermeld, ongetwijfeld nog de bewoners onzer zeekusten, die in het begin der zevende eeuw zeker tot aan de Rijnmonden woonden, in dezelfde landstreken, waar wij hen en de met hen verwante stammen reeds ten tijde der Romeinen vonden. Ook hun naam en hunne macht breidden zich uit over den Rijn en verder langs de zeekust, zoodat wij sporen hunner taal en van hun volkstype tot in Vlaanderen terugvinden.

Friezen en Saksen schijnen tegenover de machtige naburen met elkander te land en ter zee hunne onafhankelijkheid verdedigd te hebben, gelijk zij in die eeuwen, zeker in de vijfde, min of meer naast elkander optreden als veroveraars van Brittannië, waar sinds het vertrek der Romeinen de verwarring even groot geworden was als op het vasteland. Namen van steden en dorpen, van personen in het oude Engeland herinneren levendig aan bekende plaatsen en personen op de kusten van noordelijk Duitschland, van den Rijn tot de Elbe. Er is ook in de gelijktijdige en latere berichten, in de overblijfselen van vaatwerk aanleiding genoeg om aan te nemen, dat de verbonden Angelen en Saksen van het eiland der Bataven uit hunne ondernemingen tegen Brittannië hebben gedaan2). De friesche en de angelsaksische taal vertoonen zooveel overeenstemming, dat men kan spreken van een engelsch-frieschen taaltak3). Friezen en Saksen samen komen naast de Denen voor als de volkeren, die de Noordzee bevaren, de laatsten, evenals zij reeds omstreeks 500 als vermetele zeeroovers bekend, die ook reeds verder dan aan de kusten buit zochten4). Bekend is de inval der Denen onder hunnen aanvoerder Chochilaich (515), vermeld bij Gregorius van Tours, tot in het land der Attuariërs (om Kleef), en op naam van Hygelac in de Beowulf-sage opgenomen.

Met het optreden van Chlotachar II en Dagobert I was de eenheid van

[p. 52]

het Frankenrijk hersteld en kon er ook met meer kracht tegen de Friezen en Saksen worden opgetreden. Tot aan de Wezer zijn de legers van deze koningen doorgedrongen, overal plunderend en verwoestend en schrik verspreidend onder de Saksen, wier liederen van deze tochten spreken. In dien strijd is ook de kennis van het Christendom in de noordelijke streken van Belgica, de zuidelijke van de latere Nederlanden, uitgebreid, ja over den Rijn de nieuwe godsdienst gepredikt.

Wordt omstreeks 400 reeds melding gemaakt van de prediking van St. Victricius onder de Nerviërs en Morinen, omstreeks 500 van die van St. Vaast als bisschop bij de Atrebates (om Atrecht), van St. Eleutherius te Doornik, van St. Antimond te Térouanne - meer weten wij van de prediking in iets noordelijker streken in een latere eeuw1).

De vurige Amandus heeft tegen het midden der zevende eeuw onder de Friezen aan de Schelde, waar Gandavum (Gent) de hoofdzetel van het heidendom was, onder groote gevaren, dikwijls mishandeld, ja eenmaal in de Schelde geworpen, het Evangelie verkondigd. Later heeft hij het bisdom Tongeren bestuurd. Gesteund door koning Dagobert (628-639) heeft hij Gent tot punt van uitgang gekozen bij zijn prediking in noordelijk Vlaanderen, waar hij de altaren der goden heeft vernield en hunne beelden heeft omgeworpen. Naast hem stonden mannen als St. Bavo en Florbertus. Later kwamen predikers als de legendarische St. Lieven, die bij Oudenaarde en Aalst heet gearbeid te hebben en er volgens de legende in 655 den marteldood vond; als de heilige Eligius (St. Eloy), bisschop van Noyon, welks diocees zich oudtijds over geheel Vlaanderen uitstrekte. Eligius, de vroegere goudsmid en zoo in de Middeleeuwen de patroon van zijn gild, predikte onder de ‘barbaren aan de zeekust’, Friezen en Sueven (Zeeuwen?), totnogtoe ‘niet door het ploegijzer van de evangelieverkondiging bereikt’2), vermoedelijk in het tegenwoordige Vlaanderen en Zeeland. Hij riep de heidenen op om hunne oude goden - Neptunus, Diana, Jupiter, Minerva, heeten zij in de latijnsche bronnen - te verloochenen, de heidensche feesten na te laten, de runentooverij, het maken van tooverdranken, het dragen van amuletten, de vrees voor den invloed van zon en maan op het menschenlot, op te geven. De legendarisch opgesierde levensbeschrijvingen dezer heilige mannen spreken van geloofsmoed, van zelfopoffering, van ijverige werkzaamheid te midden eener ruwe bevolking, in bosch- en moerasachtige streken gevestigd. Zoo treden ook de heilige Gertrudis in Brabant, St. Remaclus in Stablo en Malmédy, de heiligen Monulfus, Amandus, Lambertus en Hubertus in Maastricht, Luik en het Luxemburgsche op - Lambertus lange jaren bisschop in de eerste stad, waar hij geboren was; Hubertus zijn opvolger te Luik (708), waar Monulfus omstreeks 600 een kapel had gebouwd. Overal werden ook benedictijner kloosters gesticht: bij Gent die van St. Bavo en St. Pieter, te Nyvel dat van St. Geertrui, in het Luiksche die van Stablo en Malmédy, seminariën als het ware voor de vorming van nieuwe evangeliepredikers, die het werk hunner voorgangers zouden voortzetten.

De bisdommen vormden zich, naarmate de bekeering in de gouwen voortschreed3). Zij werden begrensd door de oude grenzen der gallisch-romeinsche ‘civitates’. Kamerijk werd de zetel van een bisdom, dat zich uitstrekte over den omtrek dier stad, een deel van Henegouwen en Namen,

[p. 53]

Brabant links van de Dyle, Vlaanderen rechts van de Schelde en het westelijk deel van Antwerpen; het land der oude Nerviërs was het hoofdgebied van deze diocees, hoofdzakelijk tusschen Schelde en Dyle gelegen. Doornik werd het middelpunt van een bisdom, dat het grootste deel van westelijk Vlaanderen, het oude land der Menapiërs, omvatte, tusschen de Schelde en de zee. Atrecht werd de geestelijke hoofdstad van het grootste deel der oude atrebatische landen; Térouanne die van het oude land der Morini, tot bij Veurne en IJperen. Het grootste bisdom in het Zuiden was dat van Luik, eerst te Tongeren, later te Maastricht, eerst sedert 708 voorgoed te Luik gevestigd; het omvatte, behalve het oostelijk deel van het tegenwoordige België, ook oostelijk Brabant, Nederlandsch-Limburg en een klein deel der Rijnprovincie in den omtrek van Aken - eigenlijk het gansche oude land der Tungri1).

Op te merken valt nog, dat de later als Luxemburg bekende streken blijkbaar van verschillende aangrenzende bisdommen uit bekeerd zijn. Behalve Luik hadden Trier, Rheims, Keulen, Metz, Toul en Verdun er later allen bisschoppelijke rechten; verreweg het aanzienlijkste deel behoorde hier bij het aartsbisdom Trier. Het aartsbisdom Keulen omvatte ook Nijmegen en het land tusschen Maas en Waal. Térouanne, Doornik, Atrecht en Kamerijk behoorden onder het aartsbisdom Rheims; Luik en het weldra ontstaande bisdom Utrecht, benevens de latere bisdommen Munster en Osnabrück, onder het aartsbisdom Keulen. Zoo valt reeds te getuigen van een sterke, van het geromaniseerde Gallië uitgaande werkzaamheid op geestelijk gebied, die met name in de zuidelijke gewesten krachtigen invloed op de beschaving der inboorlingen moet gehad hebben2), terwijl het Noorden nog de germaansche goden van den voortijd aanhing, nog weinig door de christelijke denkbeelden was aangeraakt. Maar ook hier zouden deze doordringen.

 

In het begin der 7de eeuw werden de eerste krachtige pogingen gedaan om onder de noordelijke Friezen het Christendom ingang te doen vinden. Trajectum, romeinsche vestiging vermoedelijk uit de 4de eeuw, thans de noordelijkste punt van het Frankenrijk, werd met een klein kerkje, reeds bestaande tijdens de austrasische koningen (595-623) Chlotachar II en Theodebert II, door Dagobert I omstreeks 630 afgestaan aan den bisschop van Keulen, waar sedert het begin der 6de eeuw de nieuwe godsdienst gezegevierd had3). Deze aan St. Maarten gewijde kerk of kapel was door de woeste Friezen met het kasteel Trajectum veroverd en vernield; het bekeeringswerk werd er sedert door den keulschen kerkvorst niet ernstig meer opgevat. Toch predikten onder de Friezen en hunne naburen zendelingen als St. Amand en St. Eligius, Columbanus en Weranfried en streden er tegen de heidensche gebruiken met meer of minder succes. Eerst in het gevolg echter der karolingische legers zou het Christendom onder de Friezen en Saksen werkelijk gevestigd worden.

Onder Chlotachar II en Dagobert I kwam namelijk het geslacht der Pippijnen, later Arnolfingen, nog later Karolingen genoemd, zeer op den voorgrond. Pippijn (van Landen) bekleedde onder den laatste in Austrasië - het land ongeveer van Rheims over Maas en Rijn tot de

[p. 54]

Wezer - het belangrijke ambt van ‘majordomus’, hofmeier, oorspronkelijk hoofd der hofhouding, later hoofd der ambtenaren van het rijk en leider der rijkszaken onder den Koning. Machtig door rijke goederen aan Maas en Moezel, de aanzienlijkste onder den frankischen adel in Austrasië, was Pippijn, feitelijk onderkoning in dit gedeelte, tot zijn dood in 639 toe machtiger dan eenig hofmeier in dit of in een der andere deelen des rijks ooit geweest was. Zijn eigen geslacht verloor wel door den moord op zijn zoon Grimoald in 656 de hooge positie, die het zich had verworven, maar Pippijn's kleinzoon, de Middelste, de zoon zijner dochter, der heilige Begga - naar hem genoemd en in onzen tijd als Pippijn van Herstal1) van hem onderscheiden - wist zich weder te verheffen en in 687 door den slag bij Testri (in de nabijheid van St. Quentin) zijn vijanden geheel te overwinnen. Hij, die door zijn vader afstamde van de machtige Arnolfingen, machtig vooral in de omgeving van Metz, waar zij omvangrijke bezittingen hadden, door zijn moeder tevens van Pippijn van Landen, zelf thans onbetwist hertog in Austrasië, was de eigenlijke koning in het Frankenrijk, want de koningen uit het merovingische huis waren reeds lang niet anders dan poppen in de handen hunner hofmeiers in de verschillende deelen des rijks, die met elkander om de eigenlijke heerschappij streden. Met krachtige hand leidde Pippijn het bestuur, wist den overmoedigen frankischen adel te bedwingen, de afhankelijke stammen in onderwerping te houden en de toen weder geheel onafhankelijke Saksen en Friezen tot vrede te noodzaken.

De strijd met de Friezen werd voornamelijk van den ouden burcht Trajectum uit gevoerd. Een hunner koningen, Adgild of Aldgisl2), had den Angelsaks Wilfried, bisschop van York, die door een storm naar de friesche kust was geslagen, vriendelijk opgenomen3) en hem zelfs vergund het Christendom in zijn rijk te prediken. Adgild schijnt over het algemeen de oppermacht der Franken erkend te hebben en koning Dagobert II (675) als zijn opperheer te hebben beschouwd. Maar na hem trad Redbad of Radbod op, den Franken en het Christendom vijandig, ‘Goeds viant’, zooals Melis Stoke hem later noemt4). Deze verdreef de christelijke priesters en viel op de frankische grensvestingen aan. Hij drong zelfs over den Rijn in het frankische gebied maar zag zich weldra genoodzaakt zich aan den gevreesden Pippijn te onderwerpen (689) en hem ‘Fresia citerior’, d.i. Friesland links van den Rijn, af te staan, zoodat het ‘Almeri’ de grens werd tusschen frankisch en friesch gebied5), welk laatste in dezen tijd nog steeds geldt als een echt waterland. Maar de onbuigzame Fries was nog niet voor goed geslagen. Andermaal stond hij op, doch Pippijn sloeg hem opnieuw bij Dorestad (Duurstede), toen mèt het oude Trajectum wellicht hoofdvesting tegen de Friezen, en onderwierp hem. Radbod's dochter trad met Pippijn's zoon Grimoald in het huwelijk en de beide geslachten werden op die wijze verbonden. Grimoald echter werd weldra te Luik door een Fries vermoord en van de verwarring in het Frankenrijk bij den dood van den gevreesden majordomus Pippijn (714) maakte Radbod weder gebruik om het frankische juk af te werpen.

[p. 55]

De jonge kleinzoon van Pippijn, die onder voogdij zijner moeder de heerschappij erfde, scheen voor Radbod geen tegenpartij van beteekenis. De Fries verbond zich met een partij onder den frankischen adel, die de machtige Arnolfingen ten val wilde brengen, veroverde Trajectum en Dorestad weder en drong daarna met zijn schepen door tot bij Keulen, waar hij Pippijn's onechten zoon, den krachtigen Karel, toen als het hoofd van het gehate geslacht beschouwd, versloeg. Het Christendom werd aan den Rijn weder ernstig bedreigd; de kerken en kerkjes, die er reeds bestonden, werden vernield.

Maar in Karel, onder zijn bijnaam ‘Martel’ bekend, hadden de Arnolfingen een krachtigen leider ontvangen. Het gelukte dezen voortreffelijken leidsman zijn vijanden in het rijk te verslaan en weldra ook Radbod tot vrede en onderwerping te brengen. De beslissende strijd is weder aan den Rijn bij Trajectum gestreden. De ‘onbekeerlijke’ Radbod stierf in 719 maar ook zijn opvolgers maakten het Karel Martel, thans erkend erfgenaam zijns vaders, nog meermalen lastig. Doch de overwinnaar der Arabieren bedwong ook de Friezen: zijn roemrijke zege over den Friezenhertog Bubo of Bobbo (Poppo) aan de Burdo of Bordena1), waarheen hij met vloot en leger was getrokken, verzekerde tijdelijk de rust in het Noorden (734).

Nog herhaaldelijk hebben Friezen en Franken met elkander gestreden2). Onder Pippijn (den Korte), den eersten koning uit het karolingische huis, die den laatsten merovingischen schijnvorst op zijde zette (751), later onder den grooten Karel zelf, hebben de Friezen de vaan van den opstand geheven. Geleid door den tweeden Radbod, wederom een machtig en energiek vijand der Franken, hebben deelen van hun stam telkens weder zich aangesloten bij den saksischen hertog Wittuchint, den felsten vijand der Franken, maar ten slotte is ook hunne onderwerping gevolgd. Karel de Groote, koning der Franken, heeft ook Friesland ten slotte als andere deelen van zijn rijk beheerscht; ook in de friesche overlevering neemt hij een belangrijke plaats in.

Met de onderwerping aan de Franken ging de uitbreiding van het Christendom hand aan hand. Frankische, angelsaksische, iersche geloofspredikers verschenen in het gevolg van de frankische legers en wonnen steeds meerdere Friezen voor den godsdienst der liefde, hun tegenzin inboezemend voor de oude goden zonder hen te willen overhalen geheel van hunne oude gebruiken en gewoonten af te zien. Het Christendom immers nam van de heidenen vele vormen over, en niet alleen vormen maar ook geest. Wat de angelsaksische priesters den Friezen leerden, was echter veel reiner dan wat deze overnamen. Het Christendom werd ruwer, platter, barbaarscher, bijgelooviger van opvatting, onder de germaansche bekeerden3). De oude ceremoniën werden voor een deel behouden, de nieuwe heiligen waren in de oogen der jongbekeerden de overwinnaars der thans tot duivels verlaagde oude goden. Men eerde deze laatsten wel niet meer, maar op hunne overoude feestdagen herdacht men thans de heiligen van het Christendom, ja Christus zelven. Kwam men vroeger met zieke paarden tot de goden, thans vroeg men met dezelfde tooverspreuken Christus' hulp. Vroeg men eertijds genezing

[p. 56]

voor de wormziekte aan Wodan, thans deed men dit aan God1). Toch kostte de verdrijving der oude goden groote moeite, velen predikers zelfs het leven.

Die predikers waren talrijk. Op den bovengenoemden Wilfried volgt naar tijdsorde de edele Angelsaks Willibrord, diens geliefde leerling, uit Ierland in 692 naar Friesland gezonden om er met elf andere kloosterbroeders het Evangelie te prediken, dat in Brittannië reeds sedert Rome's tijd de zege had behaald over de leer der Druïden. Kort te voren had zijn stamgenoot, de strenge Wigbert, de zware taak onder de heidensche bewoners van Friesland moedeloos neergelegd. Willibrord nu wist zich de machtige vriendschap van Pippijn te verwerven en met diens steun begon hij in Friesland het bekeeringswerk. Hij deed dit echter niet dan nadat hij zich ook door den Paus onder den naam Clemens tot bisschop had laten wijden en zich de zending in deze streken had laten opdragen. Trajectum, thans weder Frankisch bezit, werd zijn punt van uitgang.

Hij bleek de rechte prediker voor de Friezen te zijn. Tal van heidenen bracht hij tot bekeering, vooral nadat hij, vermoedelijk 21 of 22 Nov. 695, op een nieuwe reis naar Rome tot aartsbisschop der Friezen was gewijd. Van Trajectum uit, waar Pippijn hem in zijn kasteel, ‘dat in het Latijn Trajectum, in de volkstaal Viltaburg heette’, zijn bisschopszetel aanwees2), zond hij andere bisschoppen naar de kusten van Noord- en Oostzee; zelf ondernam hij onophoudelijk reizen en stichtte alom kerken en kloosters. Te Trajectum bouwde hij, naast de ruïnen der oude kapel, de Salvatorskerk, later op de grondslagen zelve van het oude verwoeste heiligdom een kerk gewijd aan St. Maarten, den patroon van Gallië3). Is het wonder, dat tal van plaatsen in de Nederlanden, vooral in het latere Holland, zich beroemen de stichting harer heiligdommen aan hem, Willibrord (de naam Clemens is uit de overlevering verdwenen), te danken te hebben? Vlaardingen, Velzen, Petten, Heiloo, Kerkwerve op Schouwen of bij Leiden, Walcheren, Staats-Vlaanderen, Brabant, Emmerik, Susteren, Maaseijk spreken van door hem gestichte kerken of kloosters, van zijn wonderen, van het verblijf des grooten predikers in hunne omgeving. Zelfs het afgelegen Fosetiland ‘op de grenzen van Friezen en Denen’4), wellicht het eiland Helgoland, bezocht hij en slachtte er den heidenen ten spijt de heilige runderen van Foseti, gelijk hij op Walcheren5) een bekend beeld van Wodan vernielde. Ook tegen den Christenhater Radbod zelf durfde hij zijn stem verheffen, hoewel hij er niet in slaagde den vijand der Franken te bekeeren, nog minder diens gansche volk te winnen. Nog in 734 vernielde Karel Martel, die in 723 aan het bisdom de burchten Trecht en Vechten, oude vervallen romeinsche vestigingen, in eigendom schonk6), in Oostergoo tal van heidensche tempels. Hoogbejaard stierf Willibrord waarschijnlijk in 739, vermoedelijk in zijn geliefd klooster te Echternach in het Luxemburgsche, waar zijn lichaam begraven ligt.

[p. 57]

Hij was de stichter van het bisdom Utrecht, al bleef dit nog lang feitelijk slechts een zendingsbisdom onder de heidenen; hij was de eigenlijke ‘bekeerder’ der Friezen in ons land. Maar hij beperkte zijn werkzaamheid niet tot hen. Onder zijn leiding predikte Swidbert1) onder de Bructeren en aan den Rijn; Weranfried te Elst, in de ook toen reeds vrij sterk bevolkte Betuwe; wellicht Adelbert in Kennemerland, waar Egmond later zijn herinnering in menige legende bewaarde2); Wiro, Plechelmus en Otger vooral in het Oosten, aan de Maas en in Twente. Naast hen schijnt ook Wulfran, een Frank, in Friesland gepredikt te hebben. Wie kent niet het verhaal van diens gesprek met den koning der Friezen, Radbod zelven, die, op het punt in de doopvont te stappen, het verblijf bij zijn heidensche voorvaderen in de hel boven dat bij het ‘armzalige hoopje Christenen’ in den hemel verkoos? Gangulf en Wando worden genoemd als Wulfran's metgezellen in Friesland.

Maar beroemder dan die laatsten is de ‘apostel der Duitschers’, de groote Winfried, Angelsaks als Willibrord en de zijnen, wiens naam voor dien van Bonifacius werd verwisseld, toen hij het klooster betrad. Een kort bezoek van dezen prediker aan Trajectum in 716, juist toen Radbod de Franken uit die plaats had verjaagd, had weinig gevolg, maar na Radbod's dood keerde hij van een reis naar Rome door de oostelijke streken van het frankische rijk terug naar deze landen en predikte er op de grenzen der heidensche Friezen, toen in Kennemerland en in het Utrechtsche, drie jaren lang. Niet hier echter zou hij in de eerste plaats werkzaam zijn. Hij verliet weldra deze streken en vestigde zich als leider der zending in Duitschland in de zuidelijke en oostelijke landen van dat deel van het Frankenrijk. Het klooster te Fulda werd zijn geliefd verblijf, Mainz het middelpunt van zijn aartsbisdom. Hoofd der utrechtsche zending werd waarschijnlijk een door Bonifacius op verlangen van koning Karloman benoemde bisschop, al waren de toestanden op kerkelijk gebied daar toen nog weinig geregeld3). Er ontstond zelfs een hevige twist (omstreeks 750) tusschen den voor den utrechtschen bisschopszetel veel gevoelenden Bonifacius en den aartsbisschop van Keulen over de bevoegdheid van dezen laatste, die het utrechtsche bisdom in wording aan zich wilde trekken. Bonifacius beriep zich in een nog bewaarden brief tegenover den Keulenaar bij paus Stephanus III op Willibrord's zelfstandige, door paus Sergius bevestigde werkzaamheid binnen Trajectum, op diens herbouw van het oude, door Keulen zoo goed als verlaten kerkje4). De twist eindigde met de erkenning van den reeds door oude merovingische koningen met goederen en rechten beschonken bisschoppelijken stoel door paus Stephanus5). Op meer dan zeventigjarigen leeftijd begaf de grijsaard zich nog eenmaal zelf, als bisschop van Utrecht6) na den dood van den kort te voren benoemde, naar de toenmalige grenzen van het heidensche Friesland in het Noorden, waarheen een aantal van zijn uitstekendste helpers hem vergezelde. Daar predikte hij nog een paar maanden, tegengewerkt door den toenmaligen vorst der Friezen, Radbod II, totdat hij den dood vond, dien hij had verwacht, ja misschien in het binnenste zijns harten had gewenscht.

[p. 58]

Het geschiedde aldus. In den voorzomer1) van 754 kwam hij met zijn wijbisschop Eoba en anderen van Mainz uit langs den Rijn per schip naar het meer, dat de Friezen ‘Almeri’, het groote meer, noemden, stak het niet zonder gevaar over en landde bij de toen nog heidensche Friezen in het waterland. Onmiddellijk ving hij zijn arbeid in Westergoo aan. Kerken bouwend, predikend, de afgoden nederwerpend, bekeerde hij duizenden, mannen, vrouwen en kinderen. Zoo bereikte hij eindelijk den oever der Bordine, die Ooster- en Westergoo scheidde. Hij trok den stroom over en drong nog dieper door. Bij Dokkum zou hij den 5den Juni 754 de talrijke bekeerden bevestigen. Bij het aanbreken van den dag evenwel zag hij in plaats van de menigte der nieuwe Christenen vijandige scharen naderen, heidenen, die gewapend opkwamen om den prediker, bij wien zij aanzienlijke schatten onderstelden, en de zijnen te berooven. De edele grijsaard verbood zijn metgezellen de aanvallers gewapend te weerstaan, bijna juichend, zegt het bericht, dat eindelijk de lang verwachte dag van het martelaarschap voor hem gekomen was. Hij bemoedigde zijn vrienden en viel met hen onder de zwaarden der heidenen, die daarna zijn kamp plunderden en den buit verdeelden. Zelfs de boeken en de relikwiekasten werden weggesleept. Maar weldra ontstond er twist onder de roofzuchtige benden, opgewonden door den buitgemaakten wijn. Een hevig gevecht volgde. De overblijvenden maakten zich meester van de begeerde kisten, die evenwel niet het gezochte metaal maar boeken en papieren bleken te bevatten. Weldra verspreidde zich het noodlottige bericht. De christelijke Friezen kwamen in grooten getale op en doodden een menigte der heidenen, maar keerden weldra terug met het lijk van hun vereerden prediker, dat zij naar Utrecht brachten. Van daar werd het naar Fulda gevoerd, waar hij gewenscht had eenmaal te rusten.

Zijn lot schrikte de moedige zendelingen niet af. Zijn beminde leerling, de edele Frank Gregorius, abt van Willibrord's klooster te Utrecht, werd erfgenaam zijner taak en zette die voort in de streken bewesten de Lauwers. Twintig jaren lang bestuurde abt Gregorius, van Utrecht uit de functiën van een bisschop waarnemend zonder den titel, door den paus belast om ‘Gods woord te zaaien in Friesland’2), den zendingsarbeid als hoofd van het utrechtsche klooster en vormde daar een aantal leerlingen, wier namen in de bekeeringsgeschiedenis van ons volk luide klinken. De Angelsaksen Alubert, zijn wijbisschop, Liafwin (Lebuinus), Willehad en Marchelmus (Marcellinus) predikten onder de Saksen over de Lauwers en den IJsel. Liafwin stichtte er de kerken van Daventre (Deventer) en Huilpa (Wilp), bekeerde met den eerwaardigen Marchelmus de wilde bewoners der Veluwe3) en de oostelijker stammen. Willehad predikte eerst in Dokkum, later over de Lauwers en in Drente; hij werd de eerste bisschop van Bremen. Ook de beroemde Fries Liudger was leerling van Gregorius. Liudger, de eerste Fries, die in onze bekeeringshistorie optreedt, in Engeland voor het predikwerk opgeleid, begon in

[p. 59]

778 op last van Gregorius' neef en opvolger in het utrechtsche zendingshuis, Alberik, weldra tot bisschop van Utrecht gewijd, zijn arbeid in Deventer en vestigde zich later te Dokkum, overal in den omtrek de oude godentempels verwoestend en vernielend. De opstand der Saksen en Friezen onder Wittuchint stoorde hem een tijd lang in zijn arbeid, dien hij, na de onderwerping der oproerigen, met Karel's steun weder hervatte, eerst in de gouwen tusschen Lauwers en Eems, later in Westfalen en aan den IJsel. Zijn groote stichting was het klooster Werden aan de Roer. In 802 werd hij de eerste bisschop van Munster.

Dank zij het optreden van al deze geloofspredikers was omstreeks 800 zoo dit gedeelte van West-Europa voor het Christendom gewonnen. Naast de oudere bisdommen: Kamerijk, Doornik, Térouanne, Atrecht, Luik-Maastricht in het Zuiden, verhief zich toen in het Noorden Utrecht als het bisdom voor het grootste gedeelte van ons land. Onder Utrecht toch werden de kustlanden gerekend van het Sincfal (Zwin) tot de Lauwers, benevens de omgeving van het Almeri zuid en oostwaarts tot de Maas - die streken, welke door Willibrord en zijn opvolgers, van het zendingshuis te Utrecht uit, den zetel van ‘studie en christelijken omgang’, bekeerd waren. De vijf gouwen tusschen Lauwers en Eems bleven verbonden aan Munster, het bisdom van Liudger, haren door keizer Karel aangewezen bekeerder; tot 1559 hebben zij bij die diocees behoord. Westerwolde was het westelijkste deel van het bisdom Osnabrück, welks geestelijke rechten op deze streek in hun ontstaan niet meer kunnen worden nagegaan.

De ruwe bevolking, die ons in de levens der heilige predikers wordt geschetst, verkreeg een nieuw werkzaam element van beschaving in het Christendom, door den grooten koning der Franken, Karel den Groote, met kracht bevorderd en gehandhaafd.

 

De reeds genoemde levensbeschrijvingen der geloofspredikers zijn voor de kennis van de gesteldheid dezer streken van groot belang. Nergens wordt ons de friesche bevolking van dien tijd duidelijker geteekend dan in de levensbeschrijving van Liudger door zijn neef en lateren opvolger Altfried, tegen het midden der volgende eeuw bisschop van Munster1). Hij schildert ons het leven eener aanzienlijke friesche familie, een der eerste, die het Christendom aannamen en wier leden in hooge geestelijke ambten optraden. Hij verhaalt ons, hoe Liudger's voorzaat, de friesche edele Wurssing, tegen de vervolging van Radbod I bij de Franken veiligheid zocht en zich bekeerde, maar later in Friesland in eere werd hersteld en er met de zijnen het christelijk geloof steunde; hoe Liudger's moeder, Liafburg, door hare heidensche grootmoeder, in woede ontstoken over de geboorte van een meisje, bijna vermoord werd; hoe een buurvrouw het kind door list redde: zij gaf het namelijk honig, daar het gebruik der heidenen wilde, dat men een kind, dat iets gebruikt had, niet meer mocht dooden; hoe de buurvrouw het kind voedde door het melk te laten drinken uit een doorboorden hoorn. Hij zegt ons, hoe Liudger in de school van Gregorius opgroeide tot prediker; hoe hij te York bij den beroemden Alcuïn leerde.

Heidensche tempels, rijk aan oude godenbeelden, bedekten toen nog de landen der Friezen. Zij en de nog onbekeerde Saksen over den IJsel verwoestten meermalen de pas gebouwde houten kerkjes en vermoord-

[p. 60]

den de predikers. De IJsel in Saksenland, de Lauwers in Friesland golden toen (780) als de grenzen van het heidendom. Daar was het land, waar nog als vanouds de tempelschender naar de zee werd gevoerd om er op het vochtige zeezand zijn ooren te splijten, hem zijn mannelijkheid te ontnemen en hem vervolgens aan de beroofde en beleedigde goden te offeren1). Bij de heidensche Friezen te Helewyret2) vond Liudger den blinden Bernlef, den zanger der oude heldenliederen - der daden van Siegfried en Hagen, van de schoone Gudrun misschien - die deze na zijn bekeering met psalmen verwisselde. Hij vond er bloeiende dorpen als Werfhem en Wyscwyrd3) aan de ‘vriendelijke’ kust der Noordzee, niet meer de schaarsch bewoonde wildernis uit den romeinschen tijd, thans de zetel eener ruwe, maar welvarende bevolking, in welker dorpen kerken zich verhieven.

Anskar vertelt ons in het leven van Willehad4) van de bewoners van het friesche landschap Hugmerchi, het land ten oosten van de Lauwers, waar men over den prediker ‘het lot wierp’, d.i. door het werpen van dobbelsteenen uitmaakte, of hij door de Goden ter dood bestemd was of niet. Hij deelt ons mede, dat ook Drente toen nog bedekt was met heidensche tempels en offerplaatsen, welker vereerders den zendeling met knuppels en zwaarden te lijf gingen, toen hij het waagde de afgodenbeelden te vernielen. Willehad zelf spreekt bij zijn verhaal over den moord van Bonifacius5) van de toestanden om Dokkum, waar een roofzuchtige bevolking woonde te midden van een nog telkens bij vloed overstroomde waddenstreek, straks weder bij eb van water bevrijd, zoodat de kerk, ter eere van den vermoorden heilige opgericht, op een heuvel moest gebouwd worden, een wierde of terp, zooals er vanouds zoovelen in onze kustlanden werden opgeworpen.

Uit alles blijkt, dat de bevolking van het land ten noorden der Rijnmondingen toen nog ruw en onbeschaafd was, zoowel in de reeds christelijke als in de nog half heidensche streken. In plaatsen als Trajectum, gering van omvang ook toen nog6), en Dorestad moet daarentegen een zekere weelde hebben geheerscht binnen de houten of grootendeels uit hout opgebouwde huizen, gegroepeerd om de houten kerken, binnen en buiten de overoude versterkingen. Die weelde was het gevolg van den handel7) in friesch vee, friesche paarden, vlaamsche geweven mantels8) van witte, grijze of bonte kleur, zuidelijke wijnen, hout en granen van den Boven-Rijn. Dorestad, misschien ook Trajectum, waren plaatsen, waar munt werd geslagen. Elders pleiten belangrijke muntvondsten uit dien tijd, in Zeeland en Friesland, voor een levendig verkeer met Brittannië en sommige deelen van het rijk der Franken, met name met Vlaanderen. Friesche kooplieden vertoonden zich in het midden

[p. 61]

der 8ste eeuw op de markten van St. Denis, middelpunt van den handel in die streken, zoowel als op die van York en Londen1), wat een aanzienlijke scheepvaart doet onderstellen, want de ‘naves Fresonum’ worden door Alcuïn vermeld. Ook de landbouw moet zich reeds vóór de 8ste eeuw meer ontwikkeld hebben, zooals blijkt uit de talrijke hoeven, die in die streken aan de aanzienlijke kloosters in het latere Vlaanderen, waaronder St. Pieter en St. Bavo, aan rijke abdijen als Stablo en Malmédy, aan kerken als die van St. Salvator en St. Maarten te Utrecht, als het klooster van Lorsch bij Worms aan den Rijn, door de geloovigen geschonken werden. De Benedictijner monniken dier oude kloosters lieten evenwel den landbouw meestal over aan de hoorigen en lijfeigenen op hunne goederen2).

In de zuidelijke gewesten, die reeds langen tijd vroeger tot rust waren gekomen, moet de toestand iets beter geweest zijn, maar het bericht in een der levens van St. Lambertus (700), dat het heidensche Toxandria (noordelijk Brabant en Antwerpen) toen nog was ‘een woeste streek, met moerassen bedekt en door een barbaarsche bevolking bewoond’, naast de beschrijving van het vruchtbare (Zuid)Brabant omstreeks dienzelfden tijd in een der levens van St. Lieven, naast die van Maastricht en Luik in dergelijke bronnen, geven ons ook van de toenmalige beschaving in die streken geen hoogen dunk3). Maar het bestaan van vele belangrijke plaatsen als Trajectum (Maastricht), Legia (Luik), Gandavum (Gent), Broxella (Brussel), Andwerpa en de bisschopsteden in Zuid-Vlaanderen en Artois, getuigt van een vroege ontwikkeling van het Zuiden. Vooral de beschrijving van het rijke Brabant, ‘overvloeiend van melk en honig’, geeft, afgezien van de rhetorische overdrijving dezer oud-testamentische woorden, een goeden indruk van den landbouw aldaar op het einde der zevende eeuw. Het platteland van Vlaanderen daarentegen kon niet met dat van Brabant vergeleken worden. De Ardennen, waar nog oude keltische stammen hun afgezonderd bestaan leefden, door de volksverhuizing der Germanen slechts oppervlakkig getroffen, zijn nog eeuwen later om hunne woestheid en onveiligheid berucht, overblijfselen van het oude ‘Kolenwoud’ als zij waren.

 

Ook die oud-frankische beschaving heeft alom in onzen bodem hare sporen nagelaten, zoo goed als de oud-friesche en oud-saksische van vóór Karel den Groote. Talrijk zijn de vazen en kannen uit dezen tijd4) met band- en stippelversiering, haarnaalden en gespen met gouden en zilveren beslag, ijzer- en glaswerk, armringen, strijdbijlen en zwaarden, munten en zegelstempels, eindelijk een zeer ontwikkelde industrie van beenen voorwerpen, bewijzen van een hooger trap van ontwikkeling dan die, waarop de oude Bataven en Friezen stonden, tevens van den invloed der oude romeinsche modellen op den frankischen werkman Het runenschrift, op enkele staven en drinkhorens teruggevonden, maakt plaats voor een soort schrift, dat zich meer bij dat der beschaafde romeinsche bewoners aansloot. De invloed der iersche en angelsaksische zendelingen was hierbij duidelijk te zien.

Belangrijk vooral was de ontdekking van koning Childerich's grafstede te Doornik in 1653, waarbij 's konings zegelring, zijn wapenen en

[p. 62]

sieraden, munten en kleedingstukken aan den dag kwamen1). De machtige Frankenkoning stond als het ware op uit zijn graf om te getuigen van een tijd, wel ruw en onbeschaafd maar toch een krachtige neiging vertoonend om te leeren van den overwonneling, wiens beschaving den woesten overwinnaar ontzag inboezemde, ook na den smadelijken val van het oude rijk, dat voor de heerschappij der barbaren de plaats had moeten ruimen.

In het groote rijk der Franken werd met het optreden van den krachtigen Karel den Groote de orde voor goed hersteld. Karel zelf wist de friesche en saksische naburen in het Noorden, zoo goed als de Longobarden en Saracenen in het Zuiden, als de Avaren en Wenden in het Oosten van zijn omvangrijk gebied òf te onderwerpen òf tot erkenning van zijn macht te brengen. Met hem begon een tijdperk van vrede, van orde en rust.

 

Franken, Friezen en Saksen zijn de hoofdfactoren geweest, waaruit de latere nederlandsche bevolking is ontstaan, zij het dan hier en daar nog met een bijna onvindbaren keltischen ondergrond van betrekkelijk geringe beteekenis, die men vooral op grond van ethnologische en anthropologische gegevens poogt vast te stellen2). Het verschil dier stammen is ook thans nog in de taal, de gewoonten, den lichaamsbouw, de wijze van bewoning, van bebouwing der landerijen duidelijk merkbaar - niettegenstaande onophoudelijke wrijving, niettegenstaande eeuwenlange kruising der rassen, niettegenstaande samenwoning in één gebied, samengroeiing tot één staat, in één maatschappij.

Welk taalgeleerde heeft niet te rekenen met de dialecten der drie groote afdeelingen van den germaanschen stam ten onzent? Welk anthropoloog ziet niet de verrassendste, uit deze volksmenging te verklaren uiterlijke verschillen tusschen de bevolking van verschillende gewesten, van hetzelfde ras soms? Welk beoefenaar der rechtsgeschiedenis kan niet tal van voorbeelden aanwijzen, waaruit blijkt, hoe de rechten der drie groote stammen zich hier minder, daar krachtiger hebben gehandhaafd in het gebied, waar deze zich eenmaal hadden vastgezet? Welk folklorist ziet niet telkens en telkens weder de sporen van de oude stamverdeeling op onzen bodem? Nog onderkent men in onze streken duidelijk de friesche boerenwoning, waar het woonhuis streng gescheiden is van het achterhuis met de stallen en de schuren, van de saksische, waar een minder strenge scheiding tusschen woon- en werkhuis dan bij de Friezen gepaard gaat met een herinnering aan den tijd, toen de haard midden in de woning ook het middelpunt was van de gansche werkzaamheid des landbouwers3).

Maar bij alle verschil blijkt duidelijk, dat de Frank, de salische Frank, het overwegende, hier te lande het toongevende element is geweest, al heeft in Holland, Friesland en verder aan de kust het friesche volkseigen zich met groote taaiheid gehandhaafd en is in onze oostelijke streken het saksische duidelijk te herkennen. Zijn instellingen, zijn gewoonten, zijn taal, zijn geest hebben die der beide andere stammen overvleugeld, gelijk zijn rijk eenmaal vóór elf of twaalf eeuwen de hunne overvleugelde, gelijk zijn koningen die der andere stammen hebben onderworpen en overheerscht. ‘De

[p. 63]

roemrijke stam der Franken’, zooals de ons uit de 8ste eeuw bewaarde salische wet zegt1) ‘door God gegrondvest, sterk in den krijg, standvastig in het vredesverbond, diepzinnig in raadgevingen, edel van lichaam, onkreukbaar in eerlijkheid, indrukwekkend van uiterlijk, dapper, voortvarend, fier, bekeerd tot het katholieke geloof, vrij van ketterij. Toen hij nog voor barbaarsch werd gehouden, door goddelijke inwerking den sleutel der wetenschap zoekend, krachtens zijn zeden de rechtvaardigheid eischend, de vroomheid beschermend.... Dit is het volk, dat, dapper en krachtig, het harde juk van Rome door den krijg afschudde van zijn nek en na de erkenning van de macht des Doops de lichamen der heilige martelaren, die de Romeinen met vuur verbrandden of met het zwaard verminkten of den beesten ter verscheuring voorwierpen, heeft versierd met goud en edelgesteente’.

De frankische stam aan de groote rivieren in het midden en zuiden van ons land, de friesche aan onze kusten, de saksische in onze oostelijke streken vormen gezamenlijk de hoofdelementen onzer latere bevolking.