VAN AMISE ENDE AMELISE.
Dat eerste Capittel.
- Ghi hebt dicke seggen horen
- Van tween kinderen, die geboeren
- 25
- Worden in coninc Puppijns tiden,
- Daer wi die geesten nu af liden,
- Coninc Karls ridderen beide,
- Die in groter hoesheide
- Hem dienden meningen dach,
- 30
- Als ic u nu hier seggen mach,
- Die soe sunderlinge gelijc waren
- Dat mense en conde twaren
- Onderkennen, groet noch cleen,
- Daer men den enen sach alleen.
- 35
- Die een was sone, als ic las,
- Eens greven in Alvernen was,
- Ende des anders vader, ic versta alsoe,
- Was een ridder uut Baricho.
- Doen gevielt dat men dese
- 40
- Twe kinderen, dair ic af lese,
- Te Romen waert seinde ter stede,
- Om tontfaen hoer kerstenhede;
- Want men doen opten dach
- Gheen kint te dopen en plach,
- 45
- Men liet alsoe verre gedien,
- Dat sijn ghelove mocht gelien,
- Ende verstandelijc sprekens plegen.
- Nu gevielt soe, onder wegen,
- Tot Luicken, in die stad,
- 50
- Alsoet daventure woude dat,
- Dese kinderen quamen te samen,
- Ende sulke vrientscap ondernamen
- Dat si, in al horen wanderen,
- Deen sonder den anderen
- 55
- Slapen en wouden, noch eten.
- Dese kinder, alsoe wijt weten,
- Quamen dus te Romen tsamen,
- Ten paus, die doe bi namen
- Deusdedit geheiten was,
- 60
- Die dese kinder doepte ende belas,
- Ende hiet tsgreven soen
Amelijs,
- Ende Berichaens sone
Amijs,
- Ende gaf elken kinde daer
- Enen pledenen nap, voerwaer,
- 65
- Gelijc van eenre groetheide,
- Ende oec dier gesteine mede,
- Ende seide: ‘Kinder, neempt dit nu
- Tenen tekene dat ic u
- Kersten dede, al hier ter stat,
- 70
- Ende dat ghijs oec te bat
- Hebben moet, in allen eren.
- Mittien si te lande keren.
- Elc ten vader dat si quamen;
- Mer die herten bleven tsamen,
- 75
- Al waren si van een gesceiden,
- Alsoet na wel sceen hen beiden.
- Alsoe Amijs quam tot sinen dagen,
- Waert hi die wijste van sinen magen;
- Want in hem soe wies soe seer
- 80
- Doecht ende wijsheit, soe lanc soe meer.
- Ende als hi deertich jaer gewan,
- Was sijn vader een out man,
- Van sinne wijs, ende heilich mede,
- Ende hem quam aen siechede,
- 85
- Ende ontboet voer hem Amise,
- Ende beval hem in alre wise
- Dat hi in ridderliken live
- Gode emmer onderdanich blive,
- Ende getrouwe si sinen here,
- 90
- Ende sinen gesellen gehulpelic sere,
- Ende dat hi tallen tiden mede
- Die wercke houde der ontfermichede,
- Ende dat hi, boven al dese dinge,
- Amelise niet ane en ginge
- 95
- Des greven soen van Alverne,
- Noch te spotte noch te scerne.
- Ende als geint was die tale
- Versciet die man ten selven male,
- Ende sijn sone, met groter werden,
- 100
- Bestaden on eerliken ter eerden,
- Ende Amijs quam in sijns vaders goet.
- Maer onlanghe hi daer in ghestoet;
- Want sijn volc was hem fel,
- Dat die dinc alsoe ghevel
- 105
- Dat si en, met valschen saken,
- Ute sijns vaders erve staken,
- Ende dat hem stoet soe ontsiene,
- Dat hem dienden cume te tiene.
- Alse dus tachter was die goede man
- 110
- Sprac hi sinen knapen an;
- Hi seide: ‘Mi dunct dat ict best love
- Dat wi tes graven Amelijs hove
- Te gadere varen, nu wel saen:
- Hi is mijn vrient, hi sal ons ontfaen.
- 115
- Ic hope hi mijns ontfermen sal,
- Als hi weet mijn ongheval;
- Oft wi nemen voert onse vaert
- Te
vrouwen Hildegaerden waert,
- Conincs Karels wijf van Vrancrike;
- 120
- Ic hebbe horen segghen, sekerlike,
- Dat si hoevesch es ende fijn
- Lieden die verdreven sijn.
|