|
|
|
| | | | | |
Het kwantitatieve er
Alied Blom
| |
1.
In deze squib is aan de orde de analyse van zinnen als (1) en
(2).
(1) Ik heb er twee ontmoet.
(2) Hij heeft er veel over het hoofd gezien. | | | |
Het element er vindt men in de literatuur wel
gekarakteriseerd als een persoonlijk voornaamwoord in de funktie van een
partitieve bepaling bij het telwoord. Men baseert zich hierbij op de
historische afleiding van dit woord uit een genitiefvorm van het persoonlijke
voornaamwoord, en wellicht speelt ook een rol de overeenkomst die gevoeld wordt
tussen zinnen als (1) en (2) en zinnen als (3) en (4), waarin de partitieve
voorzetselbepaling er als het ware vervangt.
(3) Ik heb twee van de deelnemers ontmoet.
(4) Hij heeft veel van de pakjes over het hoofd gezien.
Tegen deze karakterisering van het element er in de zinnen
(1) en (2) zijn verschillende bezwaren aan te voeren. In de eerste plaats kan
men stellen dat de suggestie van een partitie van een grotere verzameling in
deze zinnen veeleer uitgaat van de telwoorden twee en veel dan
van er. Ook in een zin als (5) treft men dit karakter van een
‘relatieve’ hoeveelheidsaanduiding aan, terwijl in deze zin het
element er in het geheel niet aanwezig is, zodat dit aspekt van de
betekenis wel aan het telwoord verbonden moet worden.
(5) Ik heb twee deelnemers ontmoet.
Bovendien zijn er zinnen als (6) en (7) waarin van een partitieve
betekenis in het geheel geen sprake kan zijn.
(6) Je bent me er ook een.
(7) Ik vind hèm er een.
In deze gevallen zou dan toch een andere karakterisering van
er gegeven moeten worden dan die van partitieve bepaling.
In de tweede plaats is het niet te verklaren waarom de
hoeveelheidsaanduiding in (1) en (2) steeds telbare verzamelingen
betreft, en nooit niet-telbare, zoals men die aan kan treffen in (8).
(8) Ik zag veel van het geld over het hoofd.
In deze squib zal een analyse van zinnen als (1) en (2) voorgesteld
worden waarbij er veeleer gezien wordt als de aanduiding van het
gekwantificeerde element zèlf, en niet zozeer als de aanduiding van een
grotere verzameling waar dit element deel van uitmaakt. Deze analyse sluit aan
bij de karakterisering in
Bech (1952) van dit er als kwantitatief,
waarmee evenèens afstand genomen wordt van de gedachte dat het hier een
partitieve bepaling zou betreffen.
Er zijn in principe twee manieren waarop aan deze opvatting over
er vorm gegeven kan worden. Een eerste mogelijkheid is dat er het
hoofd is van de NP waar het telwoord deel van uitmaakt, en dat de
oppervlaktepositie ervan toegeschreven wordt aan een extraktietransformatie.
Een tweede mogelijkheid is dat er als een proklitisch adverbium in zijn
oppervlaktepositie gegenereerd wordt, en dat het zijn kwantitatieve karakter
ontleent aan een interpretatief verbonden zijn met het fonologisch
niet-gespecificeerde hoofd van de NP waar het telwoord deel van uitmaakt. Hier
zal voor de tweede mogelijkheid gekozen worden, zonder dat dit essentieel is
voor de verdere argumentatie: dezelfde konklusies kunnen getrokken worden bij
een extraktie-oplossing. | | | |
Men kan zich de struktuur van de VP van (1) en (2) dan voorstellen
als in (9) aangegeven, gesteld in termen van de ‘bar’-notatie (vgl.
Chomsky (1970)) voorzover het verdere betoog argumenten
oplevert op dit punt.
(9)

(10) Ik heb er nog.
Zoals gezegd dankt er zijn kwantitatieve karakter aan het
interpretatief verbonden zijn met de nominale ‘dummy’. Men moet dan
aannemen dat de nominale dummy in dergelijke konstrukties het kenmerk
[+telbaar] heeft, zodat er alleen bij aanduidingen van telbare
hoeveelheden een kwantitatief karakter krijgt.
Deze analyse van er impliceert dat een struktuur als (9) ook
aanwezig is in een zin als (10). Hoewel hier geen telwoord aanwezig is, moet
ook hier een nominale dummy gepostuleerd worden, aangezien anders het
kwantitatieve karakter van er onverklaarbaar is. Nog verdergaand kan men
stellen dat in deze zin wel degelijk een QP aanwezig is, gerepresenteerd door
nog, dat wel meer voorkomt als onderdeel van een QP (vgl. Nog drie
deelnemers worden vermist). Uit het feit dat bij weglating van nog
in (10) een onwelgevormde zin ontstaat kan men dan vervolgens afleiden dat niet
alleen de aanwezigheid van een nominale dummy een voorwaarde is voor het
kwantitatieve karakter van er, maar dat ook die van de QP in dit verband
essentieel is.
Omgekeerd kan de nominale dummy in strukturen als (9) niet zonder
binder voorkomen, zoals de ongrammatikale zin (11) uitwijst.
(11) *Ik heb twee
1.
Men moet de nominale dummy bij er dus beschouwen als een
‘gebonden anafoor’, in die zin dat bij een niet gebonden worden
ervan een onwelgevormde zin ontstaat. Om te verklaren dat in (3) en (4) de
telwoorden wèl zonder er voorkomen, kan men stellen dat ook PP's
potentiële binders zijn van nominale dummy's bij QP's. Het partitieve
karakter van een PP kan dan, net zoals het kwantitatieve karakter van
er, in verband gebracht worden met het interpretatief verbonden zijn met
een nominale dummy
2.
| |
2.
In de vorige sektie is op intuïtief-semantische gronden de
mogelijkheid geopperd dat een kwantitatieve interpretatie van er de
aanwezigheid vooronderstelt van een nominale dummy met een QP. Ik zal nu
aangeven hoe men tot dezelfde konklusie kan komen op basis van de distributie
van verschillende hoeveelheidsaaundui- | | | | dende uitdrukkingen, te zamen
met bepaalde aannamen over de strukturele positie van dergelijke
uitdrukkingen.
Er zijn redenen om aan te nemen dat er een positioneel onderscheid
bestaat tussen een nomen als heleboel en een nomen als
hoeveelheid. De argumentatie voor dit verschil berust op een algemeen
principe inzake het getal van NP's, dat inhoudt dat het getal van een NP
bepaald wordt door het hoofd van die NP. Men kan nu aan de hand van het
getal van het finiete werkwoord in de zinnen (12)-(14) vaststellen dat de NP
die het nomen hoeveelheid bevat enkelvoudig is, ongeacht het getal van
het erop volgende nomen, en dat het getal van NP's met heleboel varieert
met het getal van het erop volgende nomen.
(12) Een grote hoeveelheid dozen was/*waren opengegaan.
(13) Een heleboel dozen *was/waren opengegaan.
(14) Een heleboel materiaal was/*waren onbruikbaar geworden.
Op grond van het genoemde principe kan men dan de konklusie trekken
dat het nomen hoeveelheid het hoofd is van de NP waar het deel van
uitmaakt, en het nomen heleboel niet.
Een soortgelijk verschil kan aangebracht worden tussen de twee
betekenissen van het nomen paar. In de betekenis ‘een
tweetal’ is dit nomen te beschouwen als het hoofd van de omvattende NP,
zoals blijkt uit het enkelvoudig zijn van het finiete werkwoord in (15), in de
betekenis ‘een niet nader aangeduid, maar niet te groot aantal’
echter, is het getal van de omvattende NP meervoudig, zoals blijkt uit (16),
zodat dit nomen in dit geval niet het hoofd kan zijn van die NP, aangezien het
zelf enkelvoudig is.
(15) Eén paar schoenen is helemaal niet meer terecht
gekomen.
(16) Een paar dozen zijn opengegaan.
Voor de opvatting dat paar in de betekenis ‘niet te
groot aantal’ niet het hoofd is van de omvattende NP pleit nog het feit
dat een demonstratief pronomen hierbij kongrueert met het nomen rechts van
paar, en niet met paar zèlf, zoals blijkt uit (17); in zin
(18) kan paar alleen op een tweetal slaan, zodat in dit geval
paar wèl als het hoofd van de NP kan worden aangemerkt.
(17) Die paar boeken kunnen er nog wel bij.
(18) Dat paar schoenen heb ik weggegooid.
Een zelfde onderscheid kan gemaakt worden tussen de twee
betekenissen van een stel.
Nu is in de literatuur het voorstel gedaan om een paar in de
betekenis ‘niet te groot aantal’ te analyseren als een
telwoorduitdrukking (vgl. De Rooij (1970)). Dit lijkt niet onredelijk, te meer
daar paar in deze betekenis zèlf niet gekwantificeerd kan worden
(in drie paar sokken is weer de betekenis ‘een tweetal’
aanwezig), en een soortgelijk voorstel zou dan gedaan kunnen worden ten aanzien
van de nomina stel (in één betekenis) en
heleboel.
Gegeven een analyse als QP van deze elementen, zou men verwachten
dat zij behalve met een lexikaal hoofd, ook met een dummy-hoofd voor kunnen
komen, | | | | een situatie waarin onder de hier voorgestelde analyse de
aanwezigheid van een binder noodzakelijk is. En inderdaad kunnen de betreffende
nomina in die gevallen voorkomen met het kwantitatieve er, zoals in (19)
en (21), met een partitieve PP, zoals in (20) en (22), maar niet geheel
onafhankelijk, zoals in (23) en (24), waar heleboel een niet-telbare
hoeveelheid uitdrukt, en paar ‘een tweetal’ betekent.
(19) Ik heb er een heleboel laten liggen.
(20) Een heleboel van de stukken waren beschadigd.
(21) Hij heeft er een paar over.
(22) Een paar van de deelnemers zijn helemaal niet teruggekomen.
(23) Ik heb nog een heleboel.
(24) Hij heeft een paar laten liggen.
Een nomen als hoeveelheid daarentegen, is zélf het
hoofd van de NP waar het deel van uitmaakt. Onder de hier voorgestelde analyse
zou dit nomen niet in relatie moeten kunnen treden met het kwantitatieve
er, aangezien er geen dummy-knoop voorhanden is waaraan er zijn
kwantitatieve karakter zou kunnen ontlenen. En inderdaad kan in een zin als
(25) er niet kwantitatief geïnterpreteerd worden, maar is het
noodzakelijkerwijs een lokatief adverbium.
(25) Ik heb er een grote hoeveelheid laten liggen.
Men kan dan stellen dat de interpretatiefeiten inzake zinnen met
nomina als paar, heleboel en hoeveelheid, te zamen met
onafhankelijk gemotiveerde aannamen omtrent hun strukturele positie, ook leiden
tot de konklusie dat het bijzondere karakter van het kwantitatieve er
bepaald wordt door een semantische relatie met een nominale dummy bij de met
er geassocieerde QP.
| |
3.
In de vorige sekties is geen specifieke uitspraak gedaan over de
kategoriale status van de nominale dummy bij het kwantitatieve er. Dit
element nu, behoeft niet noodzakelijkerwijs een lexikale kategoriestatus te
hebben, het kan in principe ook een element van een hogere kategorie zijn,
aangezien er, sinds in
Chomsky (1970) het onderscheid tussen syntaktische
kategorieën en syntaktische kenmerken is opgeheven, ook eindelementen
gepostuleerd kunnen worden van een niet-lexikale kategorie. Ik zal nu laten
zien hoe men tot een bepaalde konklusie kan komen op dit punt, op basis van
observaties inzake de distributie van diverse typen bepalingen in de NP,
gekombineerd met bepaalde aannamen over de strukturele positie van die
bepalingen.
Men kan stellen dat het niet onredelijk is om in de NP twee
QP-posities aan te nemen. Eén QP-positie zou dan ingenomen worden door
de ‘relatief’-kwantificerende telwoorden een, twee (etc.),
veel, weinig, genoeg, en ook door het element al. Deze QP-positie
moet zich links van de Determinator bevinden, zodat de volgorde der
elementen in al zijn boeken verkregen kan worden. De tweede QP-positie
bevat telwoorden die iets zeggen over de hoeveelheid-in-absolute-zin, en die
daardoor in feite meer kwalificerend dan kwantificerend van aard zijn. Hiertoe
be- | | | | horen de telwoorden vele, weinige, sommige, verscheidene,
enige, en ook de bepaalde hoofdtelwoorden kunnen onder deze QP voorkomen.
Deze QP-knoop moet zich dan rechts van de Determinator bevinden, zodat de
volgorde der elementen in Jan z'n vele vrienden en de dertig
deelnemers verkregen kan worden. Verder is het niet onredelijk om te
stellen dat deze laatste QP op één lijn staat met de AP, die
evenals deze QP, kwalificerend van aard is. Men zou op grond van deze
overwegingen een strukturering van de NP voor kunnen stellen zoals weergegeven
in (26), waarin iedere QP/Det als ‘specificeerder’ van een eigen
substruktuur optreedt.
(26)

Het is duidelijk dat (26) slechts één van de vele
mogelijke struktureringen van de NP te zien geeft, en dus slechts kan gelden
als een aannemelijk lijkend uitgangspunt bij een exploratief onderzoek naar het
kwantitatieve er.
Men kan dan vervolgens observeren dat de elementen die hier
ondergebracht zijn onder de N̄ niet samen kunnen gaan met het kwantitatieve
er. Men vergelijke de zinnen (27)-(30), waarin er uitsluitend als
lokaal adverbium genomen kan worden, en niet als het kwantitatieve
adverbium
3.
(27) ik heb er drie blauwe zien liggen.
(28) Ik heb er vele zien vallen.
(29) Ik heb er sommige gezien.
(30) Hij liet er enige achter.
Deze interpretatiefeiten kunnen verklaard worden wanneer men
aanneemt dat de nominale dummy bij het kwantitatieve er niet van de
kategorie N is, maar van een hogere, bijvoorbeeld N̄, zoals aangegeven in
(31).
(31)

Het is duidelijk dat een kwantitatieve interpretatie van het
adverbium er de aanwezigheid van AP's en QP2's onder deze
analyse principieel uitsluit, aangezien dan de expansie van N̄ tot
QP2 AP N in het geheel niet heeft plaatsgevonden. Men kan dan
stellen dat er, door de interpretatiefeiten inzake de zinnen (27)-(30) | | | | te interpreteren in termen van een kategoriaal gesuperordineerd zijn
aan de verschillende elementen van de nominale dummy bij er, bepaalde
konklusies getrokken kunnen worden inzake de kategorie van die nominale dummy:
dit element moet van een hogere kategorie zijn dan N, bijvoorbeeld N̄.
De kwantitatieve interpretatie van er kan ook niet tot
stand komen bij de aanwezigheid van een element in de Det-knoop, zoals de
zinnen (32)-(34) uitwijzen, die, zo zij interpreteerbaar zijn, er niet
als kwantitatief adverbium bevatten, maar als lokaal adverbium.
(32) *Ik heb er die.
(33) *Hij kiest er mijn.
(34) ?Welke heb jij er?
Men kan deze feiten niet verklaren met behulp van een kenmerk [-def]
op de nominale dummy bij er, aangezien het vraagwoord welke, dat
ook dit kenmerk bezit, evenmin gekombineerd kan woorden met een kwantitatief
geinterpreteerd er. De hierboven vermelde konditie op de interpretatie
van er, die de aanwezigheid van een QP verplicht stelt, biedt echter
wèl een verklaring, aangezien deze knoop in (32)-(34) niet aanwezig is.
Er is echter ook nog een andere verklaring mogelijk voor de interpretatie van
de betreffende zinnen, en die houdt in dat de dummy bij er niet van de
kategorie N̄ is maar van de kategorie N̿. Men kan dan stellen dat het niet
voorkomen van het kwantitatieve er met elementen uit Det verklaard wordt
uit het feit dat de Det en de nominale dummy bij er deel uitmaken van
alternatieve expansies van een en dezelfde kategorie. Aangezien er echter
vooralsnog geen gronden zijn om aan een van deze twee verklaringsmogelijkheden
de voorkeur te geven, wordt de kwestie of de nominale dummy bij er van
de kategorie N̄ is, of van de kategorie N̿, hier opengelaten.
| |
4.
In deze sektie zal aangegeven worden hoe men op grond van
observaties inzake de distributie van PP's en S-en in de NP, te zamen met
bepaalde aannamen omtrent hun strukturele positie, tot konklusies kan komen
inzake het kwantitatieve er die overeenstemmen met de tot nu toe
bereikte konklusies.
In
Chomsky (1970) is de N̄-knoop ingevoerd om een nomen
in een relatie te brengen met zijn voorwerpen die verschilt van die welke het
nomen onderhoudt met andere elementen in de NP, bijvoorbeeld met elementen in
de Determinator. Nu zou men kunnen stellen dat naast deze positie voor PP's en
S-en in voorwerpsrelatie met het nomen een tweede positie in de NP gepostuleerd
moet worden voor PP's en S-en en die meer het karakter hebben van een bepaling
bij het nomen, zoals betrekkelijke bijzinnen en bijvoeglijke PP's. Het ligt
voor de hand om deze elementen, die semantisch in een lossere relatie staan tot
het nomen, ook; struktureel in een losser verband te plaatsen, bijvoorbeeld
door ze onder de [N ==] in een struktuur als (26) te lokaliseren.
Onafhankelijke evidentie voor een positioneel onderscheid tussen
bepalingen en voorwerpen in de NP levert de distributie van reflexieve
pronomina op. Zoals men aan de zinnen (35)-(38) kan zien, kan een reflexivum in
een voorwerps-PP, | | | | een possessieve NP in de Determinator als
antecedent nemen, maar een reflexivum in een bepaling, niet.
(35) Hun brieven aan elkaar waren voor publikatie
bestemd.
(36) Hun verhalen over elkaar wekten ieders lachlust
op.
(37) *Hun onderneming met elkaar werd een groot
succes.
(38) *Hun ringen met elkaars initialen zijn nooit
teruggevonden.
Nu is in
Daalder &
Blom (1976) een konklusie bereikt over de strukturele
positie van reflexieven ten opzichte van hun antecedent, die inhoudt dat de
positie van het antecedent ‘superieur’ moet zijn ten opzichte van
die van het reflexivum. De onmogelijkheid van de anaforische relatie in (37) en
(38) kan met behulp van deze konditie verklaard worden, wanneer men aanneemt
dat de PP's daarin onder de N̿-knoop gelokaliseerd zijn. De positie van het
possessivum is dan niet superieur ten opzichte van de positie van het
reflexivum. De observaties inzake anaforische relaties in NP's wijzen op de
noodzaak van een positioneel onderscheid tussen voorwerpen en bepalingen in
NP's. Voor verdere evidentie voor dit onderscheid vgl.
Zwarts (1976).
Nu kan men observeren dat het kwantitatieve er niet kan
samengaan met PP's en S'en die in een voorwerpsrelatie staan tot het
veronderstelde hoofd van de NP, maar wel met PP's en S'en die meer het karakter
hebben van een bepaling bij dat dummy-hoofd. Zo kan in (39)
er…een niet geassocieerd worden met een nomen als
onderbreking, en in (40) kan het niet een brief betreffen,
terwijl in (41) geen sprake kan zijn van een bewijs van iets; in (42) en
(43) daarentegen, bestaat er geen enkele restriktie op de interpretatie, en
kunnen de PP en de S zonder meer met de nominale dummy geassocieerd worden.
(39) Ik heb er een van de werkzaamheden toegestaan.
(40) Ik heb er een aan mijn tante onderschept.
(41) Ik heb er nog nooit een gezien dat de aarde plat was.
(42) Ik heb er drie met een witte staart gezien.
(43) Er waren er drie die weigerden.
Ook hier kan men dus de konklusie trekken dat de dummy bij het
kwantitatieve er van een hogere kategorie is dan N, opdat het voorkomen
van voorwerps-PP's en -S'en in NP's die geassocieerd zijn met het kwantitatieve
er op principiële wijze uitgesloten kan worden
4.
In deze squib heb ik laten zien hoe men kan argumenteren voor een
analyse die het kwantitatieve karakter van het adverbium er in verband
brengt met een interpretatief verbonden zijn van dat adverbium met de nominale
dummy van de NP die ook de bij er behorende QP domineert. Vervolgens heb
ik laten zien hoe men bepaalde konklusies kan trekken inzake de kategoriale
status van dit dummy-element, door observaties inzake het niet voorkomen van
er met bepaalde konstituenten in de NP te beschouwen als een indikatie
van een kategoriaal gesuperordi-neerd zijn aan die konstituenten van de door
er gebonden dummy.
| | | | | |
Bibliografie
| Bech, G. (1952), ‘Ueber das niederländischen
Adverbialpronomen er’, Travaux du Cercle Linquistique de
Copenhague, vol. VIII, Copenhague/Amsterdam. |
| Chomsky, N. (1970), ‘Remarks on nominalization’,
in: Readings in English transformational grammar, R.A. Jacobs & P.S.
Rosenbaum (eds), Watham, Mass. 184-221. |
| Daalder, S. & A. Blom (1976), ‘De strukturele
posite van reflexiev en en reciproke pronomina’, in: Spektator 5,
397-414. |
| De Rooij, J. (1970), ‘Een paar is twee’, in:
De Nieuwe Taalgids 63, 118-126. |
| Zwarts, F. (1976), ‘Over de Disjunctie Conditie op
Anafora’, in: Tabu 6, 35-39. |
|
1De ongrammatikaliteit van een zin als (11)
kan in zijn algemeenheid niet verklaard worden, zolang het niet duidelijk is
hoe voorkomen kan worden dat telwoorden optreden met de ongebonden nominale
dummy's, die men bijvoorbeeld ook aantreft in NP's als deze drie blauwe
Δ.
2Het is in het licht van dit voorstel niet
vreemd dat een dummy niet zowel met het kwantitatieve er geassocieerd
kan zijn als met een partitieve PP. Zo kan in een zin als (i) er
kwantitatief zijn, maar dan moet de PP opgevat worden als een possessieve
bepaling, of de PP kan partitief zijn, maar dan moet er opgevat worden
als een lokaal adverbium. .
(i) Ik heb er drie van de deelnemers ontmoet.
3Ook bij partitieve PP's zijn AP's en QP 's
onmogelijk, getuige (i) en (ii).
(i) *Vele van mijn vrienden kwamen te laat.
(ii) *Drie sterke van de mennen kwamen ons te hulp.
Dit wijst erop dat we hier inderdaad met dezelfde dummy-knoop
te doen hebben als bij het kwantitatieve er. Het enige verschil is dat
de dummy bij PP's niet noodzakelijkerwijs het kenmerk [+telbaar] heeft, getuige
zin (8).
4De grammatikaliteit van een zin als (i)
vormt geen probleem in dit verband.
(i) Hij heeft er drie over zichzelf verteld.
Hier lijkt een PP aanwezig te zijn die in een voorwersprelatie
staat met het hoofd, maar er is geen dwingende reden om de PP over
zichzelf te beschouwen als een konstituent van de NP. Men kan deze PP ook
analyseren als het komplement van het werkwoord vertellen, dat ook PP's
selekteert.
|
|