terug  begin  verder

[p. 15]

Dr J. Nolet de Brauwere van Steeland

[p. 16]

Dr Joannes Carolus Hubertus Nolet de Brauwere van Steeland , den 23 Februari 1815 te Rotterdam geboren, en sinds zijn 10e jaar, als nederlander te Brussel gevestigd, heeft een grooten invloed geoefend op wetenschap en letteren in Belgie. Zich geheel belangeloos aan beider bloei wijdende, met de innemendste hoffelijkheid ieder hulp biedende, verwierf hij zich tot zeer ver in den vreemde warme vereerders. Zijne gedichten bevatten juweelen, die niet vergaan, zijne kritiek is zoo voortreffelijk, als ooit geschreven werd. Hij oordeelt met volledige kennis van zaken, wijst de verkeerdheden aan en verbetert die. Zijne veel omvattende geleerdheid en fijne smaak stempelen hem tot klassiek man. Van slechts weinig letterkundigen kan dit getuigd worden.

[p. 17]

Dr J. Nolet de Brauwere van Steeland

 
Tu se' lo mio maestro e lo mio autore:
 
Tu se' solo colui, da cu' io tolsi
 
Lo bello stile, che m'ha fatto onore.
 
 
 
Dante, Inf. I: 15-17.
I
 
De scheepling strekt tot speelbal aan de baren,
 
Die zich met stormen tegen hem verbonden,
 
En wordt ten strijd gewijd met doodsgevaren.
 
 
 
't Is of ontelbre geesten woest verkonden,
 
Dat zij ook hem ten afgrond zullen slepen,
 
Waarin zoo velen reeds hun einde vonden.
[p. 18]
 
Maar 't roer wordt dan soms door een hand gegrepen,
 
Die 't woeden der natuurkracht schijnt te toomen,
 
En 't veilig pad kan vinden voor de schepen.
 
 
 
De ervaringrijke loods is daar gekomen,
 
En heeft, door kloek beleid en schrander streven,
 
Zelfs storm en golf in 's menschen dienst genomen.
 
 
 
Zoo zien de meesten, op de zee van 't leven,
 
Door nood en dood zich dreigen en omringen,
 
Tot hun een wijze leidsman wordt gegeven.
 
 
 
En hoe verlokkend dan sirenen zingen:
 
Wat zinsbedrog doe falen en verdwalen,
 
Hij weet ten laatste in 't juiste spoor te dringen,
 
 
 
Tot fier behalen aller zegepralen.
[p. 19]
 
Non odi tu la pieta del suo pianto?
 
Non vedi tu la morte che il combatte
 
Su la fiumana, ove il mar non ha vanto!
 
 
 
Inf. II: 106-108.
II
 
Ook mijne hulk zwierf weerloos op de golven,
 
Wier raadselvolle taal, in machtig druischen,
 
Te spreken scheen van wie zij reeds bedolven.
 
 
 
Ik hoorde omhoog iets als een adem ruischen
 
Van reuzen, die de wolken voor zich dreven,
 
Gelijk bij sluizen stroomen klotsend bruischen.
 
 
 
Toen heeft zich voor mijn blik de man verheven,
 
Wiens forsche geest den onervaârne leerde
 
Op arendswieken naar de zon te streven.
[p. 20]
 
Zijn oog, waarin de bliksem woonde, keerde
 
Zich zoo welwillend tot den onbekende,
 
Dat deze in hem het edelst hart vereerde.
 
 
 
Wie zich tot dezen Juvenalis wendde
 
Zag 't scherpst vernuft aan hoogste goedheid paren;
 
Zag rijke wetenschap, die 't naast belendde
 
 
 
Aan dichterlijke vlucht. - Zijne evenaren
 
Begroet ge uitsluitend onder de eerste mannen,
 
Die ernst en luim onttoovren aan de snaren,
 
 
 
En aarde en hemel met hun brein omspannen.
[p. 21]
 
O anima cortese Mantovana,
 
Di cui la fama ancor nel mondo dura,
 
E durerà quando il mondo lontana!
 
 
 
Inf. II: 58-60.
III
 
Slechts zelden wandelt Poëzie te zamen
 
Met Wetenschap. Derhalve, indien tot Dezen
 
Die twee steeds eensgezind en gaarne kwamen,
 
 
 
Dan moet in hem iets zeer voortreflijks wezen:
 
Dat deeglijk grootsche in daden en gedachten,
 
Waarvoor slechts enklen blijken uitgelezen.
 
 
 
Belangloos, hoflijk, gaf hij steeds zijn krachten
 
Tot vasten steun van hoog- en laag-geboren;
 
Alleen aan 't geen weldenkenden niet achten,
[p. 22]
 
Liet hij zijn vonnis, scherp en snijdend hooren:
 
Een Zeus gelijk, die doodt met vuurge stralen,
 
Of dauw doet dalen in verdroogde voren.
 
 
 
Die edelman bood mij de nectarschalen
 
Van poëzie en proza; hij onthulde,
 
Hoe 't zwak talent in kunst-critiek te stalen.
 
 
 
Hém, die mij wensch en ideaal vervulde,
 
Wiens beeld mij tot den laatsten dag begeester'
 
Die, wars van hulde, nooit een dankwoord duldde
 
 
 
Begroet ik als mijn eersten grooten meester.

21 Maart 1882

terug  begin  verder