De verdeeling der accenten in een volzin is het product van meerdere krachten. Onder deze zijn er twee, op welke ik aan het begin dezer studie de aandacht wil vestigen. Deze zijn de traditie en het rhythme. Tot de traditie behoort onder meer, dat ieder woord eene vaste accentuatie heeft, die in den zin zooveel mogelijk bewaard blijft. De meeste Nederlandsche woorden bijvoorbeeld hebben, wanneer zij afzonderlijk gesproken worden, het hoofdaccent op de eerste lettergreep. In den zin blijft deze betoning in de meeste gevallen behouden. Tot de traditie behoort het ook, dat in zekere verbindingen van woorden sommige woorden regelmatig over andere domineeren, bijvoorbeeld het zelfstandig naamwoord over het voorafgaand lidwoord, het verleden deelwoord over het hulpwerkwoord. Traditioneel kan men ook vele afwijkingen van deze betoning noemen, met name de duidelijkheidsbetoning, die syllaben op den voorgrond brengt, waarop de spreker in het bijzonder de aandacht wil vestigen. Deze wijze brengt wel mee, dat een zelfde volzin op meerdere wijzen betoond kan worden, maar deze wijzigingen hebben toch hun grond in een bestaand gebruik.
In het Oudgermaansch was in dezen zin traditioneel niet alleen een hoofddrukaccent, dat in niet samengestelde woorden op de eerste syllabe viel, maar ook een afnemen van den druk naar het einde toe. Dit blijkt uit syncope- en verkortingsverschijnselen. De syncope en de verkorting tasten altijd het eerst de laatste syllabe van het woord aan; de tusschensyllaben zijn in de oudste periode nog geheel intact, en in de verschillende dialecten worden zij ook door jongere wetten verschillend behandeld. Dit wijst er op, dat in het Oergermaansch de
paenultima zwaarder druk had dan de ultima, en dat de jongere syncopeeringen in tusschensyllaben althans voor een deel het gevolg zijn van secundaire accentwijzigingen. Waar in vierlettergrepige woorden de derde boven de tweede gaat, is toch de neergaande lijn in zooverre aanwezig, als de syncope in de tweede dan jonger is dan in de vierde, en de derde ook beneden de eerste blijft. De accentbeweging is in zulk een geval, wanneer men met het laagste cijfer het sterkste accent aanduidt 1. 3. 2. 4.
De tweede factor, die bij de accentueering van den zin, en niet minder van het woord, een groote rol speelt, is het rhythme. De regels, die hier gelden, worden op den duur ook traditioneel, maar toch is hierin een element, dat, daar het wortelt in de behoefte aan regelmatigheid, die elken arbeid vereenvoudigt, altijd hetzelfde is.
Als een grondregel mag men aanmerken, dat er een natuurlijk streven is, om accenten van eenig gewicht op gelijken afstand te leggen. Zegt men: 't is mooi weer, dan laat de natuurlijke beweging van dezen volzin zich in muzieknoten aldus weergeven ♪|♩'|♩'. Plaatst men vóór mooi een bepalend woord van één lettergreep, dat zwaarder betoond is, b.v. heel, dan wordt de duur van den volzin niet langer, maar de tijd, die eerst aan mooi toekwam, wordt nu over heel en mooi verdeeld; de volzin 't is heel mooi weer krijgt de beweging: ♪|♪'♪|♩'. Zegt men in plaats van heel: deksels, dan luidt het ♪'|♬'♬♪|♩'. Zegt men allemachtig, dan wordt het ♬♬♬|♬'♬♪|♩'; de twee eerste syllaben van het bijwoord worden in den voorslag gebracht, die nu versneld wordt, en de drie syllaben -machtig mooi correspondeeren met de ééne syllabe mooi in den volzin, die het eerst genoemd werd. Evenzoo, maar met andere verdeeling, leelijk (♪'♪), heel leelijk (♪'♬♬).
De ruimte tusschen twee accenten is rekbaar; dit ligt voor de hand. Wanneer er veel taalstof in moet worden ondergebracht, zal zij licht iets langer zijn, dan wanneer zij door ééne
lettergreep gevuld wordt. Maar wordt de stof te omvangrijk, dan bestaat er kans, dat de maat gebroken wordt, en het tempo wordt door de toevoeging van eene nieuwe tijdseenheid verlangzaamd. Zoo zal de volzin 't is ongeloofelijk leelijk weer nauwelijks meer in twee maten kunnen gezegd worden, maar de beweging wordt: ♬♬♬|♪'♬♬|♪'♪|♩'.Tegelijk wordt het accent op de eerste syllabe van leelijk versterkt, al blijft deze bij de hoofdsyllabe van het bepalend woord ongeloofelijk nog op den achtergrond.
De afstand tusschen twee accenten heeft dus zijn maximum, maar hij heeft ook zijn minimum. Een opeenvolging van twee of meer betrekkelijk zware accenten met zeer korte tusschenruimte wordt vermeden. Zij komt wel voor, maar zij toont dan.neiging tot rhythmiseering. Zegt men, ongeduldig antwoordende op eene onwelkome bewering: ja ja ja, dan kan dit luiden ♪'♪'♪', maar heel licht zal dit worden ♪'♪♪', en wanneer men opzettelijk aan ieder ja gelijken toon wil geven, rekt men den klinker en zegt jā jā jā ♩'♩'♩' (of ძ'ძ'ძ').
De minimum-afstand voor twee zware accenten wordt in het volgende een spreekmaat genoemd. Zijn duur wordt aangegeven door een kwart noot (♩). Er is op te letten, dat niet iedere spreekmaat met een zwaar accent begint. Het begin der spreekmaat is de plaats, waar na een vorig hoofdaccent zonder rhythmisch bezwaar een nieuw hoofdaccent kàn vallen. Maar dikwijls valt er slechts een sterker of zwakker bijaccent. In de spreekmaat heeft, althans indien zij uit meer dan één syllabe bestaat, wederom eene verdeeling van druk plaats, waarbij naar gelijkmatigheid gestreefd wordt. Bevat zij twee syllaben, dan zal het accent der tweede liefst in het midden der maat vallen; bevat zij er drie, dan blijft licht de verdeeling in tweeën heerschen, zoodat men 1 + 2 krijgt of 2 + 1 (♪♬♬ of ♬♬♪); triolen-verdeeling is echter ook mogelijk. De bijaccenten in de spreekmaat zijn zwakker dan die aan het begin derzelfde en liefst ook der volgende maat. Deze rhyth-
mische neigingen kunnen in strijd komen met de hierboven genoemde dalende accentbeweging in meerlettergrepige woorden, en het gevolg kan zijn, dat eene ultima boven eene paenultima verheven wordt, of dat beide om den voorrang strijden.
Voor het oudgerm. is aan te nemen, dat de minimum-inhoud voor een spreekmaat eene grammatisch lange syllabe is. De lange syllabe kan dus de spreekmaat vullen. Eene korte syllabe is daartoe niet in staat. 1) Dit blijkt uit het volgende. Bij de opeenvolging van twee fortissyllaben of van fortis en semifortis is altijd de eerste lang. Twee fortissyllaben kunnen alleen op elkander volgen, indien zij tot verschillende woorden behooren. Monosyllaba op korten klinker verlengen dien klinker, tenzij zij en- of proclitisch zijn. Daarmee is reeds de opeenvolging ̮́ ×́ uitgesloten. Semifortis treedt op in composita. In geen compositum echter, waarvan het eerste lid uit ééne grammatisch korte syllabe bestaat en fortis draagt, terwijl het tweede lid semifortis op de eerste syllabe heeft, blijven deze betoningsverhoudingen op den duur onveranderd. Eenlettergrepige praefixen met korte syllabe zijn òf toonloos, òf de klinker wordt verlengd, òf de toon op het praefix heeft ten gevolge, dat de volgende syllabe haar accent verliest. Voorbeelden zijn 1o: go. ga- wordt ndl. ge- 1o en 2o go. bi- wordt ndl. be- (toonloos) en bij met verlengde i; 3o go. gansjan, indien het met ganisan samenhangt; on. gamall, d. s. gǫmlum uit ga-máll. In niet samengestelde woorden volgen op de hoofd-tonige syllabe òf niet meer syllaben òf bijna uitsluitend syllaben met infortis.
Men kan hieruit afleiden, dat in woorden van den grammatischen vorm ̮́ × de beweging regelmatig is ♪'♪, terwijl bij den vorm -́ × de beweging zoowel ♩'|♩ als ♪'♪ kan zijn.
Immers -́ is voldoende voor een spreekmaat, maar een spreekmaat kan ook meer bevatten dan -́. Dit komt geheel overeen met den regel voor de metriek, volgens welken -́ een maat kàn vullen maar niet behoeft te vullen. De metrische regel sluit zich dus onmiddellijk bij den regel der prozataal aan, het is de vorm, waarin deze in de kunsttechniek tot uiting komt. 1)
Eene zwaktonige syllabe wordt in de oudgerm. dialecten verschillend behandeld, naar gelang de voorafgaande toonsyllabe grammatisch lang of kort is. Dit hangt ongetwijfeld samen met het hierboven besproken rhythmisch verschil. Maar uit den genoemden rhythmischen regel laat zich niet zonder meer eene conclusie trekken omtrent het toongewicht der lettergreep, die volgt op eene lange resp. korte toonsyllabe. Want wel is het duidelijk, dat op een korte syllabe met fortis niet een fortis- of semifortissyllabe volgen kan, maar daaruit volgt niet, dat eene infortissyllabe hier minder veilig zou staan en eerder aan syncope blootstaan dan op eene andere plaats. En wel is gebleken, dat op eene lange syllabe met fortis een fortis- of semifortissyllabe kàn volgen, maar niet, dat zij mòet volgen; er kan ook hier een infortissyllabe staan, en over het weerstandsvermogen van zulk een lettergreep is nog niets gebleken. De vraag, hoe sterk dit weerstandsvermogen is, zal ongetwijfeld afhangen van het rhythme van het geheele woord. Het ligt voor de hand, dat er een onderscheid bestaat, naar gelang de twee lettergrepen tot één, dan of zij tot twee spreekmaten behooren. In het laatste geval heeft de eerste - lange -
syllabe haar vollen normalen duur, de tweede valt op eene plaats, waar een rhythmische druk, die van de overige waarde der syllabe onafhankelijk is, natuurlijk is. Anders gezegd: bij de beweging ♩'|♩ is van zelf het rhythme ♩'|'♩ gegeven. Bij de opeenvolging ̮́ ×, dus met korte toonsyllabe, is dit rhythme a priori uitgesloten; beide syllaben behooren tot één spreekmaat; de beweging is ♪'♪. Hieruit volgt nog niet, dat in de groep ̮́ × per se syncope moet plaats hebben, maar wel, dat, wanneer -́ × in twee spreekmaten gesproken wordt, de tweede syllabe dezer groep in gunstiger conditie is dan de tweede der groep ̮́ ×, die altijd in één maat gesproken wordt.
Anders ligt het geval, wanneer de groep -́ × in één maat gesproken wordt. Het rhythme is dan ook hier ♪'♪. De beschikbare tijdsruimte voor -́ × is dan dezelfde als voor ̮́ ×. Maar het taalmateriaal van -́ × is omvangrijker dan dat van ̮́ ×. Het is nu duidelijk, dat wanneer een langere groep klanken en een kortere in gelijke tijdsruimte moeten worden gesproken, de eerstgenoemde groep eerder aan verkorting blootstaat dan de tweede. In het bijzonder is er aan te denken, dat de lange toonsyllabe, wier meest normale duur ♩' is, in het rhythme ♪'♪ eenigszins gedrongen is. Zij streeft er dus naar, zich te verbreeden. Dit kan slechts geschieden op kosten der volgende zwaktonige syllabe. Hier is dus de kans, dat na eene lange toonsyllabe syncope tot stand komt, grooter, dan dat dit na eene korte toonsyllabe geschiedt.
Het germ. kent voorbeelden zoowel van de eene behandeling als van de andere. Wij zullen eenige gevallen onder de oogen zien, en bespreken in de eerste plaats de syncope in eindsyllaben van tweelettergrepige woorden.
| 1. | De eindsyllabe bevat a. |
| langstammig: oergerm. *wurðam, in alle dialecten word. | |
| kortstammig: oergerm. *ðagam, in alle dialecten dag. |
In beide gevallen treedt syncope op, slechts de analogie der i- en u-stammen doet vermoeden, dat de syncope na lange stamsyllabe ouder is dan na korte.
| 2. | De eindsyllabe bevat i. |
| langstammig: oergerm. *gastim, in alle dial. gast (gest). | |
| kortstammig: oergerm. *matim, go. mat, on. mat met jonger syncope dan in gest, ags. mete. | |
| 3. | De eindsyllabe bevat u. |
| langstammig: oergerm. *ðuþum, go. dauþu, n. en wgerm. dauþ. | |
| kortstammig: oergerm. *sunum, go. sunu, ngerm. sun met jonger syncope dan in dau&đ, wgerm. sunu. |
Alleen het go. maakt geen onderscheid tusschen lang- en kortstammige woorden; indien er een chronologische afstand in de syncope bestaat, wat wel aan te nemen is, dan blijkt dat niet uit de taal in de ons bekende periode van hare ontwikkeling. 1) Zoowel het n. als het wgerm. echter toonen een onderscheid, en wel dit, dat de syncope na lange stamsyllabe vroeger heeft plaats gehad dan na korte; het wgerm. bewaart den klinker na korte syllabe tot in den tijd der samenhangende bronnen.
De klinker is dus na een lange stamsyllabe meer blootgesteld geweest dan na een korte. De oorzaak kan, na hetgeen hierboven gezegd is, geene andere wezen, dan dat beide syllaben van het woord, zoowel wanneer de stamsyllabe lang als wanneer zij kort was, tot een zelfde spreekmaat behoorden. Voor ̮́ × is ♪'♪ het natuurlijk rhythme; de groep -́ × kan óók zoo gesproken worden, maar dan is het taalkundig tempo 2)
eenigszins versneld; de eerste syllabe rekt zich, en de syncope in de tweede wordt daardoor bevorderd, zoodat deze vroeger intreedt, dan anders zou zijn geschied.
Wij komen tot de drielettergrepige woorden en kiezen als voorbeelden de infinitieven *bindonom ( -́ × ×) en *geƀonom ( ̮́ × ×), waaruit in alle dialecten, afgezien van verdere wijzigingen, bindan geƀan wordt. De syncope in de derde syllabe toont, dat in beide gevallen de tweede sterker betoond was dan de derde. Het bijaccent - daargelaten, hoe sterk - viel dus op de tweede, en de beweging was dus volgens de rhythmische accentuatiewet ♩''♪♪ of ♪''♬♬ (voor *geƀonom komt alleen de tweede scansie in aanmerking). Voor de oudere taal bestaat geen directe aanwijzing, hoe het in dit opzicht met het langstammige *bindonom stond. Maar in eene jongere taal-periode komt het verschil tusschen de lang- en kortstammige woorden voor den dag. In het mhd. luidt het hœren, swellen, maar swern, queln, steln; m. a. w. in kortstammige verba wordt na l r de e der tweede syllabe gesyncopeerd, in langstammige niet. Dat is eene behandeling in volstrekte tegenstelling met die, welke wij in de van ouds tweelettergrepige woorden kennen. Men vergelijke:
| gasti | > | gast |
| mati, wini | > | mete, wine |
| swellan, hōr(i)an | > | swellen, hœren |
| stelan, swer(i)an | > | steln, swern |
De vocaal der tweede syllabe is dus in het mhd. na lange stamsyllabe sterker betoond dan na korte. Indien de beweging en het tempo in beide gevallen dezelfde geweest was, dan zou dit onbegrijpelijk zijn. De groep -́ × zou evenals in de periode, toen gasti > gast werd, bij het rhythme ♪'♪ eerder aan syncope blootstaan dan de groep ̮́ ×. Dus was bij hœren de beweging niet ♪'♪ maar ♩'|♩; de twee syllaben behoorden niet tot dezelfde spreekmaat. Onder deze omstandigheden was de zwakke e na korte syllabe meer geëxposeerd dan na lange,
en de syncope in een deel der kortstammige, waar de langstammige weerstand boden, wordt begrijpelijk.
Dit verschil is niet pas in het mhd. ontstaan, maar het gaat terug op een onderscheid, dat reeds in het oergerm. aanwezig was. Het rhythme van geƀan is ♪'♪, dat van bindan ♩'|♩. Er blijft, wil men dit verstaan, niet anders over dan aan te nemen, dat de oude drielettergrepige vormen reeds een analoog verschil vertoonden; *geƀonom had deze beweging: ♪'♬♬, *bindonom deze: ♩'|♪♪. De oudste syncope maakten deze woorden gemeenschappelijk door, mogelijk met eenig chronologisch verschil, waarbij dan *bindonom reeds in het voordeel moet zijn geweest; de tweede syncope bereikt een deel der verba van het type *geƀonom maar geen der verba van het type *bindonom.
Dat de twee syllaben van geƀan tot één, die van bindan tot twee spreekmaten behooren, wordt bevestigd door een metrisch verschijnsel. Voor de geheele alliteratiepoëzie geldt, ofschoon niet zonder uitzonderingen, de regel, die ook later in het mhd. nog bestaat, dat eene zwaktonige syllabe, onmiddellijk volgend op eene lange betoonde, eene heffing kan dragen. De oorzaak is, dat de natuurlijke plaats van zulk eene syllabe aan het begin van een spreekmaat was. Was zij door andere oorzaken te zwak, om op die plaats te staan - zooals in oorspronkelijk tweelettergrepige woorden op niet meer dan één consonant -, dan stond zij aan het einde der spreekmaat, maar dan was zij ook gesyncopeerd. Men kan dus ook zeggen: de vocalen, die na de oudste syncope nog bewaard waren onmiddellijk na eene lange betoonde syllabe, stonden aan het begin van een nieuwe spreekmaat. 1)
Voor de vóórsyncopische periode echter kan men uit het hier besprokene eene conclusie trekken. De groep ̮́ × vindt plaats in ééne spreekmaat; de groep -́ × in den regel ook, en evenzoo de groep ̮́ × ×, die ook metrisch later nog in vele gevallen gelijkwaardig is met -́ ×; bij de groep -́ × × daarentegen wordt het materiaal te omvangrijk; hier bestaat de neiging - of het een vaste regel is, is nog niet gebleken -, om de stof over twee maten te verdeelen. De verdeeling is dan niet -́ ×|×, maar -́|× ×, d.i. ♩'|♪♪.
Ik mag de opmerking niet terughouden, dat hier een verschil met de poëzie bestaat. Het poëtisch rhythme berust wel op de natuurlijke taalbeweging, maar zij voert toch een willekeurig element in, namelijk de groepeering der taalstof binnen te voren bepaalde grenzen. In de poëzie hangt het grootendeels van de behoeften van het vers af, hoeveel taalmateriaal een versmaat, en dus ook een spreekmaat, wier omvang de helft van een versmaat is (p. 165 noot), kan bevatten. De groep -́ × (meest uit vóórsyncopisch -́ × ×), kan hier zoowel de beweging ♩'♩ als ♪'♪, als ook met rekking ძ'|♩ hebben; -́ × × kan zijn ♩'♪♪ en ♪'♬♬ en ook ძ'|♩♩; de onderlinge verhouding der deelen blijft dezelfde als in proza, maar het taal-kundig rhythme kan versneld en verlangzaamd worden. Trouwens ook in proza komen deze wijzigingen voor onder invloed van de stemming van den spreker, van rhetorische tendenties - wat weder de poëzie nabijkomt. Maar de klankwettige ontwikkeling der woorden wordt in hoofdzaak bepaald door het normale gebruik, niet door de bijzondere gevallen.
In oorspronkelijk drielettergrepige woorden, waarvan de derde syllabe meer bevatte dan korten klinker + enkelen medeklinker (langen klinker, gedekt of niet, korten klinker + meer dan één medeklinker) ontmoeten wij een concurrentie tusschen tweede en derde syllabe, waarbij niet alle dialecten en zelfs in gelijksoortige gevallen hetzelfde dialect niet altijd denzelfden weg gegaan is. De quantiteit der stamsyllabe speelt ook
hier een rol, ofschoon niet de eerste. De belangrijkste gevallen zijn de volgende:
1. De derde syllabe ging op een langen klinker uit. Wanneer de tweede syllabe kort is, is in het ags. bij lange stamsyllabe de klinker der derde bewaard. De behandeling der tweede is verschillend; in het neutr. pl. is de klinker bewaard; in den n.s. der feminina is hij veelal gesyncopeerd: níetenu, cýððu (<*kunþiþō). Het eerste voorbeeld schijnt te wijzen op ♩'|'♪♪, het tweede wijst positief op ♪'♪|'♩. In het on. heeft in beide gevallen syncope in de derde syllabe plaats: mœðgin, Go̧ndul; dus ♩'|'♪♪.
Bij korte stamsyllabe is syncope in de derde regel, ook in het ags.: n. acc. pl. n. reeed, n.s. f. firen; evenzoo on. heroð, Sko̧gul; rhythme ♪'♬♬, waaruit ♪'♪. Dat er echter onzekerheid geweest is, toont ags. yfilu, yflu, wat wijst op ♬'♬♪.
Is de tweede syllabe lang, dan is de klinker regelmatig bewaard, de derde heeft syncope: ags. leornung, on. kerling ♩'|♩ uit ♩'|♪♪; ags. monung ♪'♪ uit ♪'♬♬.
2. De uitgang is -ĕs, -ĕ uit ouder -ĕsŏ, -ŏsŏ. In het ags. wordt een korte tweede syllabe na lange eerste gesyncopeerd, in het on. de derde: ags. eng(i)les, héafdes ♩'|♩ uit ♪'♪|♩(dus de tweede syllabe behoorde tot de eerste spreekmaat) on. o̧ndurs ♩'|♩ uit ♩'|♪♪. Bij kortstammige woorden behoudt het ags. de vocalen van tweede en derde syllabe, het on. alleen die der tweede: ags. daroðes, recedes ♪'♪|♩; on. sumars, d.i. ♪'♪ < ♪'♬♬. De derde syllabe van oern. *sumaras, was dus, ofschoon uit twee syllaben ontstaan, zoo verzwakt, dat zij in het einde der eerste maat gebracht was. Dit schijnt een verandering, want voor den vierlettergrepigen vorm *sumŏrŏso is zeker de beweging ♪'♪|♪♪ aan te nemen, waaruit aanvankelijk slechts ♪'♪|♩ kon worden.
3. De uitgang is nog zwaarder dan in het vorige geval, bv. ōm ((g. pl.). Zoowel in het ags. als in het on. is hij bewaard;
in de tweede syllabe heeft syncope plaats; in het ags. alleen na lange syllabe, in het on. ook na korte. Dus: ags. engla, on. o̧ndra (< *andura), d.i. ♩'|♩ uit ♪'♪|♩; ags. receda, on. sumra, d.i. ♪'♪|♩, waaruit on. ♩'|♩.
Is de tweede syllabe lang, dan heeft in geen dezer gevallen syncope plaats: ags. leornunga on. kerlinga, d.i. ♩'|♪♪; ags. monunga, d.i. ♪'♪|♩. Hier is dus een verschil in de onderlinge gewichtsverhouding der tweede en derde syllabe, een verschil, dat echter niet in syncopeverschijnselen tot uitdrukking komt en misschien ook in de litteraire periode niet meer bestond.
Het ohd. toont overal behoud van de tweede syllabe: lembir (< *lambizō), g. s. houbides, honages, g. pl. lembiro, acc. s. hertida. Dit toont, dat de tweede syllabe der langstammige woorden lang aan het begin van de tweede spreekmaat gestaan heeft. Het is wel waarschijnlijk, dat zij daarna in vele gevallen in de eerste gekomen is (vgl. nhd. hauptes), maar dan in eene periode, toen de vocaal niet meer aan oude syncope blootstond.
Uit het on. voer ik nog de volgende tegenstellingen aan: oern. n. pl. *geƀandiz > gefendr, d.i. ♪'♬♬>♪'♪. Maar n.s. *geƀandǣ (< -ǣn) > geƀandi, d.w.z. ♪'♪|♩ is gebleven.
oern. n. pl. *bindandiz ♩'|♪♪ > bindendr ♩'|♩; n.s. *bindandǣ (< -ǣn) ♩'|♪♪ of ♩'|♩ (beide bewegingen zijn mogelijk) > bindandi (gelijk accent).
Deze voorbeelden toonen, dat bij de verdeeling der accenten over meerlettergrepige woorden niet alleen de quantiteit der eerste syllabe in aanmerking komt. Het toongewicht, dat de tweede en derde (en eventueel andere) syllaben aan hun eigen taalmateriaal ontleenen, speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer de derde zwaarder is dan de tweede, krijgt zij de plaats onder het accent, en de tweede wordt dan dikwijls binnen het gebied der eerste geschoven, wat later, vooral na lange stamsyllabe, licht tot syncope voert. Waar tweede en
derde ongeveer tegen elkander opwegen, ontstaat eene onzekerheid, die tot verschillende behandeling voeren kan. Zulk een geval is het, wanneer de tweede grammatisch kort is en de derde oorspronkelijk op langen klinker uitgaat.
Een tweetal interessante voorbeelden voor wisseling van accent in drie- en vierlettergrepige vormen haal ik uit het go. aan. Van ains luidt de acc. s. m. ainana, van ainshun echter ainnohun. ainana is ontstaan uit *ainano; de verkorting in de derde syllabe toont, dat het rhythme was ♩|♪♪. Maar in den vorm *ainanohun is niet alleen de lange klinker der derde syllabe bewaard, wat men aan den beschermenden invloed der volgende partikel kan toeschrijven, maar de a der tweede syllabe is ook gesyncopeerd. Dit toont, dat het rhythme verschillend was, en wel was het in het tweede voorbeeld ♪♪|♪♪. De ō der derde heeft dus haar behoud als lange niet alleen hieraan te danken, dat zij niet aan het einde stond, maar ook hieraan, dat zij in eene syllabe stond, die een spreekmaat opende.
De dat. s. m. van ains en ainshun luiden ainamma en ainummehun. In het tweede voorbeeld is de vocaal der tweede syllabe niet gesyncopeerd, daar de vorm in dit geval niet uit te spreken zou zijn. Maar het rhythme was ook hier ♪'♪|♪♪, en het accent der tweede syllabe was zoo zwak, dat daardoor de overgang van ŏ in ă verhinderd is. Het is bekend, dat deze overgang in de germ. dialecten in meer dan één stadium heeft plaats gehad. Algemeen germ. is hij in syllaben met fortis en semifortis; in zwaktonige syllaben behoort hij tot de afzonderlijke dialecten, en in het n. en wgerm. komen uitzonderingen voor. Een derde, jongste groep vormen de ŏ's, die uit ō verkort zijn; ook hier kennen het n. en wgerm. uitzonderingen. In al die gevallen heeft het go. a. In ainummehun echter staat een oude ŏ, die extra zwaktonig was en in de termen viel, om gesyncopeerd te worden, die echter bewaard is op grond van haar positie tusschen consonanten, die een moeilijke groep zouden vormen, indien zij niet door een vocaal gescheiden
waren. Hier heeft ook in het go. de overgang ŏ > ă niet plaats gehad, ŏ is daarna verengd tot u, gelijk in 't n. en wgerm. in zwaktonige syllaben vóór m geschiedt.
Wij keeren terug tot de infinitieven *bindanom, *geƀanom, die ons nog andere raadsels opgeven dat dat, wat p. 168 v. besproken werd. Men neemt algemeen op goede gronden aan, dat de syncope in drielettergrepige woorden ouder is dan in tweelettergrepige. Toen dus *wurda tot word, *gasti tot gast (gest) werd, luidden de aangevoerde infinitieven bindan, geƀan. Wat is de oorzaak, dat hier geen syncope heeft plaats gehad? De woorden waren tweelettergrepig, en de tweede syllabe bevatte een zwaktonigen klinker, die slechts door een enkele consonant werd gedekt. Dat de volgende nasaal alleen oorzaak zou wezen van het behoud van den klinker, is niet aan te nemen. De syncope van tusschenvocalen toont, dat ook gedekte vocalen wegvallen, wanneer de accentvoorwaarden daartoe aanwezig zijn. En wegval in ultima vóór een consonant is geen ongewoon verschijnsel. Zoo valt in het on. een korte vocaal in ultima vóór r weg (hundr < hundaR). En in het go. verdwijnt de vocaal vó´r s in den nom. s. dags (< *dagas(-z)), maar niet in den gen. dagis (< *dageso), een geval dat geheel parallel is met de vergelijking word < *wurdam tegenover bindan (<-om) zonder verder verlies. Dezelfde questie doet zich voor bij vormen als bindiþ, geƀiþ, waar het behoud der i niet uitsluitend aan de volgende þ kan worden toegeschreven maar hiermee moet samenhangen, dat deze woorden reeds in eene vroegere periode eene syncope hebben ondergaan. Bij bindan zou het nu mogelijk zijn, de zaak in verband te brengen met hetgeen hierboven gezegd is over de verdeeling der syllaben over twee spreekmaten. Stond de tweede syllabe aan het begin eener spreekmaat, dan was haar positie niet dezelfde als die der tweede lettergreep van *gasti. Maar voor geƀan, dat slechts het rhythme ♪'♪ kan hebben, gaat deze verklaring niet op.
De opheldering van het verschijnsel, die Kock voor sommige
on. vormen met korten klinker in ultima gegeven heeft, moet blijkbaar voor het geheele Germaansche gebied gelden. Wanneer door syncope het verlies eener syllabe ontstaat, neemt de voorafgaande lettergreep het accent der verlorene over en krijgt dus een tweetoppig accent. Deze ontwikkeling werpt een eigenaardig licht op den aard der syncope. Het is niet de behoefte, om zich het spreken gemakkelijk te maken, die er toe voert, een deel van een woord eerst te verwaarloozen en daarna geheel weg te werpen en de rede zoodoende te bekorten, - neen, want het geheele rhythme der woorden blijft bewaard, en de duur der rede is na de syncope precies even lang als daarvoor. Het is veeleer een strijd tusschen twee syllaben, die hier wordt uitgestreden, een verdringen der zwaktonige syllabe, die omdat zij zwaktonig was, ook zwakker gearticuleerd was, door de voorafgaande sterktonige, wier elementen, omdat zij sterktonig is, een nauwkeurig gearticuleerde uitspraak verlangen. De tijd, die daarvoor noodig is, wordt verschaft op kosten der volgende syllabe, die minder scherp gearticuleerd is, en in de eerste plaats van haar klinker, wier articulatie wederom in de syllabe de zwakste is. Het accent der syllabe is dus niet verloren gegaan; alleen ging de articulatiebeweging verloren, die de klinker behoefde. Maar de eerste syllabe heeft zich verbreed en de plaats ingenomen onder het accent der tweede, dat wel verzwakt is maar toch zijn oude plaats behouden heeft. Het is een geval van het bekende: die heeft, dien zal gegeven worden. Als verder gevolg kunnen nu ook veranderingen met het accent plaats hebben; bij drielettergrepige woorden, wier tweede tweetoppig werd door syncope der derde, kan later een dezer toppen op de eerste syllabe overgaan, zoodat deze dan feitelijk het oorspronkelijk accent der beide eerste heeft, terwijl de tweede alleen het accent der derde draagt. Ook kan een tweetoppig accent op den duur vereenvoudigd worden. Deze dingen kan men in bijzonderheden nalezen in Kock's werk ‘Die alt- u. neuschwedische Accentuierung’.
Door het overnemen van het accent der derde syllabe kreeg dus de tweede een versterking van accent, en dit accent was nog niet geheel gereduceerd tot gelijkheid met een oorspronkelijk ééntoppig accent, toen de syncope in tweelettergrepige woorden tot stand kwam. Vandaar dat de oorspronkelijk drie-lettergrepige woorden weerstand boden aan de syncope der tweede syllabe. Daar nu deze verhoudingen in het go. en wgerm. precies dezelfde zijn als in het ngerm., mag men met recht besluiten, dat de oorzaak hier dezelfde is, en dat ook hier circumflecteering heeft plaats gehad. Daarom luidt ook in het go. de gen.s. der a-stammen dagis uit *dagẽs (< *ðageso), maar de nom. s. dags uit *ðagaz.
Uit het Skandinavisch weten wij ook, dat een klinker, die ten gevolge van syncope in de volgende syllabe circumflex heeft gekregen, tevens verlengd is. Hij heeft niet altijd de waarde van een langen klinker gekregen; hij kan ook half-lang geworden zijn. In de meeste gevallen is later verkorting ingetreden. De verlenging kan geen verwondering wekken. Immers, wanneer de accenten hun oude plaats bewaren, moet een syllabe, die onder twee accenten valt, verlengd worden, en de kans, dat de verlenging den klinker treft, die licht de drager der beide accenten is, is groot. Wij zullen echter, na hetgeen voorafgaat, niet in alle gevallen gelijke lengte verwachten. Integendeel, men kan verwachten, dat de quantiteit van den op deze wijze verlengden klinker in rapport zal staan tot de waarde, die de beide syllaben te voren hadden. Bij syncope in woorden, wier rhythme ♩'|♪♪ was, zal men dus als resultaat een langer klinker wachten dan in woorden met het oorspronkelijk rhythme ♪'♬♬. In het eerste geval zijn reeds de oorspronkelijke klinkers korter dan in het tweede, en ook na de syncope blijft voor de tweede syllabe van de eerstgenoemde woorden het spatium ♩ over, voor die van de tweede soort slechts ♪. Uit het volgende zal blijken, of de ervaring deze verwachting bevestigt.
De oudste syncope in de germ. dialecten is ongetwijfeld die van korten ongedekten klinker in derde syllabe waardoor de vormen van den gen.s. *ðages, -as, *wurðes, -as ontstaan. Deze vroege syncope moet oorzaak zijn, dat het verval van het woord verder is gegaan, dan anders het geval is. Immers ook de vocaal der tweede syllabe is in het on. gesyncopeerd. De ontwikkeling van den g. s. dags is dus ♪'♬♬>♪'♪>♩' (in de overige dialecten is slechts het tweede stadium bereikt). Indien de vocaal der tweede syllabe bij de syncope gerekt is, dan heeft de syllabe toch geen grooter quantiteit dan ♪ gekregen; het accent is vroeg eentoppig geworden, in é´n dialect voor het einde der syncope in tweelettergrepige woorden.
Uit de genitiefvormen go. waurdis, on. orðs leeren wij, dat hier de ontwikkeling dezelfde geweest is als bij go. dagis, on. dags. Dus had ook de grondvorm *wurðeso het rhythme ♪'♬♬. Was het ♩'|♪♪ geweest, dan ware syncope in de 2e syllabe in het on. ondenkbaar. Dat *wurðeso in één spreekmaat werd gesproken, is zeker toe te schrijven aan de geringe waarde der groep ĕsŏ, - twee korte klinkers, gescheiden door één consonant. Voor *bindonom was het rhythme ♩'|♪♪. De grens tusschen één en twee spreekmaten wordt juist bij het plus, dat in die m bestaat, overschreden.
Gelijk met *ðagĕsŏ, *wurðĕsŏ verhoudt het zich met *nemesi, go. nimis, on. nemr; *bindesi, go. bindis, on. bindr. Hier is i aan 't einde der derde syllabe gesyncopeerd met gelijk gevolg. De groep staat op de grens, en een kleinigheid kan haar doen overslaan in een ander rhythme. Hieraan schrijf ik toe, dat de 2e pl. in het on. bindið luidt. De grondvorm is *bindĕðĕ. De 1e en 3e pl. hadden het rhythme ♩'|♪♪ (*bindŏmĕ(z, *bindondi). Onder invloed van deze vormen behield *bindĕðĕ hetzelfde rhythme en werd niet tot ♪'♬♬. nemið (♪'♪ ≺ ♪'♬♬) kan tweelettergrepig gebleven zijn onder invloed van bindið. Immers de 2e sing. nemr zou doen verwachten *nemð.
Het germ. kent eene uit het ide. stammende wisseling tusschen i en i̯ in tweede syllabe, afhankelijk van de quantiteit der eerste. Er hebben in de germ. dialecten meerdere overgangen van i in i̯ en omgekeerd plaats gehad, die maken, dat wij bij de bepaling, van welken klank wij hebben uit te gaan, ons niet uitsluitend door dit quantiteitsverschil kunnen laten leiden, maar er zijn toch gevallen, waar duidelijk eene i optreedt, die met recht als voortzetting van ide. i mag gelden. Tot deze behoort de n.s. der mannelijke ia-stammen. De pogingen om de lange i in go. hairdeis te verklaren, zijn talrijk; de eenvoudigste opvatting is echter, dat de vorm een regelrechte voortzetting van oergerm. *herðiaz 1) is. Het rhythme is ♩'|♪♪. Bij de syncope van a is i verlengd, en lange ī is in het go. voor s bewaard. Ook on. hirðir is uit een vorm met ī ontstaan en is dus met go. hairdeis volkomen identiek. En ook in het wgerm. is de ī als korte vocaal bewaard, terwijl een oorspronkelijke korte zou zijn gesyncopeerd.
De acc. s. *herðiam, na verlies der m *herðia, werd op gelijke wijze tot *herðī. Hier is ī aan het einde in het go. verkort.
In de behandeling der woorden, waar syncope tot consonantengeminatie kan leiden, gaan de drie hoofddialectengroepen verschillende wegen. Wij staan het eerst stil bij de wgerm. gevallen, die het talrijkst zijn.
De nom. s. *baðja (uit *baðjam) was tweelettergrepig volgens den regel, dat antevocalisch na een korten klinker, gevolgd door één medeklinker, niet i maar i̯ stond 2). Deze
toestand bestond in het wgerm. nog tijdens de syncope in eindsyllaben. Maar, wat men in den regel over het hoofd ziet, de klinker der eerste syllabe werd, daar i̯ consonant was, door twee consonanten gevolgd, en de stamsyllabe moet dus voor de verdere behandeling als lang gelden. Het rhythmisch schema van het woord was dus -́ ×, en wel in één spreekmaat, dus ♪'♪. Bij de syncope van den klinker der tweede lettergreep trad nu echter niet de eerste in hare rechten, maar de onmiddellijk voorafgaande i̯. Daar het woordrhythme bewaard blijft, wordt dus i̯ verschoven onder het accent der tweede syllabe, d.i. naar de plaats, die vroeger a innam:
| uit baðja |
| wordt bað. i |
De j was echter innig verbonden - door vaste aansluiting (zie beneden) - aan de voorafgaande ð; zij trok dus de ð mee. Aan de andere zijde was ð aan den voorafgaanden klinker vast verbonden, en deze verbinding werd vastgehouden. Het gevolg was, dat ð gerekt werd. De ledige ruimte, die door de opschuiving der i̯ dreigde te ontstaan, werd aangevuld door verlenging van de voorafgaande consonant. Zoo ontstond de vorm *baddi (beddi). Bij de daarop volgende i-syncope, die jonger is dan de a-syncope, is i na een lange syllabe, die tot dezelfde spreekmaat behoorde, gesyncopeerd. Het resultaat is bedd. Het rhythme -́ × (♪'♪) is door de geminatie bewaard; pas door de syncope van i wordt daaruit -́ (♩').
De i van beddi heeft geen tweetoppig accent gehad. Toen zij consonant was, had zij geen accent; ten gevolge van de a-syncope kreeg zij den top der vroeger volgende a; zij had nu een ééntoppig accent en is behandeld als oude eentoppige i na lange syllabe, zooals b.v. in gasti, waaruit gast, gest.
Het blijkt, dat de verbreide meening, dat de geminaat in bedd uit de casus obliqui stamt, niet juist is. Juist bij den overgang van i̯ in i, en niet eerder, treden de voorwaarden voor de geminatie in, nl. de verschuiving van i̯ naar een latere
plaats in het woord. Er zou dus eer reden zijn voor de onderstelling, dat omgekeerd de geminaat in de casus obliqui uit de nom. acc. stamde, indien men niet op goede gronden mocht aannemen, dat ook hier i̯ tot i geworden is (zie beneden).
Het zelfstandig naamwoord, dat in het ags. here luidt, was in het wgerm. drielettergrepig en kortstammig. Wij hebben hier een voorbeeld voor een overgang van postconsonantisch i̯ in i, afhangend van den voorafgaanden medeklinker. Het ide. had na korte syllabe i̯, maar na r was deze i̯ in het wgerm. i geworden. Het woord luidde dus *haria; de beweging was ♪'♬♬. Toen de a der derde syllabe gesyncopeerd werd, kreeg i een tweetoppig accent en werd eenigszins verlengd; de waarde der syllabe ging echter een halve spreekmaat (♪) niet te boven. In de bronnen treedt deze i dan ook niet als lange op. Zij is echter niet gesyncopeerd volgens den bekenden regel, dat ĭ na korte stamsyllabe behouden blijft. Geminatie heeft zij niet bewerkt, daar zij niet van plaats veranderd is. De quantiteit der stamsyllabe bleef - als in *baddi uit *baðja - onveranderd, in dit geval kort. De ontwikkeling *haria(m) > *harĩ > hari is geheel parellel met *geƀonom > *geƀãn > geƀan.
Wanneer ja-stammen als eerste leden van composita optreden, blijft de geminatie klankwettig achterwege: os. kuniburd, fenilîk, ags. Cynewulf. Er heeft dus voor de syncope i gestaan, en de grondvormen zijn *kuniaburði, *fanialîka, *kuniawulfa. Deze betoning moet samenhangen met de onmiddellijk volgende semifortis, en dan kan dit niets anders beteekenen, dan dat voor de semifortis het accent van den onmiddellijk voorafgaanden klinker verzwakt, dat van de daaraan voorafgaande semivocaal versterkt is, zoodat de stijgende diphthong tot een dalenden werd. Pas daarna is a gesyncopeerd. Uit composita als fenilîk is het simplex feni geabstraheerd; het ndl. heeft ven naast veen; vgl. ook het Hohe Venn.
De infinitief *satjonom wordt door syncope in de derde
syllabe tot sattian. Het woord is als *baðja kortstammig, wanneer men j niet, maar langstammig, wanneer men j wèl meetelt. Er staat dus aanvankelijk consonantische j; de grammatische vorm is -́ × ×, en daar de derde syllabe oorspronkelijk meer bevat dan een enkele korte vocaal, is het rhythme ♩'|♪♪ als dat van *bindonom. Door de syncope wordt het woord tweelettergrepig met de beweging ♩'|♩, en de tweede syllabe krijgt een tweetoppig accent, bestaande uit het accent, dat zij bezat, en dat der derde syllabe. Onder den invloed van den circumflex wordt nu i̯ sonantisch; het dubbele accent der syllabe -i̯an deelt zich over i̯ (die i wordt) en a; i komt onder den eersten top, dus onder het accent, dat a vroeger had; a komt onder den top der derde syllabe.
| Dus: *sat i̯ ŏ nŏ(m) |
| wordt: *sat. i an. |
De verschuiving der i heeft een verlenging der t ten gevolge, evenals bij de ontwikkeling van *baði̯a tot *baðði. Het resultaat is settian. Zoo is de vorm in het os. Daarna is de i gesyncopeerd. 1)
Bij de os. 1e pers. s. swebbiu luiden de 2e en 3e s. sweƀis, sweƀid (-t, -ð). De grondvorm is *swaƀis, -þ; het woord is van ouds kortstammig; er is geen j i geworden; geen verschuiving van i̯ onder een vreemd accent heeft plaats gehad, en dus ook geen verschuiving van de voorafgaande consonant naar een verdere plaats. Daarmee is in overeenstemming, dat er geen geminatie tot stand is gekomen. De quantiteit der stamsyllabe is ook hier dezelfde gebleven. Rhythme: ♪'♪.
De infinitief os. nerian luidde wgerm. *nariono(m). De cir-
cumflex, die bij de syncope der derde in de tweede syllabe ontstaat, deelt zich over i en a. Maar daar er reeds te voren i stond, komt geen verschuiving en dus ook geen geminatie tot stand. i staat nu na korte stamsyllabe en is daarom langer bewaard dan in settian. Rhythme: *narianom ♪'♪|♪♪ > nariãn ♪'♪|♩ > nariãn ♪'♬♬, later ♬'♬♪, wat aanleiding geeft tot de syncope van i.
De infinitieven sōkjan, laiðjan hebben ongetwijfeld eenmaal volgens den ide. regel geluid *sō- | kionom, *lai- | ðionom, vier-lettergrepige vormen met het rhythme ♩'|♪♬♬ (of mogelijk ♪'|♬♬♪). Maar het is begrijpelijk, dat korte i antevocalisch vóór twee volle syllaben, die tot dezelfde spreekmaat behoorden, sterk gereduceerd was, en men mag aannemen, dat vóór de syncope drielettergrepige bijvormen bestonden, waarin i consonant was, en die luidden *sōk- | i̯onom, *lai̯ð- | i̯onom Indien de oude vormen voortbestonden, werd daaruit ten gevolge der syncope *sō- | kiãn, *lai- | ðiãn. De i, die vocaal was, behield haar oude plaats, en van geminatie was dus geen sprake. Later is i gesyncopeerd op dezelfde wijze als in settian.
Evenwel, het is niet zeker, dat de vormen *sō-kionom, *lai-ðionom tot in den tijd der syncope voortbestaan hebben. Want ook uit de jongere vormen met i̯ laten zich de overgeleverde vormen verklaren. In *sōki̯onom moest ten gevolge der syncope in de ultima i̯ sonant worden gelijk in *sati̯onom. i̯ werd nu verschoven onder het accent der tweede syllabe, en gelijk bij sati̯on(om) trok zij de voorafgaande consonant mee. Daar echter aan de consonant een lange klinker (resp. tweeklank) voorafging, was de aansluiting aan deze zijde minder vast. De medeklinker kon dus opschuiven, zonder verlengd te worden; de geringe verlenging, die noodig was, trof den voorafgaanden klinker of tweeklank. Ook op deze wijze ontstond een vorm sōkian (resp. laiðian), waarin later i gesyncopeerd is. Maar ook een andere ontwikkeling was hier mogelijk. Wanneer de consonant aan den voorafgaanden klinker bleef vasthouden,
dan trad het geval in, dat wij bij settian leerden kennen; de consonant werd verlengd. Dit is sporadisch en dialectisch gebeurd. Op deze wijze ontstonden hd. vormen als leitten naast leiten. Wanneer de consonant door een andere consonant voorafgegaan werd, is deze ontwikkeling natuurlijk zelden te constateeren; een geminaat na een consonant zou toch in den regel vereenvoudigd zijn. Uit *drankionom werd dus *drankian, hetzij men onmiddellijk vóór de syncope i̯ of i aanneemt. (Vgl. echter mhd. wülpe met p < b < bb < ƀƀ).
Indien de hierboven gegeven verklaring der geminatie in bedd, settan enz. juist is, dan blijkt, dat deze niet eenvoudig door j bewerkt is zonder meer, maar door eene j, die i werd, die een accent kreeg, hetzij van een vroeger volgenden, daarna gesyncopeerden klinker, hetzij den eersten top van den onmiddellijk volgenden klinker, die door syncope in de daarop volgende syllabe tweetoppig geworden was. Wij zullen hieronder nog eenige voorbeelden bezien.
Go. aljan luidt ags. ellen. De grondvorm is *ali̯ono(m). Door syncope ontstond *ali̯ãn, waaruit *alliãn > ellian > ellen.
De 1e sing. ohd. heffu is ontstaan uit *hafjō, waaruit *hafju > *haffi > *heff. u is later toegevoegd - gelijk in bindu - naar het voorbeeld van kortstammige woorden als nemu. De overige vormen van het paradigma, die geminatie toonen, hebben alle in eene vroegere periode syncope ondergaan: 1e pl. *hafjome(z) > *haffiõm > heffum; 3e pl. *hafjanði > *haffiãnd > heffant.
n.s. *siƀ}jō (go. sibja) > wgerm. *siƀi̯u (♪'♪) > *sibbi (♪'♪) > ags. sibb (♩); ohd. sippa met a uit den acc. s.
g. s. *siƀjõz (♩'|♩) (het ide. tweetoppig accent was vóór een consonant bewaard; zie mijn Oergerm. Handboek § 81 aanm. 5, 82 aanm. 1). Hieruit *sibbiã > *sibba > *sibbæ > ags. sibbe.
acc. s. *siƀ}jōm (♩'|♩). Bij het verlies der m werd het accent der ō tweetoppig; de vorm werd siƀi̯õ. Hieruit *siƀƀiã} ♩'|♪♪, daarna ♪'♪|♩, waaruit hd. sippa.
1. puteus, overgenomen als *putju > *putti > ndl. put. Hd. pfütze met e (< a) uit den acc. s.
Het is hier de plaats, om iets te zeggen over syllaben-deeling, die veelal voor de geminatie verantwoordelijk wordt gesteld. 1) Het is duidelijk, dat, waar de verhouding der hoogtepunten der syllaben het uitgangspunt der beweging is, de oorzaak niet te gelijk gezocht kan worden in de syllaben-grenzen, die juist in de diepste punten vallen. Maar wel kunnen veranderingen der syllabengrenzen het gevolg zijn van dezelfde verschuivingen in het lichaam der woorden, die ook oorzaak zijn van de verlenging der consonanten. De verandering der syllabengrens is dan secundair. Het is echter noodzakelijk, indien men zich hieromtrent eene voorstelling wil maken, dat men zich er nauwkeurig rekenschap van geeft, wat men onder een syllabengrens verstaat. Bedoelt men het minimum in een aaneengesloten reeks drukmomenten, dan bestaan bij de opeenvolging vocaal, enkele consonant, vocaal drie mogelijkheden: het minimum kan vallen onmiddellijk vóór de consonant, of daarna, of daarin. Dit hangt ten deele van de natuur der consonant af, ten deele van de aansluiting aan beide zijden. Wat het eerste punt betreft: bij sluitingsgeluiden wordt van zelf een minimum bereikt aan het begin van de consonant, waar de expiratie geheel ophoudt. De druk is dynamisch wel aanwezig maar heeft door de sluiting geen uitwerking. Het begin, der consonant zal dus in de meeste gevallen op de grens staan 2); het tweede gedeelte - de explosie
bij de opening - behoort tot de tweede syllabe. Bij andere consonanten, bijvoorbeeld liquidae en nasalen, is het anders; hier is de vraag, of zij gesproken worden met een crescendo of met een decrescendo, of ook met een decrescendo gevolgd door een crescendo, of eindelijk met gelijkmatigen druk. In het eerste geval behooren zij tot de tweede syllabe, in het tweede geval tot de eerste, in de beide laatste gevallen ligt de grens in de consonant. Het is zeker niet overbodig, hier op te merken, dat de omstandigheid, dat het diepste punt in een consonant valt, nog volstrekt niet meebrengt, dat deze lang is. De consonant, lang of kort, heeft altijd zekeren duur, waarin een minimum kan vallen, welks duur theoretisch gelijk nul is en in geen geval noodzakelijk meer tijd behoeft te eischen dan den duur van een korten medeklinker. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat de verplaatsing van een syllabengrens naar een consonant met verlenging gepaard kàn gaan.
Wanneer twee vocalen gescheiden zijn door een consonantengroep, - laat ons, om het geval niet te gecompliceerd te maken, zeggen: twee consonanten - dan zal heel licht de grens in den bovengenoemden zin vallen tusschen de beide consonanten. Het moment, dat noodig is, om de wijziging in de articulatie aan te brengen, die voor den overgang van de eene consonant op de andere vereischt is, zal dan licht een minimum bevatten. Maar natuurlijk speelt ook hier de aard der consonanten een rol en is het niet hetzelfde, of men b.v. met de opeenvolging tj of met ml te doen heeft. Ik zal echter in dit verband hierop niet verder ingaan.
De tweede factor, die bij de beoordeeling eener syllaben-grens in aanmerking komt, is de sterkere of zwakkere aaneensluiting der klanken. Deze kan zoowel voor als achter de consonant verschillend zijn. Wanneer de voorafgaande vocaal met een sterk decrescendo gesproken wordt, kan het minimum aan het einde van den klinker bereikt zijn; met den medeklinker begint dan een crescendo. Het is bekend en begrijpelijk, dat dit vooral voorkomt, waar de klinker lang is, daar
het sterkste punt van den klinker aan het begin ligt en dus gedurende het spreken van een langen klinker onder overigens gelijke omstandigheden de afname van druk bij een langen klinker sterker kan zijn dan bij een korten. (Zie Jespersen, Lehrbuch der Phonetik2 p. 203). Daaruit volgt echter niet, dat een voortzetting van het decrescendo op een volgenden medeklinker eene onmogelijkheid zou zijn.
Losse aansluiting tusschen een medeklinker en den volgenden klinker komt vooral voor in samengestelde woorden, zoolang het bewustzijn voor de samenstelling levend is. Tegenstellingen als go. usagjan en uzon toonen, dat er twee mogelijkheden bestaan. In het eerste voorbeeld wordt us gevoeld als een zelfstandig element; er volgt een minimum op s, en de oorspronkelijke z is dan ook behandeld als een klank aan het einde van het woord. In het tweede geval bestaat dit bewustzijn niet of in minder mate; het gevolg is vaste aansluiting van z aan de volgende o en behoud der z. Maar hieruit volgt niet, dat de aansluiting van z aan de voorafgaande u zwakker is geworden, en men heeft dus wèl reden voor de deeling us-agjan, maar volstrekt niet voor eene deeling u-zon. Het minimum kan hier zeer goed in de z vallen.
In hoeverre het etymologisch bewustzijn in het oergerm. invloed had op de uitspraak van niet samengestelde woorden, weten wij niet. Men zal zich wel eenigszins bewust geweest zijn, dat -da in go. nasida een uitgang is, maar daaruit volgt nog niet, dat aan -da een drukminimum voorafging.
Onvaste aansluiting aan een volgenden klinker kan een rol spelen bij de verlenging van een consonant, maar slechts, wanneer de onvaste aansluiting in vaste overgaat. Men heeft zich deze gebeurtenis, als volgt, voor te stellen. Voor het minimum, dat op de consonant volgt, is een zekere tijdsruimte noodig, wier duur niet veel verschilt van dien eener consonant. Hieruit verklaart het zich, dat eerste leden van composita, bestaande uit (consonant of consonantengroep +) korten klinker + enkele consonant in de oude metriek voor lange
syllabe gelden, ook indien een klinker volgt. In ohd. unêra, d.i. un-êra, is de afstand van u tot ê dezelfde, als wanneer deze vocalen door twee consonanten gescheiden waren; de plaats der tweede consonant wordt gevuld door het minimum na n en de versterking van den druk, waarmee het volgend maximum, dat op ê valt, bereikt wordt. Indien nu dit minimum wordt opgeheven en dus vaste aansluiting ontstaat, dan zal, indien de accentuatie der groep en dus ook de afstand tusschen de beide accenten, in dit geval fortis en semifortis, dezelfde blijft, de consonant verlengd worden. Hierop berust bijvoorbeeld de dialectische overgang van mijn oom in mijnnoom in het ndl. 1) Het geval laat zich met de verlenging der d in bedd(e) vergelijken. In mijnnoom is vaste aansluiting ontstaan, waar vroeger een minimum aanwezig was; in bedd(e) dreigde een vaste aansluiting ten gevolge van de verplaatsing der i̯ (i) verloren te gaan, maar zij is bewaard door de verlenging van de consonant. 2)
Het is nu echter de vraag, of het gevoel voor de deeling der syllaben wel uitsluitend op het drukminimum berust, en of het niet veeleer rhythmisch van aard is, ja of niet ook het drukminimum zelf evenals het maximum zich yoor een belangrijk deel naar rhythmische beginselen regelt. Nu wordt de rhythmiek der taal bepaald niet door de minima, maar door de maxima, die vallen op de sonanten der syllaben. Maar
daar de meeste woorden en dus ook de meeste betoonde syllaben met een consonant beginnen, ontstaat het gevoel, dat een consonant, die twee vocalen scheidt, tot de tweede syllabe behoort. Dit is niet alleen een zaak van taalgevoel, maar ook van rhythmiek. Wanneer in eene syllabe het hoogtepunt in de volgorde der klanken de tweede plaats inneemt, dan moet dat ook in de volgende gebeuren, daar anders de volgende top te vroeg zou komen. Zegt men dus: heete dagen, dan brengt de omstandigheid, dat hee- en da- met een consonant beginnen, mee, dat de t en de g, waarmee de groepen -te en -gen beginnen, op de plaats vallen, die rhythmisch met de h en de d correspondeeren, d.w.z. zóó, dat de tijdsruimte, die voor ieder der beide woorden beschikbaar is, juist in tweeën gedeeld wordt, wanneer men de syllabengrens vóór de t resp. de g legt. Daar op deze consonanten het hoogtepunt der lettergreep onmiddellijk volgt, zullen zij ook in den regel òf een crescendo hebben of reeds met volle kracht gesproken worden; in beide gevallen valt dus het minimum met de rhythmische grens samen.
Ik mag hier de opmerking niet terughouden, dat dus in den grond de syllabengrens niet geheel samenvalt met de grens der maat of van een rhythmisch maatdeel. De maatgrens begint met den ictus, d.i. het hoogtepunt der syllabe, dat op de sonant valt; de syllabe begint even daarvoor. Maar het verschil is zeer constant en zoo gering, dat men het bij de meeste onderzoekingen verwaarloozen kan; het heeft bijna alleen theoretische beteekenis. 1)
Men kan op grond van het bovenstaande wel met recht zeggen, dat bij de uitspraak *baðja ð tot de eerste, j tot de tweede syllabe behoort. Wanneer *baðja wordt tot baðði, dan krijgt i de plaats der sonant, d.i. de tweede plaats in de tweede syllabe; de ð, die gerekt is, behoort rhythmisch tot beide. Hie is dus inderdaad te gelijk met de geminatie een syllabengrens verlegd van het einde naar het midden der consonant. Wanneer *hariaz *hari wordt, heeft er geen verandering in de syllabengrens plaats; r behoort van den aanvang en ook later tot de tweede syllabe.
Er bestaat dus een verschil in quantiteit tusschen de a van *hari en de a van *baðði. De eerste gaat tot het einde der syllabe, terwijl na de tweede in dezelfde lettergreep nog een consonant volgt. Dit verschil bestond reeds in de wgerm. vormen ha | ria (♪'♬♬) en bað | ja (♪'♪). Maar het is zoo gering, dat de spelling er geen uitdrukking aan geeft. Niettemin is het bewaard en speelt later nog een rol, wanneer wel de klinker van here en die van geƀan maar niet die van bed of van bindan verlengd wordt. Volkomen gelijkheid bestaat nergens, maar allerminst tusschen alle lange of alle korte klinkers. Een zekerder eenheid in duur is de rhythmische syllabe; de zekerste de spreekmaat, voorzoover in gelijkmatig tempo gesproken wordt.
Ook bij de lange klinkers is het gemakkelijk verschillen in duur aan te wijzen. Bij gelijk tempo is bv. de â van ohd. mâc korter dan die van den pluralavorm mâga, daar in het eerste geval een tautosyllabische consonant volgt, in het tweede niet. In de voorsyncopische periode moet het verschil tusschen den n.s. *māga en het pl. *māgō nog grooter geweest zijn, daar de eerstgenoemde vorm blijkens de syncope in één spreekmaat gesproken werd en het geheele woord *māga dus gelijken
duur had als de eerste syllabe van *māgō. Ja, de duur der ā van n.s. *m&0101;ga kan niet noemenswaard meer geweest zijn dan die der korte a van n.s. daga. Het rhythme was in beide gevallen ♪'♪.
Wanneer het verschil tusschen oude korte en lange klinkers later toch bewaard is, dan berust dit, voorzoover ik zien kan, op de volgende oorzaken. Vooreerst bestond er een verschil van qualiteit, waardoor ook later verschillende klanken optreden. Dan hadden de woorden met lange klinkers, die door rhythmische oorzaken verkort waren, dikwijls vormen naast zich, waar deze verkorting niet had plaats gehad. Zoo stond naast den n.s. *māga met het rhythme ♪'♪ de n. pl. *māgō met het rhythme ♩'|♩. Er kon dus van den n. pl. een invloed uitgaan, waardoor de a van den n.s. weer verlengd werd. Naast *daga daarentegen stond pl. dagō, waarvan het rhythme insgelijks ♪'♪ en niet ♩'|♩ was. Maar toch moeten deze lange klinkers ook bij hun rhythmische verkorting nog een element bewaard hebben, waardoor zij de neiging hadden, om ook zonder invloed van verwante vormen weer lang te worden; immers zij bewerken vroege syncope in de volgende syllabe, op wier kosten zij zich weer rekken. De grond dezer neiging tot rekking kan alleen in de accentuatie dezer klinkers gelegen zijn. Uit de periode hunner volle lengte hadden zij het sterke decrescendo behouden, dat ging van het drukmaximum tot op of kort bij het minimum. Door de opname der tweede, zwaktonige, syllabe in de eerste spreekmaat was de eerste syllabe samengedrongen, maar de klinker had zijn decrescendo behouden, dat nu sneller tot stand moest komen dan in andere omstandigheden, waarin de lange lettergreep over een geheele maat kon beschikken. Door dit sterke decrescendo onderscheidde zich de lange klinker van den korten, en de neiging, om aan dit decrescendo weer zijn gewonen duur te geven, is oorzaak geweest, dat de klinker zich rekte en om voor zich plaats te maken, syncope van den volgenden klinker bevor-
derde. 1) Wanneer de klinker deze elleboogruimte niet heeft kunnen vinden, dan is hij pas geheel met den korten samengevallen en verandert dan veelal ook van qualiteit. Zoo wordt in het on. uit *góðat in één spreekmaat gott met korte o, die thans in tegenstelling met die van góðr open is, daar een deel der ruimte, die voor lange o noodig is, door lange t met breede beginpauze is ingenomen. Zoo is de ā van go. þāhta in ndl. dacht verkort, omdat de χ voor t de beschikbare ruimte innam.
In een zeker aantal woorden heeft r geminatie van een voorafgaande consonant bewerkt.
Go. akrs luidde wgerm. *akra. De a der tweede syllabe werd gesyncopeerd; r nam het syllabeaccent over en werd dus naar de plaats geschoven, waar vroeger a stond. Het gevolg was, dat k, wier aansluiting aan beide zijden vast was, verlengd werd. Uit *akra werd akkr (rhythme ♪'♪), waaruit later akker, -ur.
De gen.s. luidt oorspronkelijk *akreso, waaruit akres. Wel kreeg e tijdelijk een tweetoppig accent, maar r nam niet een der toppen van dezen circumflex over, en k werd niet verlengd. Vanhier de vormen met enkele k als ags. æcer. Men is gewoon, juist omgekeerd, den vorm met k uit den nom. acc. s., dien met kk uit de casus obliqui te verklaren. 2)
De verschillende behandeling der verbogen vormen van *baðja en van *akra stelt het onderscheid tusschen i̯ en r
duidelijk in het licht. Beide kunnen sonant worden, maar de voorwaarden zijn niet dezelfde. i̯ heeft tot dezen overgang veel sterker neiging dan r; r wordt sonant, wanneer er geen vocaal is, die in staat is, het accent te dragen, i̯ ook vóór een vocaal, wanneer er gelegenheid is, om van deze een accent over te nemen. Daarom wordt *baði̯eso tot *baddĩes met geminatie, maar *akreso tot *akrẽs, waarvan daarna het tweetoppig accent vereenvoudigd wordt. De geringere ontvankelijkheid van r voor een accenttop blijkt ook uit verdere beperkende omstandigheden. Zoo goed als uitsluitend bij tenues komen voorbeelden van geminatie vóór r voor, zoowel na korten als na langen klinker: ags. snottor, bittor, hlúttor, áttor, hd. kupfer (maar ndl. koper). Geminatie van h in ags. tœhher.
Geminatie vóór l komt onder ongeveer gelijke omstandigheden vóór als vóór r: wgerm. *apla > appl̥, ndl. appel, ohd. apful, maar ohd. afful uit de casus obliqui. Ohd. lutzil, ndl. luttel gaan dus terug op wgerm. *lutla > *luttl̥; de i-wijziging stamt uit de vormen op -ila (mhd. heeft lutzel en lützel). Men moet van een vorm zonder tusschenvocaal uitgaan, omdat woorden als lepel, sleutel, vleugel, vlegel, ketel en talrijke andere leeren, dat in den stam *lutila- de tusschenvocaal niet gesyncopeerd is. 1) Hierbij ook na langen klinker ndl. twijfel met scherpe f uit ff.
De oorzaak, dat het verschijnsel bijna geheel tot tenues beperkt is, is ongetwijfeld hierin te zoeken, dat l r na tenues positief het karakter van sonant dragen. De stemtoon ontbreekt bij de tenues, en de volkomen sluiting brengt een minimum mee, waarna liquidae en nasalen niet anders dan syllabevormend kunnen zijn, tenzij zij stemloos worden, wat hier niet geschied is. Een vorm als *fugla kon gemakkelijker door syncope eenlettergrepig worden en een tijd lang eenlettergrepig blijven dan *akra, dat onmiddellijk *akkr̥ werd. Bij de syncope in *fugla kreeg dus aanvankelijk niet l maar de
eerste syllabe het accent der tweede. 1) Later werd fugl tot fugl̥, en nu ontwikkelen akkr̥ en fugl̥ zich tot akkar, fugal. 2)
Geminatie vóór m toont in het ags. het zelfst.nw. máþþum, go. maiþms. De declinatie wijst nog duidelijk aan, in welken vorm de geminaat thuis hoort; de n. acc. s. luiden máþþum met um uit m̥, de oblique casus máþmes, máþme, máþmas enz. met consonantische m, waarvoor þ niet verdubbeld is. Indien het juist was, dat de geminatie wel klankwettig was in de verbogen casus, maar niet in den n. acc. s., dan zou het onbegrijpelijk zijn, dat de overlevering juist het omgekeerde beeld vertoont. Andere voorbeelden zijn ndl. bloesem, mnd. blossem, eng. blossom, ndl. (dial.) bessem tegenover ndl. bezem, boezem. De vormen met scherpe s zijn gesyncopeerde vormen van a-stammen (suff. ma): *blōsma > *blōssm̥.
Rekking vóór n komt voor in eenige n-stammen, voornamelijk op hd. gebied, maar toch ook daarbuiten; in den regel staan dubbele vormen naast elkander: hd. knabe en knappe; rabe en rappe; ohd. tropfo, nhd. tropfen, ndl. drop naast os. dropo; ohd. rocko, ndl. rogge naast ags. ryge, en eenige andere. Ook hier behooren de afwijkende vormen thuis in verschillende casus van het paradigma, die met geminatie in casus, die in de tweede lettergreep nultrap hadden. Het is echter van beteekenis, welke deze casus zijn. Wanneer men, zooals gewoonlijk
geschiedt, een g. d. pl. *knaƀnō, *knaƀnumi(z) aanneemt, waarin de ƀ zou verlengd zijn, dan zou daaruit volgen, dat een consonantische n de verdubbeling bewerkt had. Maar deze geconstrueerde vormen zijn in strijd met het ohd. paradigma, waar de g. d. pl. der n-stammen bij alle geslachten op -ōno, -ōm uitgaan. Er bestaat dus zeker geen grond, om eene geminatietheorie te bouwen op die hypothetische vormen *knaƀnō, *knaƀnōm. Daarentegen komt de nultrap regelmatig voor in den acc. s. en den n. acc. pl. m., die bv. van hano hanun luiden. Van stam *knaƀan heeft dus de n. pl. vóór de syncope geluid *knaƀne(z). Door de syncope werd n sonantisch en *knaƀne(z) werd *knabbn̥n} *knabbun̥, hd. knappun. De vorm knabe daarentegen gaat terug op den n. g. d. sing., g. d. pl., en zou eventueel ook ontstaan uit zulke vormen met nultrap, waar op de n een vocaal volgde, die niet gesyncopeerd is. Dat zulke vormen bij de woorden, die hier in aanmerking komen, bestaan hebben, is echter op zijn minst twijfelachtig.
De gevallen van rekking voor u̯ zijn niet zeer talrijk en toonen een paar bijzondere karaktertrekken. Gegemineerd zijn uitsluitend den gutturalen k en h; g komt vóór u̯ niet voor behalve in weinige gevallen, waarover later zal gehandeld worden. Maar het geographisch gebied der rekkingen is grooter; het ngerm. staat hier bij het wgerm. maar weinig achter. Overigens bestaat er verschil in uitbreiding van het verschijnsel bij de twee consonanten, die in aanmerking komen; de geminatie van h heeft het engste gebied.
Vergelijkt men een eenvoudigen u̯a- stam met een i̯a-stam, dan zou men a priori wachten, dat de verhouding op de volgende wijze zou kunnen uitgedrukt worden:
wgerm. *baði̯a: ags. bedd(i) = wgerm. *balu̯a: ags. *beall(u).
Maar die vergelijking gaat niet op. *beall(u) komt niet voor; het woord luidt bealu, en evenzoo meolu, teoru, searu enz.
Daarentegen komt de volgende vergelijking voortreffelijk uit: wgerm. *haria: ags. here = wgerm. *balua: ags. bealu. De
i van *haria is in het ags. (als e) bewaard; evenzoo is de u van *balua als u, o bewaard. Als oorzaak, dat in here geen geminatie optreedt, leerden wij kennen, dat in het wgerm. na r niet i̯ stond, maar i. Het besluit ligt voor de hand, dat een gelijke verklaring voor bealu geldt. Het verschil tusschen de positie van i̯-i en u̯-u na consonanten is dan dit, dat terwijl na korte stamsyllabe altijd i̯ stond, behalve waar r voorafging, in welk geval i optrad, de klanken u̯ en u zóó verdeeld waren, dat na iedere consonant u stond behalve na gutturalen, terwijl pas in de afzonderlijke dialecten u tusschen consonant en vocaal in u̯ overging. Dit wordt bevestigd door veelvuldig voorkomende spellingen als ags. bealuwes, beadowe, enz.
De grammatische vorm van het woord was dus voor de syncope niet -́ ×, maar ̮́, × ×. Hieruit werd door syncope ̮́ ×. Het rhythme was ♪'♬♬, waaruit ♪'♪. De stamsyllabe bleef, zooals zij was, kort.
Onder de woorden, waarin een gutturaal voor volgende u̯ verlengd is, vormen de meerderheid zulke, waar deze gutturaal k is. Deze onderscheiden zich van de tot nu toe besproken gevallen hierdoor, dat de verlenging ook in het ngerm. optreedt. De laatstgenoemde gevallen worden het best mede in dit verband besproken. Naast de vormen met geminaat staan er met enkele k.
| Go. naqaþs, riqis, aqizi. |
| on. nøkkviðr, røkkr, røkkva, sløkkva, no̧kkvi. |
| ohd. nackot, ackus. |
Maar ook: on. kvikr, acc. kykvan; ozw. nakuþer, ohd. nahhot, ags. nacod, ndl. naakt.
De verklaring der geminatie moet van gelijken aard zijn als in de vroegere gevallen. De verbinding is dus aanvankelijk niet ku geweest maar ku̯. Neemt men in aanmerking, dat in de meeste gevallen, waar ku̯ of ku staat, u̯ als zelfstandige consonant uit ku is voortgekomen, dan is het begrijpelijk, dat de uitspraak in de oudgerm. dialecten niet vocalisch was.
Maar hetzelfde geldt voor de gevallen, waar u̯ van ouds een zelfstandig element is, want ook hier komt geminatie voor. Zoo is bij on. sløkkva, gelijk het participium slokkinn toont, u̯ deel van een praesensvormend suffix (zie Falk en Torp, Wörterbuch s. v.). Oude ku en ku̯ zijn dus gelijkelijk behandeld, en dit is hiermee in overeenstemming, dat ook aan het begin ide. ku samenvalt met - palatale of velare k + u̯ (vgl. sa. çveta, go. hveits). Er heeft dus een inniger verbinding bestaan tusschen gutturaal en volgende u̯ dan tusschen andere consonanten en u̯ (u). Waar op andere consonanten u volgde, volgde op gutturalen u̯. De vraag, in hoeverre het oergerm. nog ku hu kende, kan in dit verband ter zijde gelaten worden; tot begrip van het volgende hebben wij uit te gaan van ku̯ (hu̯), wat een overgangsstadium is van ku (hu) naar ku (hu).
Wanneer nu de ontwikkeling van het woord meebrengt, dat ku̯ in ku overgaat, treedt het moment in, waarop men geminatie kan wachten.
De grondvorm van on. nøkkvðr is *naku̯iðar, van go. naqaþs slechts onderscheiden door de qualiteit van den klinker in de tweede lettergreep. Door de syncope in de derde syllabe werd *naku̯iðaR > *naku̯îðr, waaruit *nakkuîðr met verdeeling van den circumflex over u en i en rekking van k. De vorm is dus geheel parallel met os. settian uit *sati̯anom.
Het lat. nūdus uit nŏ (g)wdhŏs leert ons een vorm van het woord kennen, waar de klinker, die in het go. en on. in de tweede syllabe optreedt, ontbreekt. Deze vorm moet in het oergerm. *nakuðaz, *naku̯ðaz geluid hebben; de wisseling van u en u̯ hing af van secundaire accentverschillen; men kan zich voorstellen n.s. m. *nakuðaz met sterker accent op de tweede dan op de derde lettergreep, acc. s. m. *naku̯ðanō met sterker betoning van de syllabe ða dan van ku̯. De eerstgenoemde vorm voert tot ozw. nakuþer; de tweede kan voeren tot on. nøktr 1) (ø uit nøkkviðr). In zw. nakuþer is k niet
gegemineerd, daar hier van ouds u volgde; in nøkðan is u̯ niet u geworden maar gesyncopeerd.
De ohd, vorm nackut kan noch uit *nakuðaz noch uit *naku̯aðaz of *naku̯iðaz verklaard worden. In de beide laatste gevallen zou de vocaal der paenultima niet spoorloos verdwenen zijn; in het eerste geval ware de geminaat onbegrijpelijk. Oergerm. *nakuðaz is daarentegen ohd. nahhot. In den vorm, waaruit ohd. nackot ontstond, bevatte de tweede lettergreep een reductievocaal van onzeker timbre, wier kleur door de omgeving bepaald werd (hier weergegeven door e). Met dezen klinker is u̯ versmolten. Dus *naku̯eða(z), en na de syncope *nakkueð. u̯ nam den eersten top op zich van den circumflex, dien de tweede syllabe ten gevolge der syncope ontving, en ging dus in u over, en k werd derhalve verdubbeld. Te gelijk of daarna is ũe tot u geworden. Zoo ontstond de vorm *nakkuð, waaruit hd. nackut. Evenzoo verklaart zich ohd. ackus uit *akkũes < *aku̯esi.
In het on. is tusschen den grondvorm *nakuiðaR en den bekenden vorm nøkkviðr (< nøkkuĩr) een tusschenvorm *naku̯ĩðr aan te nemen, waarin syncope reeds had plaats gehad, maar de circumflex, die in de tweede lettergreep ontstond, zich nog niet over u̯, en i gedeeld had. 1) Evenzoo wordt germ. *reku̯anom langs *reku̯ã tot røkkuã < røkkva. Dit blijkt uit het volgende. Toen syncope in ultima plaats had, was u̯ na k in het on. nog niet tot genoeg zelfstandigheid ontwikkeld, om een accent over te nemen. Daarom werd het substantivum *reku̯ez (*reku̯oz) niet tot *rekkuR, waaruit *røkkr, maar tot *rekwR, waaruit røkr. w is tusschen consonanten gesyncopeerd. De jongere vorm røkkr ontleent de geminaat aan het verbum. Maar ook van het verbum komen nog vormen met enkele k voor. De ontwikkeling van het woord, dat in het go. aqizi luidt, is dus ook zeker in het on. *aku̯esi > *aku̯ẽs > *eku̯s > øx. (Een geminaat zou hier trouwens verkort zijn).
Gelijk røkr is kvikr te verstaan (< *ku̯iku̯(a)R). De accusatief kykvan heeft korte k onder den invloed van den n.s. en andere eenlettergrepige casus, waar w (niet u) gesyncopeerd is.
Oergem. *sleku̯anom > *slekuã(n) > on. sløkkua. germ. *naku̯ǣn > *naku̯ǣ > on. no̧kkui. Ook de verbogen casus hebben klankwettig geminatie: g. s. *naku̯anez > naku̯ã(n) > no̧kkua. De wgerm. vormen met enkele k, ndl. aak, hd. nachen, wijzen op casus met nultrap: n. pl. *nakunes > *nakun > ohd. nahhun.
Geminatie van h vóór u̯ toonen eenige ags. woorden.
Naast het ags. participium gesiwen en den ohd. infinitief sîhan staat de vr. n-stam seohhe. De grondvorm is *sîhu̯ōn. 1) Bij verlies der n kreeg ō circumflex: *sîhuō > *sîhhuō (-a) > *sihhe (-æ, -e) > seohhe. Evenzoo in de casus obliqui: *sîhu̯aniz > *sîhhuãn > *sîhhan > *sihhan > seohhan.
Ingewikkelder is de geschiedenis van ags, teohhian. Als germ. grondvorm is aan te nemen *tĕhu̯ōi̯ŏnom, waaruit *tĕhu̯ōi̯ãn. Volgens een bekend procédé, dat zich vooral uit het Zweedsch laat toelichten, is het tweetoppig accent verschoven, zoodat de tweede in plaats van de derde syllabe een dubbel accent kreeg. Zoo ontstond *tĕhu̯õi̯an, en daaruit bij het sonant worden der u̯ *tehhũoi̯an. Daarop is u gesyncopeerd na lange syllabe. Op gelijke wijze moet ceahhettan verklaard worden. De ontwikkeling is *kahu̯ati̯anom > *kahu̯attiãn > *kahu̯ẽttan > *kahhuettan > ceahhettan. De syncope in de ultima is hier de oorzaak van twee geminaties, eerst van t, daarna, na de verschuiving van den circumflex, van h.
Ags. hweohhol is ontstaan uit *hu̯ehu̯la. Men kan in twijfel zijn, of ten gevolge der syncope van a u̯ gevocaliseerd is, zoodat uit *hu̯ehu̯la terstond *hu̯ehhul werd, dan of u̯ tusschen h en volgende consonant gesyncopeerd is, waarop l sonant werd en zich daaruit een nieuwe u ontwikkelde. In het laatste
geval zou de geminatie door l bewerkt zijn bij haar overgang in sonant. De eerste opvatting is echter verreweg de natuurlijkste. Waar de op u̯ volgende consonant l is, die na de syncope van u̯ onmiddellijk een u zou ontwikkelen, ligt het meer voor de hand, dat l meegewerkt heeft tot de vocalisatie van u̯, dan dat de labiaal eerst spoorloos zou zijn verdwenen, om terstond daarna langs een anderen weg weer binnen te komen.
Naast *hu̯ehu̯la stond *hu̯egu̯la. Hieruit werd *hu̯ewl̥ met sonante l na postvocalische w (w is hier niet gevocaliseerd, in welk geval zij met des voorafgaande e een tweeklank zou hebben gevormd). *hwewl̥ > hweowol.
Gelijk hweohhol is geohhol te verklaren uit *jehu̯la > *jehhul > geohhol. Met grammatische wisseling *je(g)u̯liaz > go. jiulies. On. jól kan, wat de eerste lettergreep betreft, = go. jiuleis zijn, maar kan ook verklaard worden uit jehula. De u der tweede syllabe in *jehula is dan te beoordeelen als de u in ozw. nakuþer.
De moeilijkheid, waarvoor woorden als ags. seohhe, teohhian, ceahhettan, hweohhol, geohhol ons plaatsen, is minder gelegen in de geminatie van χ, noch in de beoordeeling der gevallen, waar de geminaat optreedt, dan in de chronologische omstandigheid, dat toen de geminatie werkte, in deze Woorden χ stond, en niet, zooals men verwachten zou, de strottenhoofd-spirans h. In den regel toch wordt intervocalisch hu̯ tot h en verdwijnt dan, ook in het ags.: *sehu̯anom > *séon; *lîhu̯anom > léon. De oorzaak van het verlies der h kan hier geen andere zijn, dan dat deze h reeds vóór de geminatieperiode strotten-hoofdspirans was geworden en daarom niet gegemineerd is. Hoe is het nu te verstaan, dat in *tehu̯ōian, *hu̯ehu̯la enz. de gutturale h langer bewaard is dan in *sehu̯an? Het is duidelijk, dat de positie van hu̯ in de woorden, waar later geminatie optreedt, niet geheel dezelfde was als in die met eene niet verdubbelde h, die uitvalt. Wat de woorden betreft, waar hu̯ intervocalisch staat, hier bestaat een zeker verschil in accentuatie, en wel volgt in *sîhu̯ō(n), *tehu̯ōi̯an(om), *kahu̯ati̯an(om) op de gutturale χu̯ een zwaardere syllabe dan in *sehu̯an(om),
*ahu̯ō, *lîhu̯an(om) op hu̯. Bij de eerstgenoemde woorden volgt òf meer dan ééne syllabe, waarvan de eerste lang is, of een lange genasaleerde klinker (sîhu̯ō(n); in de casus obliqui trouwens twee syllaben); bij de laatstgenoemde volgen òf een syllabengroep, waarvan de eerste kort is, òf een oorspronkelijk lange klinker, die aan het einde stond en vroeg verkort is. De positie van χu̯ in *tehu̯ōian(om) laat zich dus eenigszins vergelijken met die aan het begin eener toonsyllabe. Nu is hu̯ aan het begin eener toonsyllabe zoowel in het ags. als in het os. en in het on. bewaard, terwijl hu̯ aan het begin eener zwaktonige syllabe verloren is (hwópan, séon). Men mag dus ook aannemen, dat h in deze positie langer χ gebleven is dan daar, waar zij verdwijnt. Het is nu begrijpelijk, dat woorden als *tehu̯ōi̯an met zwaarder accent op de tweede syllabe dan *sehu̯an ten opzichte van de uitspraak van hu̯ eene tusschenpositie hebben ingenomen. h had hier nog de uitspraak χ en u̯ was na h nog bewaard in de periode, toen postconsonantisch u̯ onder invloed van een circumflex u werd en geminatie van een voorafgaanden medeklinker bewerkte.
Wat de woorden *hu̯ehu̯la en *jehu̯la betreft, hier staat hu̯ vóór l. Voorbeelden voor hu̯ + l zijn schaarsch, maar h + l komt veelvuldig voor, en hier geldt hetzelfde, wat over hu̯ aan het begin opgemerkt is, dat h bewaard is (hliehhan, hlíepan, on. hlaeja, hlaupa). Wel staat in deze voerbeelden hl aan het begin, maar vóór andere consonanten (j r) zijn er voorbeelden met bewaarde h in het midden van het woord (hliehhan, teahher, hd. (dial.) zachern). De groepen hl hr hj zijn dus constanter dan intervocalisch h, en in verband met hetgeen wij bij hu̯ aan het begin opmerkten, mag dus vermoed worden, dat ook hu̯ vóór l langer stand hield dan intervocalisch. Er is overigens verschil in het tempo der ontwikkeling tusschen de dialecten; de voorbeelden in questie zijn alle ags.
Vatten wij het bovenstaande samen, dan komen wij tot de volgende formuleering: χ wordt vroeger h intervocalisch aan het begin eener zwaktonige syllabe dan eener hoofdtonige.
Een volgende bijtoon verlangzaamt het proces. Evenzoo een volgende l r u̯ i̯ (n). In de groep hu̯ is dus de uitspraak χ langer bewaard dan bij alleenstaande h. Komt deze groep (hu̯) vóór l (r. n. i̯), of aan het begin eener bijtonige syllabe, dan is de ontwikkeling insgelijks langzamer dan aan het begin eener syllabe met den zwaksten toon.
In woorden van het type *sehu̯an was de overgang χ > h in het ags tot stand gekomen vóór de geminatie; in woorden van de typen *tehu̯ōu̯an en *hu̯ehu̯la bestond tijdens de geminatie de oude uitspraak.
De vergelijking van ags. séon met hliehhan wekt de vraag, of onder overigens gelijke omstandigheden de χ-klank vóór i̯ langer stand heeft gehouden dan vóór u̯. Immers in séon is h uitgevallen; in hliehhan is zij gegemineerd. Voor u̯ wordt h alleen gegemineerd wanneer een bijtoon volgt of een l (r n?), terwijl een i̯ alleen reeds voldoende is, om de geminatie te bewerken, wanneer de omstandigheden intreden, die in het algemeen voor geminatie vereischt zijn. Een chronologische conclusie omtrent den overgang χ > h kan men hieruit echter niet trekken, daar de mogelijkheid bestaat, dat geminatie voor u̯ jonger is dan voor i̯. Wij zagen hierboven, dat in het on. geminatie van k vóór u̯, die u wordt, pas geruimen tijd na de syncope intreedt. Voor het wgerm. hebben wij geen directe aanwijziging, maar wij moeten toch met deze mogelijkheid rekening houden. Het is dus mogelijk dat χ voor u̯ in *sehu̯an nog bewaard was, toen χ voor i̯ > i in *hlahi̯an(om) gegemineerd werd.
Het on. kent van de in het bovenstaande besprokene verdubbelingen niet vele. Voor geminatie van k voor u̯ bij den overgang in u hebben wij hierboven voorbeelden ontmoet, die zich met de westgermaansche geheel op één lijn laten plaatsen. Verlenging van h komt onder geene omstandigheden voor; h is hier strottenhoofdspirans geweest, vóór de geminatie kon optreden (ags. hliehhan is on. hlæja).
Voor liquidae en nasalen zijn geen consonanten verdubbeld, ofschoon het aantal gevallen, waar de mogelijkheid bestond, groot is; men denke slechts aan de tallooze nominatiefvormen op r. Deze consonanten hadden dus in het on. minder neiging, om sonant te worden, dan in het wgerm. Hiermee is in overeenstemming, dat eene zoo rijke ontwikkeling van svarabhaktivocalen als in het wgerm. hier ook niet heeft plaats gehad. Nominatieven op consonant + r blijven onveranderd; pas tegen het einde der on. periode treedt in het IJsl. ur (uit r) op. De moderne uitspraak zal in deze zaak nog veel licht kunnen geven. Hier mogen slechts een paar illustratieve eigenaardigheden van het Deensch genoemd worden. Eene liquida na en voor stamlooze consonant is in het de. stemloos, bv. r in træde, bort. Indien dit ook vroeger het geval was in woorden als *akra, dan is het begrijpelijk, dat r bij de syncope van a niet sonant werd (de vormen akær, ager zijn jonger). Gaat aan de liquida of nasaal een liquida vooraf, dan heeft de eerste neiging tot vocalische uitspraak; zoo in baɹn, waar dus blijkbaar bij de syncope der slot-a van barna niet de n maar de voorafgaande syllabe het accent der tweede kreeg en de circumflex de ontwikkeling van r tot ɹ begunstigde. In karl (spreek kā) is r zelfs verdwenen en a verlengd. In Noorwegen, waar men kall zegt, is de nauwe aansluiting van rl oorzaak der assimilatie; hier is dus ook geen sprake van eene ontwikkeling van l tot eene afzonderlijke syllabe. Er zal echter meer materiaal uit verschillende landstreken noodig zijn, om den samenhang tusschen de afwezigheid van geminatie en de moderne uitspraak der consonanten in het volle daglicht te stellen.
De eenige consonant naast u̯, vóór welken in sommige gevallen geminatie voorkomt, is i̯; voor deze worden g en k verlengd. 1) Voor on. leggja is in overeenstemming met hetgeen over wgerm. settan gezegd is, de volgende ontwikkeling
aan te nemen: *lagi̯ŏnom > *laggia(n) > leggia (> *legga > wederom leggia). De vorm leggia staat dus, voorzoover de i̯ hier de oude i̯ voortzet, op één stadium met os. settian. 1) Evenzoo is het met k: *luki̯ōn > *lukkiō > lykkja.
Waar nu uit de behandeling van g k blijkt, dat het on. bij den overgang i̯ > i geminatie kent onder dezelfde omstandigheden als het wgerm., doet zich de vraag voor, waarom bij andere consonanten de verlenging ontbreekt. Het luidt setja, telja, biðja, nom. s. niðr, n. pl. niðjar enz.
Indien wij met recht in os. leggian, settian eene parallel zien van on. leggia - en dit laat zich moeilijk ontkennen -, dan is voor on. setja, niðr, niðjar geen andere parallel in het wgerm. te vinden dan os. nerian, ags. here, heri(g)as. Dat wil dus zeggen: gelijk in het wgerm. na r vóór de syncope niet i̯ stond, maar i, zoo blijkt het, dat in het oern. i stond na alle consonanten behalve na gutturalen. Dat is eene afwijking van de vroeg-germ. betoning, die naar de wijze van het ide. i en i̯ verdeelde naar de quantiteit der voorafgaande syllabe. Dus is de oern. grondvorm *satiŏnŏ(m), waaruit *satiãn > setia; de i, die reeds syllabisch was, werd niet onder het accent van een volgenden klinker geschoven; zij bleef op hare plaats, en voor den voorafgaanden medeklinker bestond dus geen aanleiding tot rekking. De eerste syllabe, die reeds te voren kort was, bleef kort. De vergelijking is dus:
| *nazian(om): os. nerian = *satian(om): on. setia (setja) |
| *haria(z): ags. here = *niðiaz: on. nið(i)r. |
(De syncope van i in niðr is een speciaal ngerm. verschijnsel, dat met de vraag, die ons bezighoudt, niet samenhangt.)
Voor het ngerm. is dus karakteristiek, dat de gutturalen zich van andere consonanten hierdoor onderscheiden, dat vóór de syncope op de eerstgenoemde, althans na korte stamsyllabe,
i̯ volgde als in het wgerm., niet i, gelijk op andere consonanten in het on. De oorzaak van dit onderscheid tusschen gutturalen en andere consonanten is ongetwijfeld gelegen in de nauwe verwantschap tusschen g k en i̯, i. Vóór i̯ i waren gutturalen palataal; voor de articulatie van i̯ was dus na g k zeer weinig tijd noodig; het gevolg was, dat de i̯-klank geen neiging toonde, om spontaan syllabevormend te worden. Want in den duur is het belangrijkste onderscheid gelegen tusschen semivocaal en vocaal in de verbinding met een volgenden sterker betoonden klinker. Hoe langer de duur van de semivocaal is, hoe meer zij het karakter van een klinker aanneemt, en hoe grooter de kans is, dat zij een eigen accenttop zal krijgen en zoodoende in ieder opzicht syllabevormend zal zijn.
Door de syncope en hare gevolgen is het verschil tusschen de i van *satiŏnom on de i̯ van lagi̯ŏnom opgeheven; de eerste was vocalisch gebleven, de tweede was door de accentwijziging vocalisch geworden. De gewone spelling in de handschriften is dan ook i. In hoeverre deze i in de litteraire periode tusschen consonant en vocaal gereduceerd en wederom consonant geworden is, is eene vraag, waarop wij in dit verband niet behoeven in te gaan.
Van gelijken aard als de tot hiertoe besproken geminaten zijn, naar ik geloof, de lange medeklinkers in de on. verbindingen ggj en ggw uit i̯ i̯ en u̯ u̯. Bij hun behandeling gaan wij uit van de oergerm. gegemineerde semivocalen i̯ i̯ en u̯ u̯, die dus als gegeven worden aangenomen. De vraag naar hun oorsprong is eenc zaak voor zich; hierover zal op eene andere plaats nog een woord gezegd worden.
In het on. - en go. - heeft de lengte der semivocalen tot enger uitspraak gevoerd; de engte is in sluiting overgegaan; maar daar aan het einde i̯ resp. u̯ bewaard is, is het duidelijk, dat alleen het begin der lange consonant gesloten is. Men verwacht dus gi̯ gu̯; in plaats daarvan treden ggi̯
ggu̯ op. De overgang is begrijpelijk. Gelijk *lagi̯onom > leggiã werd, zoo werd *tu̯agi̯ōm > tueggiã. En gelijk *sleku̯onom > sløkkua, zoo werd *hagi̯onom > ho̧ggua. Wat echter deze gevallen onderscheidt, is, dat zij ook in het go. voorkomen. Hier luidt het lagjan maar twaddje, naqaþs maar triggws. Om deze tegenstellingen te verstaan, zullen wij de verschijnselen die voor het go. in aanmerking komen, in hun samenhang beschouwen.
Wij kwamen p. 178 tot het besluit, dat go. hairdeis ontstaan is uit oergerm. *herðiaz. Het rhythme was ♩'|♪♪. Bij de syncope van a werd i verlengd, en lange i is vóór s bewaard. Uit ♩'|♪♪ werd ♩'|♩. Evenzoo ontstond de ace. hairdi uit *herðia(m), i is ook hier verlengd, maar de lange vocaal aan het einde is verkort.
Let men bij woorden, die voor de j een korten klinker + enkelen medeklinker hebben, en die wij nu onder het p. 179 genoemde voorbehoud gemakshalve maar kortstammig zullen noemen, alleen op den n. acc. badi, dan kan men in verzoeking komen, een gelijk procédé aan te nemen. Men kan dan denken, dat de i bij de syncope van a verlengd en daarna aan het einde weer verkort is. Maar dat deze opvatting niet juist zou zijn, blijkt uit de tegenstelling hairdeis: harjis in den n. en gen. sing., een tegenstelling, die gesteund wordt door de vergelijking brūkeis: biðjis. Er is dus een verschil tusschen de langstammige en de kortstammige woorden, en de eerste gedachte, die zich opdringt is, dat dit verschil samenhangt met de ide. wisseling i i̯, die door de quantiteit der stamsyllabe bepaald wordt. hairdeis is ontstaan uit een vorm met i in de tweede syllabe; deze i is oud; het ligt dan het eerst voor de hand, te vermoeden, dat de gen.s. van harjis, die nog in het go. j heeft, teruggaat op *hari̯eso met i̯. (De n.s. is in ieder geval een analogievorm; hij heeft j uit de andere casus; men zou na de syncope van a *haris wachten met vocalisatie van i̯.)
Indien dit juist mocht zijn, dan zou daaruit volgen, dat het go. gansch andere wegen gegaan is dan het wgerm. Hier wordt uit *baðja > *baddi; de overgang j > i brengt geminatie van ð mee. In het go. is dat dan niet gebeurd. Men zou zich daarbij kunnen neerleggen, indien niet de geminaten ddj en ggw, die overeenstemmen met de on. geminaten ggj en ggv er op wezen, dat geminatie vóór i̯ en u̯ in het go. toch niet absoluut uitgesloten is. Maar daar wij nu zoowel in het ngerm. als in het wgerm. bevonden hebben, dat de hoofdvoorwaarde voor het intreden van geminatie vóór i̯ deze is, dat i̯ i wordt, ontstaat er een bedenkelijkheid om een overgang van *baði̯a in badi aan te nemen, zonder dat daarbij ð verlengd wordt. En dat voert weer tot het vermoeden, dat de vorm, waaruit go. badi ontstond, toch i bevat heeft en niet i̯, en dat hij dus *baðia luidde. Principieel is daar niets tegen. De ide. wisseling: ,i na lange, i̯ na korte syllabe’ is in geen enkel dialect tot den tijd der syncope onveranderd bewaard.
Het wgerm. bewaart in de oudste periode den ouden toestand het best; toch treedt ook hier na korte syllabe i op, indien de voorafgaande consonant r is. In het ngerm. treedt na alle consonanten i op, behalve na gutturalen. Het zou dus denkbaar zijn, dat het go. overal i had gehad, behalve in de weinige gevallen, waarin ook deze taal geminatie kent. Het optreden van i̯ in die gevallen zou dan een bijzondere verklaring behoeven. Maar er is bij oppervlakkige beschouwing een ander bezwaar. Indien uit *herðiaz hairdeis wordt, hoe komt het dan, dat uit *hariaz niet *hareis geworden is? Toch laat dit zich zeer goed verklaren, wanneer men slechts niet over het hoofd ziet, dat, al bevat de tweede syllabe ook in beide gevallen i, toch de quantiteit der eerste syllabe voor den vorm der woorden nog niet zonder beteekenis is. Integendeel; de geheele rhythmische vorm wordt er door bepaald.
Wij hebben vroeger gezien, dat drielettergrepige woorden met lange stamsyllabe in het oergerm. in twee spreekmaten gesproken werden, maar zulke met korte stamsyllabe in één
spreekmaat. Het rhythme van *herðiaz was ♩'|♪♪, dat van *hariaz was ♪'♬♬. Uit ♩'|♪♪ werd ♩'|♩; uit ♪'♬♬ werd ♪'♪.
De i van *hariaz, *baðia is dus wel verlengd, en zij is ook tweetoppig geworden, maar zij was van den aanvang af korter dan de i van *herðiaz, en ook de a, die gesyncopeerd werd, was in beide gevallen niet even lang. Het resultaat is, dat de gesyncopeerde vormen *haris (waaruit analogisch harjis) en badi een i hebben, nauwelijks langer dan de i in *herðiaz vóór de syncope was. In de overlevering vinden wij dus korte i. 1)
Een vergelijking van de ontwikkeling der genitiefvormen toont, dat deze bij lang- en kortstammige woorden volkomen beantwoorden aan hetgeen men mag verwachten. De oude vierlettergrepige vormen werden in beide gevallen in twee spreekmaten gesproken. Maar de verdeeling was niet dezelfde.

Dat de verdeeling zoo was als hier is aangegeven, blijkt uit de ontwikkeling der vormen, en het is ook een normale verdeeling. De lange betoonde syllabe neemt één spreekmaat in, de twee korte, niet eens door een consonant gescheiden, samen met de zeer korte, die gesyncopeerd wordt, de tweede maat. Hier valt ĕ in het midden, want deze vocaal gaat, zooals uit de syncope blijkt, in accent boven de laatste. o wordt dus gesyncopeerd; de vocaal der derde syllabe krijgt nu de waarde ♪ en wordt quantitatief gelijk aan de tweede. De tweede echter gaat in accentuatie de derde te boven. 'ĭ + ĭ contraheert tot ī.
Bij kortstammige woorden was de ontwikkeling, als volgt:

Tot de eerste maat behooren de twee syllaben h'ări-, wat reeds hieruit volgt, dat een korte syllabe niet een maat kan vullen. De ĕ der derde syllabe staat dus aan het begin der tweede maat. Zij gaat in accent de ŏ der vierde syllabe te boven, die gesyncopeerd wordt. De e der derde ondergaat daarbij een geringe verlenging, echter niet tot volkomen langen klinker; in de litteratuurtaal treedt zij als korte klinker (i) op. Deze i gaat echter in accent de i der tweede syllabe, die aan het einde der eerste staat, te boven. De beweging is dus stijgend, en deze beweging is bewaard. Uit ĭ + 'ĭ wordt niet ī, maar j i. De i der tweede syllabe wordt dus consonant. Daarbij worden de elementen der tweede syllabe over de eerste en de derde verdeeld. De eerste wordt zoodoende lang (har-), de derde, nu tweede, krijgt aanwas van een beginconsonant (j). Van rekking is natuurlijk geen sprake.
Op dezelfde wijze verklaren zich de volgende vormen van j- verba:

Maar ook bij de -ĕ i̯ ẽ-verba is de ontwikkeling dezelfde. Deze onderscheiden zich alleen door een etymologische i̯ tusschen de ĭ der tweede en de ĕ der derde syllabe. Deze i̯ nu is voor het verdere verloop van het proces inderdaad van geen beteekenis. Men mag ook in de vormen *br'ūkĭĕsĭ en *b'ĭðĭĕsi wel een zwakke overgangs-i̯ aannemen, zoodat het etymologisch verschil tusschen deze vormen en *sōkĕ(i̯)ĕsĭ, *nase(i̯)esi vóór de syncope geheel verdwenen was. Men krijgt dus:

De tusschenliggende j speelt geen rol; uit ĭ(j)'ĭ wordt j i gelijk uit ĭ'ĭ .
Het is dus niet noodig, nasjis voor een analogieformatie naar bidjis, hafjis te verklaren. Uit *nasijis wordt regelmatig nasjis. Nog eer kan men bidjis, hafjis voor analogieformaties houden, voorzoover men de grondvormen op één lijn stelt met die van ohd. bitis, hevis, l. capis en dus meent, dat zij zouden moeten luiden *bidis, *hafis. In dit verband kan echter deze vraag onbesproken blijven. 1)
Men kan dus de go. n.s. harjis (voor *haris), g. s. harjis, inf. nasjan op één lijn plaatsen met ags. here, heri(g)es, os. nerien. De tweede lettergreep bevat voorsyncopische i, en de consonant is dus niet verdubbeld. De eerste syllabe was vóór de syncope kort en bleef na de syncope aanvankelijk kort. Zij werd in het tweede en derde voorbeeld lang, toen in een jonger periode i vóór een klinker in j overging.
De hierboven besproken voorbeelden geven ons aanleiding om enkele regels te formuleeren omtrent verlenging van klinkers bij syncope en contractie.
1. Bij syncope treedt in de voorafgaande lettergreep voor een korten klinker geen volle lange op, indien de beide klinkers door een consonant gescheiden zijn. De overlevering kent uitsluitend korte klinkers: bindan, dagis, hlaibis, nimis, bidjis, en het oudere *brūkiis (< -esi).
2. Bij syncope van een onmiddellijk volgenden klinker is een korte klinker verlengd. Volkomen grammatische lengte is echter alleen bereikt bij het rhythme ♩'|♩ (nom. s. hairdeis). De lange klinker is vóór s bewaard; aan het einde is hij verkort (acc. s. hairdi). Bij het rhythme ♪'♪ ontstaat geen volle lengte; de overlevering kent korten klinker (*haris, de waarschijnlijk klankwettige nom. s.).
3. Bij contractie ontstaat grammatische lengte. De lange klinker is bij het rhythme ♩'|♩ bewaard, ook aan het einde (gasteis, sokei). Bij het rhythme ♪'♪ treedt aan het einde verkorting in (hiri), maar vóór s is ook hier de lange klinker bewaard (nom. pl. stadeis, voorzoover ī hier niet op het voorbeeld der langstammige woorden berust).
Uit deze gegevens blijkt, dat contractie een sterker werkende oorzaak van het ontstaan van lange klinkers is dan syncope. Dit is begrijpelijk. Bij contractie gaan beide korte klinkers in den langen op; beide behouden hun volle accentwaarde, en de lange klinker behoudt dus tot het einde toe een relatief sterken expiratiedruk. Bij syncope gaat een der beide klinkers verloren; de tweede ontvangt slechts bij de rekking der syllabe een laatsten rest van het accent van den verloren klinker. De zóó ontstane lengte wordt sneller weer gereduceerd. Het is daarom ook niet zonder beteekenis, dat bij syncope van een onmiddellijk volgenden klinker de rekking van meer beteekenis is, dan wanneer de klinkers gescheiden zijn door een consonant. Het eerste geval staat korter bij contractie. De verzwakte vocaal kan, wanneer zij weinig van haar oorspronkelijk timbre over heeft, in de voorgaande opgaan; in dit geval komt er ten slotte nog een lichte contractie tot stand.
Eindelijk blijkt het, dat het rhythme van de grootste beteekenis voor de verlenging is. Bij het rhythme ♩'|♩ treedt nog in de overlevering soms een lange vocaal op zoowel bij syncope als bij contractie, in