VAN BOERDERS DIE KARLE BELOGHEN.
Dat XIX Capittel.
- 1705
- Karle is dicwile beloghen
- In groten boerden ende in hoghen,
- Alse van boerders ende dwase
- Diene belieghen van
Fierabrase,
- Dat nie gesciede noch en was.
- 1710
- Oec eest al loghene ende ghedwas
- Van
Pont-Mantribele mede,
- Van
bere Wiselauwe de snodelhede,
- Ende meneghe fable, groot ende cleine.
- Die Walen hetene Karlemeine:
- 1715
- Ic en weet wat sider mede meinen.
- Men vint in vrayen boeken gheinen
- Dat hi noit anders iet
- Dan grote Karle en hiet.
- Van Hayms en van sinen kinden
- 1720
- En can men oec nerghens vinden
- Dat si leefden in Karels tiden:
- Dies latic al over liden,
- Ende die boerden henen varen;
- Want der Karle vele waren.
- 1725
- Om datter vele heeft gheweest
- Der Karle, alsmen leest,
- Soe tien dese selken liede
- Dat licht den anderen ghesciede.
- Vijf Karlen sekerlike
- 1730
- Soe hebben in Vrancrike
- Coninghe gheweest ende heren,
- Alsoe alse ons die yeesten leren:
- Die eerste Karel van desen
- Was
Karel Marteel, horen wi lesen,
- 1735
- Die dat lant van Vrancrike
- Vermontboerde hoechlike;
- Karel die Grote dander was;
- Karle de Caluwe die derde, als ic
las;
- Karle die Grove quamer naer;
- 1740
- Simpele Karle was voerwaer
- Dachterste onder dese vive.
- Nu sijn onwetende kative
- Die niet en weten wat si menen,
- Ende maken van den viven enen;
- 1745
- Ende dat ghesciede hen allen
- Willense van groten Karle callen,
- Ende belieghene uter maten sere,
- Dat jammer is van selken here;
- Want hi was in vromicheit volmaect,
- 1750
- Ende in wijsheiden soe gheraect,
- Ende in godlijcheiden soe volstaen,
- Dat men en weet, sonder waen,
- Van desen drien, in gheenre wijs,
- Hem gheven den meerren prijs;
- 1755
- Daer omme soe en bedaerf hi niet
- Datmen van hem seghet iet
- Dat anderen Karlen es geschiet:
- Ondanc hebbe hi dies pliet.
|