terug  begin  verder

[p. 346]

Het viel mij te beurt vele edelen op den levensweg te ontmoeten. Tot de eersten hunner behoorde Cornelis Stolk , geb. te Kethel 28 Jan. 1799; priester gewijd 21 Dec. 1824; kap. te Sassenheim 31 Dec. 1824; Past. te Middelharnis 13 April 1831; past. te Zierikzee 21 Sept. 1836; past. te Leidschendam 18 Dec. 1848; naar den hemel verhuisd 15 Mei 1874; begraven te Veur op St. Agatha's berg: 18 Mei 1874. Hij was een man van uitgebreide kennis; naar vermogen begunstiger der wetenschappen; streng voor zich, zachtmoedig voor anderen, onvermoeid voor Gods eer en 's menschen welzijn. Hij vertaalde eenige werken van den H. Frans van Sales en schreef enkele oorspronkelijke boekjes.

[p. 347]

Pastoor Stolk

I
 
'k Denk daaglijks nog aan U, eerwaard karakter,
 
Dat zich met alle deugden schier zag sieren:
 
Waar feller kwaad was, streedt gij te onverzwakter,
 
 
 
Opdat de zaak van 't recht zou zegevieren;
 
Gelijk de held, dien 't stijgen der gevaren
 
Meer vuur in 't hart, meer staal stort in de spieren.
II
 
Hoe velen, die in druk en lijden waren,
 
Geleidde Uw hand op blijder levenspaden!
 
Hoe hebt ge U, trots het stijgen van de jaren,
[p. 348]
 
Vaak met een deel van andrer kruis beladen,...
 
Hoe treffend wist ge uw hoorders steeds te stichten,
 
Dewijl uw woord gestaafd werd door uw daden!
III
 
Wat is hij eerbiedwaardig, die zijn plichten
 
In eenvoud, wars van zelfzucht en vertooning,
 
Alleen tot heil des naasten wil verrichten....
 
 
 
Hoe welkom blijkt hij steeds in ieders woning,
 
Waar jeugd en grijsheid hem als vader eeren:
 
Zóó'n dorpspastoor heeft adel als een koning,
 
 
 
En wat de wereld biedt kan hij ontberen;
 
Want - hoogste lof! - met recht juicht zijn gemeente:
 
‘Gezegend hij, die komt in naam des Heeren!’
IV
 
U, goede herder, dekt geen praalgesteente;
 
En 't hoeft ook niet om elk uw deugd te staven,
 
De dankbaarheid getuigt bij uw gebeente:
[p. 349]
 
‘Hier ligt een man naar Godes hart begraven;
 
Tel, zoo gij kunt, zijn goede werken zamen,
 
En tot den hemel rijst die zuil des braven!’
V
 
Hoe weinig nuttig zijn ons meest de namen,
 
Die, onverdiend soms, wijd en zijd weêrklinken;
 
Vaak moeten zij bij zulk een graf zich schamen,
 
 
 
Wijl zij hun schijnsel daar in 't niet zien zinken,
 
Waar liefde en ootmoed van den heilverkonder
 
Met zonneluister onverganklijk blinken.
 
 
 
Ja, 'k denk nog steeds aan U, die zoo bijzonder
 
Als ware geestelijke werd geprezen;
 
Dien 'k met zoo velen hoogschat en bewonder,
 
 
 
Wijl gij voor allen alles wist te wezen.

Amsterdam 21 Sept. 1880

terug  begin  verder