De begaafde Marcellus Emants schrijft in zijn ‘Op Reis door Zweden’, blz. 350: ‘Dit kerkhof ligt hier allervriendelijkst midden in de stad en dient, evenals te Upsala tot eenige lommerijke wandelplaats.
Schoone monumenten zijn er niet, maar er heerscht eene vriendelijke stemming onder het rijke groen der linden, treuressen, wilgen, dennen, tusschen de dichte heggen en de trouw verzorgde bloemperken.
Elk graf is een klein tuintje met een heg of hekwerk omringd.
De eigenaar, die meestal zelf zijn bloemen verzorgt en zijn' grond komt opharken, heeft er een bank neêrgezet en komt er gaarne peinzen over lang vervlogen dagen en kort genoten vreugd. Er is iets onbeschrijfelijk gemoedelijks in die landelijke doodenstad te midden van het rumoer der levenden.’
Ik las dit vooral met genoegen, dewijl het kerkhof te Malmö den zelfden indruk op mij maakte, toen ik het 3 Juli 1874 bezocht. In 1880 vroeg een Zweedsch geleerde mij een handschrift, en ik zond het nevenstaande vers, ter vermelding van hetgeen ik te Malmö opmerkte.
3 Juli 1880