terug  begin  verderprepost

Literatuur.

Zooals reeds eerder gezegd, kan de overheid, om van haar belangstelling te doen blijken en stimuleerend op te treden, voor de letterkunde minder doen dan voor andere takken van kunst.

Toch zou zij, meer dan nu gebeurt, bij belangrijke uitgaven financieelen steun kunnen verleenen. De staat heeft de gelegenheid ook zelf klassieke of belangrijke werken op zijn eigen Landsdrukkerij in waardige uitvoering te doen drukken en in samenwerking met uitgevers en boekhandel voor massa-verspreiding te zorgen. Daarbij behoeft trouwens niet alleen aan letterkundige werken te worden gedacht. Ook geschriften, zich bewegende op andere gebieden van kunst, evenals wetenschappelijke werken, welke voor zulk een bijzondere uitgave in aanmerking komen, zou men in deze bemoeiing kunnen betrekken. Men zou dan de auteurs eeren, maar door de medewerking van grafische kunstenaars ook voor dezen weder een arbeidsmogelijkheid openen.

Voor letterkundigen zou een reisbeurs kunnen worden ingesteld, zooals reeds bestaat voor beeldende kunstenaars, in den vorm van den Prix de Rome. Hier zou zij natuurlijk op andere wijze dienen te worden georganiseerd. Een mogelijkheid ware ook het detacheeren van begaafde jonge schrijvers aan Nederlandsche gezantschappen in het buitenland.

[p. 213]

Eveneens - en voor de letterkunde misschien het meest - kan het instituut van prijsvragen goede diensten bewijzen, evenals het geven van gelegenheidsopdrachten, van welke in de laatste jaren trouwens reeds een enkel voorbeeld valt aan te wijzen.

Dat hier, als trouwens voor al de genoemde maatregelen ter bevordering van kunst en kunstzin, een zoodanige organisatie moet worden geschapen, dat willekeur en bevoordeeling zijn uitgesloten, is vanzelfsprekend. Dat dit mogelijk is, bewijzen de reeds bestaande jury's en commissies van advies.

 

Met de hiervoren genoemde mogelijkheden en wenschen ten aanzien van de bemoeiing van de overheid met de kunst, is nog niet alles gezegd. Ten slotte immers ontleent elke maatregel, welke op het gebied van de kunst genomen wordt, zijn waarde aan den geest, waaruit hij voortkomt. Is er een overheid, welke niet een bepaalde lijn volgt voor haar optreden, welke er niet doelbewust naar streeft, de schoonheid tot een element van het leven van een volk te maken, dan leidt ook de beste maatregel niet tot het resultaat, dat deze zou kunnen bezitten, wanneer hij met begrip werd toegepast.

Eerst dan verkrijgt het optreden van de overheid op het gebied van de kunst karakter en gestalte, wanneer zij de kunst niet meer beschouwt als een aangelegenheid, welke geheel los staat van alle der door haar te verzorgen belangen, maar haar verband met een aantal dezer erkent. In deze opvatting is de kunst niet meer opgesloten in de begrenzing van museum of concertzaal, doch moet zij te vinden zijn op de straat, in een willekeurig gebouw, in een eenvoudig gebruiksvoorwerp.

Het kan lijken of dit vooral in deze tijden slechts ijdele gedachten zijn. Doch ook in de moeilijkste tijden, waarin het gevaar bestaat, dat volken naar den afgrond worden gesleept, heeft men het ideaal na te streven, de menschheid op een hooger plan van beschaving te brengen. Daartoe kan ook strekken intensiever bemoeiing van de overheid met de kunst. Allerminst in dien zin,

[p. 214]

dat de kunst uitsluitend of in hoofdzaak zou worden regeeringszaak. Integendeel. De overheid heeft slechts te stimuleeren, te bevorderen, op actieve wijze; zij heeft de levende krachten in de maatschappij, van kunstenaars en kunstgevoeligen en kunstbehoevenden, te wekken en elkander te doen naderen.

Daar liggen ook de grenzen van haar taak. Zou zij die grenzen overschrijden, dan zou haar optreden van een zegen voor de kunst en het volk een kwaad worden. Binnen die grenzen echter is haar taak nog groot en grootsch genoeg.

Kunst en volk moeten elkander vinden. Daartoe werken reeds mede de wijzigingen in de sociale verhoudingen, de geestelijke krachten in de massa van het volk, haar organisaties. Maar daarin heeft de overheid haar eigen taak, zooals zij die heeft in de ordening der samenleving. Zij mag niet overheerschen, maar moet opwekken wat potentieel bestaat aan sociale en cultureele krachten in het volk.

In die opvatting van haar taak ligt ook het karakter besloten, dat de verhouding van overheid tot kunst in Nederland behoort te dragen.

prepostterug  begin  verder