HOE PIPPIJN LEERDE DES CONINCS SONE, ENDE HOE HY QUAELIC WAS METTEN CONINC.
Dat IIII Capittel.
- Dese
Pippijn van Landen
- Was soe vroem van handen,
- Soe ghetrouwe, soe hoesch ende wijs,
- Dat die coninc Lotharijs
- 335
- Hem beval sinen sone:
- Daghebrecht hiet die gone,
- Ende bat hem, dat hien in sijnder hoeden
- Name, ende onder sijnre roeden,
- Ende hem wise eere ende scame,
- 340
- Als eens conincs kinde betame.
- Pippijn, die ghetrouwe man,
- Leerde den jonghelinc voert dan
- Alle poenten van wijsheiden,
- Van hoefscheden, van sconen seden,
- 345
- Goedertierenheit in wandelinghen,
- Ende gherecht sijn in ghedinghen;
- Oec leerde hien met groter eeren
- Riden, ende wapene hanteeren,
- Ende hieldene in bedwanghe alsoe,
- 350
- Tote dat hien brachte daer toe,
- Dat hi wart alsoe gheraect,
- Ende in allen poenten soe volmaect,
- In doechden ende in wijsheiden,
- Dat al die lieden van hem seiden,
- 355
- Van Spaengien tote den Rijne;
- Want Lotharijs, die vader sijne,
- Hilt alt lant, moghentlike,
- Ende oest ende west diesgelike.
- Doen coninc Lotharijs was doot,
- 360
- Soe bleef coninc ende here groot
- Sijn sone, dese Daghobrecht,
- Dien Pippijn leerde op sijn recht,
- Alsoe ic u voreseide dat,
- Des Daghobrecht sint al vergat;
- 365
- Want die Daghobrecht wout driven
- Ghenoechte met allen wiven,
- Hier omme scouten Pippijn seere,
- Als die lief hadde sijn eere.
- Hier bi soe moeste Pippijn
- 370
- Ute des conincs hove sijn;
- Want die coninc en wouds niet laten.
- Hier omme begonste hi Pippinen te haten,
- Ende leide hem laghen, vroech ende spade,
- Dat vele quam bi quaden rade,
- 375
- Ende dede spien menichwerven
- Dat hien gherne hadde doen bederven.
|