begin  verder
[p. t.o. п1r]


illustratie

[p. I]

[Voorwoord]

Hoe meer men in jaren vordert, des te sterker voelt men zich aangetrokken door hetgeen men heeft mogen beleven, des te aangenamer is het, met zijne gedachten van tijd tot tijd in het verleden rond te dwalen.

Gedurende de jaren 1845-1849 was ik in eene van Neérlands West-Indische bezittingen, in de kolonie Suriname, gevestigd en wel in de stad Paramaribo. Op 22-jarigen leeftijd had ik mij derwaarts begeven. Ik was daar werkzaam in privaat-betrekking, mocht echter ook herhaaldelijk daar als Evangelie-dienaar optreden voor de Hervormde gemeente zoowel als voor de Ev. Luthersche, en toen ten jare 1847 de predikant der eerstgenoemde gemeente tot herstel van gezondheid naar Curaçao vertrok, werd aan mij de volle predikdienst vereerend opgedragen en heb ik dezen dienst gedurende een jaar onafgebroken mogen vervullen.

[p. II]

Eene aanzienlijke Nederlandsche familie, in wier gevolg ik derwaarts gereisd was, huisvestte mij al den tijd van mijn verblijf aldaar, en nimmer zal ik de echt humane en liefderijke bejegening, die mij van haar ten deel viel, naar waarde kunnen roemen.

Vrienden bezat ik er vele, onder welke ook, die in hooge staats-betrekking waren geplaatst, wier bescherming en gunst mij zeer te stade kwam, wilde ik, wat elk jongeling zoo vurig wenscht, veel aanschouwen, veel ervaren, veel genieten. De meesten hunner zou ik er thans vruchteloos meer zoeken: zij zijn in den loop der jaren òf naar het Vaderland weder gekeerd òf door God naar hoogeren werkkring opgeroepen. Hun aller waarachtige vriendschap en onbaatzuchtige toegenegenheid blijven steeds diep in mijne ziel geprent.

Met de grootste vrijgevigheid werd mij, die eene inférieure en zeer afhankelijke betrekking bekleedde, gedurig verlof geschonken, gebruik te maken van uitnoodigingen, die tot mij kwamen om eene of andere plantage te bezoeken. En niet alleen hierdoor werd ik in staat gesteld, kennis te maken met de hoedanigheid des lands en den aard en toestand zijner bewoners, maar mijn beschermheer en gebieder opende mij voor dit alles de schoonste gelegenheid, doordat hij mij dikwijls toestond hem te vergezellen, wanneer hij zelf in hoedanigheid van ‘Commissaris van de Inlandsche bevolking’ verre tochten in het binnenland moest ondernemen, zoodat ik mij inderdaad boven vele bezoekers der kolonie heb mogen bevoorrecht zien.

[p. III]

Sedert mijne terugkomst in het Vaderland was ik gewoon veel met mijne gedachten te vertoeven in het schoone land, dat mij zoo zeer had bekoord en tevens zoo gastvrij had geherbergd, en niet zelden gaf ik hiervan in gezellige kringen sprekend getuigenis. Dit nu gaf aanleiding tot het uitdrukkelijk en gedurig herhaald verlangen van menig vriend, om meer te mogen vernemen van mijne ervaringen of zoo mogelijk een kort résumé te mogen ontvangen van al het wetenswaardige, dat mijne gehouden aanteekeningen mochten bevatten.

Slechts ten deele heb ik in den loop der jaren aan dit verlangen voldaan, wanneer ik bij gelegenheid voor een of ander Zeemans-college of Nutsvergadering moest optreden.

Thans echter, nu door de afschaffing der slavernij de behoefte aan arbeidslieden in de kolonie eerst recht levendig wordt gevoeld en nog met elken dag schijnt te klimmen, daar volgens het ‘Nieuws van den Dag’ van den 18 December 1873 - gelijk wel te voorzien was - ‘de van het Staatstoezicht ontslagenen, die in de eerste dagen van Juli gezegd hebben getrouw aan den arbeid te zullen blijven, korten tijd daarna het tegendeel hebben aan den dag gelegd,’ - nu men herhaaldelijk in de Dagbladen ziet opgeroepen arbeidslieden van den landbouwenden stand om zich voor den veldarbeid in Suriname te verbinden, geloof ik door uitgave mijner aanteekeningen niet enkel den wensch mijner talrijke vrienden te bevredigen, maar tevens te bevorderen dat veler aandacht op Suriname gevestigd wordt en dat deze of gene, die

[p. IV]

het voornemen mocht koesteren daarhenen te verhuizen, vooraf wete wat Suriname is en wat het voor den vlijtigen landbouwer zijn moet. Hierbij heb ik gepoogd de strengste onzijdigheid in acht te nemen door niet enkel de lichtzijde maar ook de donkerste schaduwzijde van het leven in Suriname duidelijk te doen uitkomen.

Duizenden mijner landgenooten hebben in de laatste jaren met hunne huisgezinnen haardstede en Vaderland verlaten en zich naar Noord-Amerika begeven, waar zij diep in het binnenland van de Vereenigde Staten zich aan ambachten of landelijken arbeid wijden. Ook uit het gewest mijner inwoning trekken nog jaarlijks vele huisgezinnen derwaarts. Moge de tijd spoedig aanbreken, dat zij, die een nieuw vaderland zoeken, het oog slaan op Suriname, eene eigene Nederlandsche volkplanting, waar zij onder eene Nederlandsche regeering en te midden van Nederlanders de rijkste schatten aan de meest vruchtbare akkers kunnen ontwoekeren, zonder genoodzaakt te zijn zich diep binnenlands te begeven, aangezien zoowel aan de mondingen der rivieren als in de onmiddelijke omgeving der stad nog duizenden hectares onontgonnen liggen; waar zij tevens door middel van de schepen, die onafgebroken uit Nederland aankomen en derwaarts vertrekken, op gemakkelijke wijs de gemeenschap met Vaderland en vrienden kunnen onderhouden. Het warme klimaat mag niemand meer afschrikken, wijl herhaalde proeven, ook in de laatste jaren nog genomen, voldingend hebben bewezen, dat de Europeeër, en de Nederlander in 't bijzonder, den veld-

[p. V]

arbeid in de kolonie kan verrichten, zonder daardoor schade te lijden aan zijne gezondheid. Ook deze bladen bevatten hiervan een vernieuwd bewijs.

In plaats van noodelooze uitbreiding aan mijnen arbeid te geven, heb ik integendeel al wat mij in mijne aanteekeningen minder meldenswaard voorkwam, achterwege gelaten, en daarbij 't geen mij toescheen algemeene belangstelling niet onwaardig te zijn, zooveel mogelijk in een kort bestek saâmgevat, terwijl ik, ter wille van vrienden, die met mij eene voortgaande beoefening der Neger-Engelsche taal zeer wenschelijk achten voor eene toekomstige vorming der minontwikkelde volksstammen in de kolonie, en elke poging, ook de mijne - hoe gering dan ook - hoog hebben gewaardeerd, eene der Toespraken volgen laat, die door mij in der tijd gehouden en door velen met meer dan verdiende belangstelling is aangehoord. Deze Toespraak zal bij slechts oppervlakkige kennisneming elkeen tot overtuiging kunnen brengen, dat het aanleeren der volkstaal niet moeielijk kan worden geacht en geen bezwaar, voor wie ook, zijn mag om zich in de kolonie te vestigen.

 

winschoten, 3 Mei 1874.

B.

[p. VI]
 
‘Angedenken an das Gute
 
Hält ons immer frisch bei Muthe.
 
 
 
Angedenken an das Schöne
 
Ist das Heil der Erdensöhne.
 
 
 
Angedenken an das Liebe,
 
Glücklich! wenn's lebendig bliebe.
 
 
 
Angedenken an das Eine
 
Bleibt das Beste was ich meine.’
 
Goethe.
 begin  verder