terug  begin  verder

[p. 350]

Bij het graf van Pius IX

13 Mei 1792 - 7 Febr. 1878

 
De rouwklacht huw den lofzang der victorie,
 
Bij 't graf van dezen Roem der stervelingen:
 
Hij sierde de aarde met een hemelglorie,
 
 
 
Waarvan nog 's werelds laatste dag zal zingen,
 
Zoo verre, in 't licht van Kerkleer en Historie,
 
Het nakroost staart op zijne grootsche dingen.
 
 
 
Hij, Priester, rein als 't goud van zijn ciborie,
 
Hij, Vorst, in wien zich alle deugden paren,
 
Leeft, als Rechtvaard'ge, in eeuwige memorie.
 
 
 
De Hel, naar Petrus' steenrots losgevaren,
 
Liet God hem in haar diepe ellende aanschouwen.
 
De vrucht van 't Vagevuur mocht hij zich garen,
[p. 351]
 
Door ramp bij ramp, in 't vroomste Godbetrouwen,
 
Te torschen op de louterendste wijze.
 
Hij, aller Herd'ren Herder, bij 't ontvouwen
 
 
 
Van Christus' leer, tot aller zielespijze,
 
In wijsheid, als zijn een'ge Heer, onpeilbaar,
 
Hij is nu ingegaan ten Paradijze,
 
 
 
Als Paus: Zachtmoedig, Needrig en Onfeilbaar.

Februari 1878

 

Meer dan één gekroond hoofd ontmoet hebbende, trof mij iets kenmerkends in den paus. 's Avonds acht uur, 22 Juli 1873, ontving Pius IX mij in een bijzonder gehoor. Mijne verbazing, toen ik vurige eenheidsitalianen met eerbiedige genegenheid over dezen Heerscher had hooren spreken, verdween. Zij bleek iets natuurlijks. Het krachtige hoofd van den ruim tachtigjarige; de gegroefde trekken vol kalmte; de forsche, heldere stem, welke zich nooit versprak; de levendige blik van het donkere oog maakten in de door eene lamp flauw verlichte kamer, op de studeertafel, waaraan hij zat, een treffenden indruk. Het was als sprak daar iemand uit eene andere wereld, die geen taak kende dan de handhaving, tegen wien ook, der zedelijke orde; voor wien de luister van kroon, schepter, paleis.... iets was, dat hij zich liet welgevallen, omdat het nu eenmaal bestond, maar die daar overigens ver buiten en boven leefde....

terug  begin  verder