Niet veel bijzonders is van mijne terugreis naar Nederland te melden.
Na vier jaren toevens in de kolonie had ik voor 't laatst gesproken tot de Hervormde gemeente van Paramaribo. Was het mij meermalen vergund geweest op te treden voor den waardigen predikant der Ev. Luthersche gemeente, den heer c.m. moes, met wien ik nauw bevriend was geworden, - overvloediger was mijn Evangelie-arbeid geweest onder de Hervormde gemeente. Haar had ik dan ook mijn laatste vaarwel toegeroepen, aanleiding nemende uit Paulus woorden, Hand. XX: 32. ‘En nu broeders! ik beveel u aan God en aan het woord van Zijn genade, die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.’
Zwaar viel mij daarop het afscheid van het edele gezin, dat mij al dien tijd gehuisvest en zijn kostbaarst goed toevertrouwd had; bitter zwaar het afscheid van mijne talrijke vrienden, trouwe vrienden, die niets hadden gespaard om mij 't gemis van Vaderland en bloedverwanten te
vergoeden en de levensvreugde te verhoogen. Vier hunner vergezelden mij met de tentboot tot vóór den mond der Commewijne, waar het schip op stroom lag, dat mij naar het Vaderland zou overvoeren. Dit was het kofschip ‘Jeantine’, gevoerd door kapitein j.h. renken. Aan boord gekomen, namen wij onder tranen afscheid, waarop de vrienden met hunne boot naar Paramaribo wederkeerden.
De wind was niet gunstig en veroorzaakte ons nog eenig oponthoud, dat ik mij ten nutte maakte met nog een enkelen vriend, dien ik aan de forteresse ‘Nieuw-Amsterdam’ had, vaarwel te zeggen.
Den 22sten Maart 1849 des ochtends te 4 ure lichtten wij het anker, de zeilen werden geheschen, en geholpen door den forschen stroom der rivier Suriname, bereikten wij weldra de Uiterton, waar de kapitein mij, zijn eenigen passagier, met een glas wijn welkom in zee heette, terwijl wij te zamen - niet zonder eigen belang - de ‘Jeantine’ een voorspoedige reis naar 't Vaderland toewenschten.
Wij hadden doorgaans bij een flinken bries goed weder. Nabij de Antillen zagen wij de zee geheel met wier en kroos overdekt - de ‘kroos-zee’, gelijk de zeeman haar noemt. Voorts kwamen wij nu strijkelings het eiland Barbados voorbij en stevenden verder noordwaarts tot wij de Westpassaat kregen, die ons naar de Canarische of Wester-eilanden en vóór het Engelsch-kanaal bracht. Hier zwierven wij vele dagen op de zoo-
genoemde ‘gronden’ rond, passeerden bij slecht weder met dicht gereefd marszeil de gevaarlijke Shorlings (Scilly-eil) en kwamen ten laatste in het Engelsch-Kanaal.
Alvorens wij hier nog de kusten onderscheiden konden, overviel ons omstreeks den middag een mist zoo zwaar, dat het ons niet mogelijk was op scheepslengte elkander te zien, weshalve op bevel van den gezagvoerder de trommel aanhoudend geroerd werd, teneinde hierdoor gevaar van aanzeilen te verhoeden. Niet minder dan drie uren lang zagen wij ons in dezen zwarten mist gehuld, toen hij ten laatste optrok en ons het verrassend schouwspel van eene ontelbare menigte schepen en stoombooten aanbood, die, uit verschillende oorden der wereld hier saâmgekomen, ons van alle zijden omringden. Welhaast verrees nu ook de kust van Europa voor ons oog en mochten wij ons weer verlustigen in den betooverend schoonen aanblik van Engelands krijtgebergte.
Gekomen op de hoogte van Brighton, bemerkten wij van verre een Pruisisch oorlogschip met stoomvermogen, dat den steven naar ons scheen te wenden. Moest dit gezicht reeds aanstonds ongerustheid bij ons te weeg brengen, aangezien wij door onze langdurige afwezigheid te eenen male onbekend waren met mogelijke staats-verwikkelingen in Europa, al spoedig begrepen wij dat onze bezorgheid niet ongegrond kon zijn, toen het vreemde vaartuig, op korten afstand genaderd, ons seinde om bij te draaien en hierop eene sloep uitzette, waar-
mede een Pruisisch ambtenaar bij ons aan boord kwam. Van dezen vernamen wij echter dat tengevolge van een oorlog, uitgebarsten tusschen den Duitschen Bond en Denemarken, de havens van Pruisen in de Noord- en Oostzee door de Denen waren geblokkeerd, weshalve hem van zijn gouvernement in last was gegeven om alle zeevarenden, die het Kanaal binnenliepen en op Pruisen bevracht waren, hiermede in kennis te stellen, opdat zij niet naar eenige Pruisische haven koers mochten zetten, maar liever een of ander zeegat van Engeland of Nederland binnen loopen. Ons gold deze waarschuwing niet, aangezien de ‘Jeantine’ hare bestemming op Nederland had. Toch was de mededeeling ons welkom, wijl deze ons van eene niet geringe zorg ontlastte.
Zoo bereikten wij eindelijk de Noordzee, waar wij al spoedig bezoek ontvingen van Hollandsche visschers, die ons in ruiling tegen zoutvleesch en spek de heerlijkste zeevisch in menigte uit hunne bom-schuiten toewierpen en tegelijk ons wisten te verhalen dat Neêrlands koning Willem II gestorven was en heel Nederland in rep en roer zou zijn.
Weldra kregen wij nu den loods aan boord en zagen met elken stond de Hollandsche kust al nader en nader komen tot wij eindelijk het zeegat instevenden en na eene reis van 42 dagen - 't was op den 3den Mei 1849 - ons anker ter reede van 't Nieuwe Diep lieten vallen. Hier hoorden wij al spoedig 's Konings dood
bevestigen, doch tevens werd ons - in tegenspraak met het beweren der Scheveningsche visschers - de blijde verzekering gegeven, dat het Vaderland zich voortdurend in eene ongestoorde rust mocht verheugen.
Behouden betrad ik weer den dierbren Vaderlandschen grond en dankte vurig God, die mij niet slechts gespaard, maar boven bidden en verdienste eindeloos veel had doen ervaren en genieten beide!