terug  begin  verder

[p. 341]

[III] Voorgangers

[p. 342]

De begaafde Marcellus Emants schrijft in zijn ‘Op Reis door Zweden’, blz. 350: ‘Dit kerkhof ligt hier allervriendelijkst midden in de stad en dient, evenals te Upsala tot eenige lommerijke wandelplaats.

Schoone monumenten zijn er niet, maar er heerscht eene vriendelijke stemming onder het rijke groen der linden, treuressen, wilgen, dennen, tusschen de dichte heggen en de trouw verzorgde bloemperken.

Elk graf is een klein tuintje met een heg of hekwerk omringd.

De eigenaar, die meestal zelf zijn bloemen verzorgt en zijn' grond komt opharken, heeft er een bank neêrgezet en komt er gaarne peinzen over lang vervlogen dagen en kort genoten vreugd. Er is iets onbeschrijfelijk gemoedelijks in die landelijke doodenstad te midden van het rumoer der levenden.’

Ik las dit vooral met genoegen, dewijl het kerkhof te Malmö den zelfden indruk op mij maakte, toen ik het 3 Juli 1874 bezocht. In 1880 vroeg een Zweedsch geleerde mij een handschrift, en ik zond het nevenstaande vers, ter vermelding van hetgeen ik te Malmö opmerkte.

[p. 343]

Het Kerkhof te Malmo

I
 
'k Bezocht u eens, verzeld, als steeds, van Dante,
 
Die peinzen deed op leven na dit leven;
 
En 'k zag, hoe liefde hare bloemen plantte
 
 
 
Op d' akker Gods met lommerijke dreven:
 
Als moesten, op de vleugelen der geuren,
 
Herinringsoffers naar den hemel zweven.
 
 
 
Wie ooit de teêrste banden zag verscheuren,
 
Dewijl de zielsbeminden henentogen,
 
Vond stille laafnis bij rechtmatig treuren,
[p. 344]
 
Want elke bloem wees naar het licht ten hoogen:
 
Waar allen onvergankelijk herbloeiden,
 
Die hier de dood verwelkt had neêrgebogen.
II
 
Daar waren kind'ren, die bij graven stoeiden,
 
En 't niet bespeurden, dat, licht, in die ure
 
De kiemen, om hun zerk te sieren, groeiden.
 
 
 
Zoo staan wij, hoe de levenstijd ook dure,
 
Als kind'ren van den dood, zijn wisse schreden
 
Niet ziende, waar het zoekende oog ook ture.
 
 
 
Daar kwam een moeder; veel had zij geleden,
 
Want de eersteling lag onder gindsche rozen;
 
Zij, jong en schoon, in tranen en gebeden,
 
 
 
Wilde aan die wieg van d' eeuwgen slaap verpozen,
 
Om, ongestoord, te midden van die bloemen,
 
Met de eerste bloem van hare ziel te kozen.
[p. 345]
III
 
Hoevelen mochten in een eerstling roemen,
 
Op elk gebied, gekweekt met strenge zorgen,
 
Die ze al te vroeg ten grave zagen doemen!...
 
 
 
Maar nieuwe krachten wisten zij te borgen,
 
Door werken aan 't herwinnen van 't verleden:
 
De nacht verdween en schitt'rend rees de morgen
 
 
 
Om 't eedle met zijn stralenglans te kleeden.
 
Het kwade sterft, het goede ontstijgt den graven,
 
Gelijk de bloem op 'd akker Gods in Zweden,
 
 
 
Om zich met dauw en zonnegloed te laven.

3 Juli 1880

terug  begin  verder