Op den 12den Januarij gevoelde men tegen den avond in den Haag eenen schok als van eene aardbeving; een glans welke zich aan den gezigteinder vertoonde, deed eenen hevigen brand vermoeden. Het was naar den kant van Leyden; de Koning bij de terugkomst van eenen zijner Aides de Camp, vernomen hebbende, dat een schip met kruid geladen, in het midden der stad liggende, in de lucht gesprongen was, begaf zich terstond met allen mogelijken spoed derwaarts heen. Hij liet de garnizoenen der naburige steden ongewapend te Leyden komen, en toen hij zelf de poort van deze stad was binnen gereden, was hij geweldig aangedaan, wegens het droevig tooneel dat zich voor zijne oogen opdeed.
Het Rapenburg is de voornaamste gracht in deze stad, de kaaijen ter wederzijde van dezelve, zijn met de fraaiste huizen versierd. Doch het meerendeel dezer huizen was omverre geworpen, en vervulde met deszelfs puinhoopen de gracht. - De weinige nog overeind staande huizen, dreigden in te storten, en uit de puinhoopen zoo wel als uit de ten deele ingevallene huizen flikkerden de vlammen, en steeg de rook ten hemel. Dit rampvol schouwtooneel vond men bijna in al de gedeelten der stad hernieuwd. Acht honderd huizen waren
ingestort of beschadigd. Een gedeelte der doodelijk ontstelde burgers wist niet wat het zoude aanvangen, of wat het te vreezen had, en doorliep de straten, even als onzinnige menschen, anderen bleven, in eene aan ongevoeligheid grenzende bedaardheid, onder de muren van hunne waggelende huizen zitten, en het gezigt der instortende naburige huizen, welker voorbeeld de hunnen weldra dreigden te zullen volgen, verwonderde hen niet. De een vroeg naar zijnen vader, de andere naar zijn kind, of naar zijne gade. Sommigen stonden op de puinhoopen naar de stem der ongelukkige slachtoffers, die nog niet versmoord waren te luisteren, men drong elkander naar de plaats toe, waar de stem zich deed hooren, en zeer dikwerf werd het ongeduld noodlottig voor de ellendigen, op wien de half ingevallene huizen nu geheel ter neder stortten. Hier zag men een bijna onzinnig meisje de brandende puinhoopen omvatten, smeekende dat men zich zoude haasten, om den drukkenden last der ingevallene steenen, welke hare moeder, die zij nog meende te hooren, dreigde te verpletteren, weg te nemen; en zonder zich door de vrees, van de instorting van den bouwval te verhaasten, te laten wederhouden, en aldus den laatsten ademtogt van haar, die zij zoo gaarne wenschte te redden, te doen eindigen, arbeidde zij geheel alleen met de grootste vlijt, aan deze voor haar zoo onmogelijke taak. De leden der regering die meest allen een of meerder der hunnen te beweenen hadden, waren verpligt hunne
eigene rampen te vergeten, om die van anderen te lenigen, terwijl de kenteekenen van hunne droefheid, zoo op hun gelaat als in hunne houding, ten duidelijkste zigtbaar waren.
Het was onmogelijk om op alle plaatsen tevens hulp te verleenen. ‘Ik zie mijnen vader door de openingen van den puinhoop, doch zoo men zich niet kaast om mij te helpen, ten einde hem van den zwaren last, die op hem drukt, te ontheffen, zal hij omkomen.’ Dus riep in de uiterste wanhoop een kind, terwijl het de lucht door zijn jammergeschrei vervulde. ‘Ik hoor de schel mijner meesteres,’ riep eene dienstmaagd: ‘zij is levend begraven onder de puinhoopen van haar huis, zij roept mij, zij smeekt mij om hulp, zonder dat ik haar kan genaken... Ach maak toch ruimte! zij versmoort!’ Op eens verscheen er een man die buiten adem kwam aanloopen, met de tijding, dat men het geluk had gehad, om eenen der voornaamste en eerbiedwaardigste huisvaders te ontdekken; doch dat zijne beenen alleen slechts nog bevrijd waren, en dat naar mate men poogde hem geheel van onder de puinhoopen te verlossen, dezelve nog meer en meer op hem nederstortten. Op eene andere plaats hoorde men het gesmeek en geklag van eene ge heele school jongelingen, aan welken het onmogelijk was eenige hulp toe te brengen. Wanneer men aan de eene zijde de puinhoopen wilde wegruimen, sloeg de vlam op eene andere zijde, en dikwerf onder de voeten van hen die redden wil-
den uit, waardoor alle pogingen verijdeld werden. - Een verschrikkelijk geraas liet zich nu hooren, het was een gebouw, hetwelk reeds door den schok aan het wankelen was geraakt, en nu op eens instortte. Al de glasramen waren gebroken en verbrijzeld; het brood, de wijn, het meel en andere levensmiddelen werden onbruikbaar, en zelfs gevaarlijk door het daarmede vermengde glas.
Zoo als de Koning in de stad kwam, doorliep hij, vergezeld door de regeringsleden, den Directeur-generaal van den Waterstaat, den Heer twent, zijnen Aide de Camp kraaijenhoff, den Kolonel der Gewapende Burgermagt cuneus, en eenige officieren, het afschuwelijk ramptooneel, hij verdeelde de manschappen, die hij ter hulp ontboden had, in drie gedeelten, twee aan iedere zijde van de gracht, en het derde door het overige van de stad. Hij vermeerderde het getal der brandspuiten, en deed uit den Haag alles, wat zich van bluschmiddelen daar bevond, naar de ongelukkige stad brengen, hij vroeg hulp aan Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht. Hij gaf bevel aan de troepen om zich aanvankelijk alleen bezig te houden, met de ongelukkige slagtoffers van onder de puinhoopen te verlossen, en hij gaf eene belooning van tien dukaten aan elk en een iegelijk, die het zijnen had toegebragt, om eenen der ongelukkigen te bevrijden. Hij had het streelend genoegen van er velen te zien redden. Men bragt al die genen, welke men gewond vond naar het gasthuis, hij
gaf bevel om zijn Paleis, het huis in het Bosch, tusschen den Haag en Leyden, open te zetten, en stelde het ter beschikking van huisgezinnen, welke hunne woningen hadden verloren.
Middelerwijl hadden de brandspuiten met het grootste nut gewerkt; de Koninklijke Garde en de Burgerij onderscheidden zich door hunnen ijver, hunnen moed en hunne kieschheid, waarvan zij, in dezen akeligen nacht, de grootste bewijzen gaven, De grenadiers van de garde begraven zich onder de nog brandende puinhoopen, om ongelukkigen op te sporen, en liepen dikwerf gevaar van daar onder begraven te zullen worden, zij werkten uit al hunne magt mede om de brandspuiten aan den gang te houden, en men moet het blusschen van zoo veel onderscheidene brandende gedeelten van huizen en puinhoopen, en de redding van zoo vele ongelukkigen, aan deze brave soldaten danken.
De Koning die getuige van hunne pogingen en hunnen ijver was, zwaaiden hun den grootsten lof toe. Aan elken inwoner die hem om hulp kwam vragen, gaf hij vijftig of honderd man mede, en stelde dezelven onder de bevelen van den genen, die de zijnen meende te zullen kunnen opsporen, en meestentijds was een gelukkige uitslag het gevolg dezer poging.
Bij het aanbreken van den dag, was de goeden uitslag der nasporingen reeds zeer merkbaar. Den brand was men overal meester geworden, doch het was allernoodzakelijkst om krachtdadig de daarge-
stelde orde te volgen, en om in de noodwendige behoeften van deze groote stad te voorzien, want aan alles was gebrek. De Koning beraadslaagde dienaangaande met de Heeren roëll, mollerus en twent; hij liet den Heer mollerus achter om alles te besturen, hij gaf zijne bevelen tot het nemen van nieuwe, en tot het voortzetten of doen ophouden van de reeds in werking zijnde maatregelen, en kwam in den morgen in den Haag terug, nadat hij al het menschmogelijke had gedaan, ter leniging van zulk eenen ramp. Eenigen tijd later stelde hij aan het Wetgevend Ligchaam eenige geschikte maatregelen tot herstel van de stad voor. Dadelijk belastte hij zich met de verzorging der eerste benoodigdheden; hij liet ondersteuningen van allen aard uit de voornaamste steden des Rijks aanvoeren, hij opende eene inschrijving, die in de gevolgen zoodanig aan het oogmerk voldeed, dat de inwoners wegens hun geleden verlies konden worden schadeloos gesteld. De Staat belastte zich met de schulden der stad, een ontwerp tot wederopbouwing der stad, door den Architect guidici ingeleverd, werd goedgekeurd, en bovendien bepaalde de Koning, dat Leyden voortaan de zetel der Koninklijke Universiteit zoude zijn. De Kolonel cuneus ontving de orde van de Unie, ten blijke van goedkeuring wegens zijn gedrag, en dat van de gewapende Burgermagt, waarover hij het bevel voerde. Deze brave Leydenaars, even als of zij voor zich zelven niet het grootste belang in dezen ramp hadden gehad, vergaten hun
eigen leed om tot handhaving der goede orde mede te werken, en het hunne bij te brengen, om het leed van het algemeen te verminderen, en ter hulpe hunner stadgenooten te snellen.
In dezen rampvollen oogenblik betreurden men voornamelijk de Professoren kluit en lusac. De zoon van eerstgenoemden was lid van de stedelijke regering, en lag de prijzenswaardigste gevoelens aan den dag. De Heer rau, Professor en Leeraar van den Christelijken Godsdienst, werd van onder de puinhoopen gehaald. Hij scheen hersteld te zijn, doch bleef zwak, hij leefde tot in het volgende jaar, wanneer hij tot groot leedwezen zijner landgenooten overleed, welke in hem eenen braven man, eenen goeden huisvader, eenen uitmuntenden geleerden, en eenen lofwaardigen Geestelijken betreurden. Hij was Orateur van de Orde der Unie.
Men heeft nimmer de aanleidende oorzaak van dit ongelukkig geval kunnen ontdekken. Sommigen wilden het toeschrijven aan eene kwaadwilligheid, en zelfs aan eenen vijandelijken aanslag tegen den Haag en het Paleis des Konings, doch dit schijnt weinig geloof te verdienen; de schipper van het vaartuig zelf verloor daarbij zijn leven, en er is alle reden om te gelooven, dat eene onvoorzigtigheid van dezen, de eenige oorzaak van den ramp was. Dit vaartuig moest eenig buskruid van de kruidmolens van Amsterdam, naar het Magazijn te Delft brengen. Het Gouvernement had zich zelven te verwijten, dat het geene
genoegzame verordeningen had daargesteld, om een dergelijk ongeluk onmogelijk te maken. Bij deze gelegenheid werd er eene wet gemaakt omtrent de te nemene maatregelen, wegens het vervoer van buskruid, en de wijze om hetzelve in de kruidmakerijen te bewaren. De voornaamste verordeningen waren als volgt:
‘Elke verzending of wagen met kruid moest een wit vlaggetje voeren, waarin met groote letters te lezen was buskruid: Geene zoodanige verzending mogt binnen de muren eener stad of in derzelver nabijheid vertoeven.’
‘De Overigheid van zulk eene plaats, waardoor de verzending moest passeren, was gehouden om aan hetzelve eenige daartoe aangestelde personen te gemoet te zenden, om het bij het binnen komen van elke jurisdictie te ontvangen, te vergezellen en gade te slaan, het zij gedurende het doorvoeren, het zij gedurende den nacht, wanneer het niet vervoerd werd.’
Het Wetgevend Ligchaam was vergaderd, om te voorzien in de nieuwe uitgaven, welke tot den oorlog werden vereischt, en welke noodig waren om de wapeningen voor Frankrijk te doen.
Ook moest het nieuwe stelsel van belasting worden voltooid.
Vóór den Heer gogel waren de inkomsten van den Staat zeldzaam boven de vier en dertig en een half millioen geweest, dezelve werden zeer
onregelmatig en op onderscheidene wijze in de Provintiën ontvangen.
Door middel van de schikkingen in het nieuwe stelsel vervat, werden de belastingen op eene geregelde en evengelijke wijze geheven. Dezelven moesten vijf en vijftig millioenen bedragen. Eene som op welke men had gerekend, niet alleen om de gewone uitgaven te kunnen bestrijden, maar bovendien om den achterstand te vereffenen. Het was dus even zoo belangrijk om de invoering der nieuwe belastingen niet te veronachtzamen, als om in derzelver ongenoegzaamheid te voorzien. Om het stelsel van den Heer gogel te doen gelukken, moest men den tegenzin der natie, wegens vijf voorname punten, weten te overwinnen: 1o. Van oude gewoonten afstand te doen, en allen provintialen geest te vernietigen. 2o. De Corporatiën, Gildens en alle soorten van Privilegiën, die het bijzonder belang in den weg stonden, af te schaffen, of zeer veel verandering te doen ondergaan; 3o. de nieuwe grondlasten daar te stellen, welke schadelijk en onaangenaam voor landheeren en groote landeigenaars waren; 4o. de indirecte belastingen in werking brengen, welke het handeldrijvend gedeelte der natie zoo zeer afkeurde; en 5o. op eenige artikelen een verbod leggen. Ten aanzien van dit laatste, stelde de Koning het nemen van algemeene en bepaalde maatregelen uit, tot aan den algemeenen vrede, dat is te zeggen, het tijdstip waarop hij, zonder zich wegens het
buitenlandsche ongerust te maken, of door het binnenlandsche gedrongen te worden, zich zoude kunnen bezig houden met de verbetering der administratie, en zijn geliefkoosd ontwerp om van geheel Holland eene vrije haven te maken.
Tot aan den algemeenen vrede, wilde hij dus als eene grondstelling aannemen, om alles zoo naauwkeurig te volgen als mogelijk was, wat de Heer gogel zoude voorstellen om zijn stelsel te doen gelukken, daar dit toch in dezen oogenblik het eenige steunpunt des lands was, en middelerwijl alles voor te bereiden tot het groote werk, waarvan zoo even is gesproken. Den 20sten stelde men aan het Wetgevend Ligchaam het nieuwe Cadaster en de grondlasten (Verpondingen) voor.
De volgende maatregelen werden genomen, ter aanmoediging en herstelling der schoone kunsten, die zoo nuttig en zoo geschikt zijn voor een volk dat zoo naarstig is, en hetwelk voormaals in dit vak zoo zeer uitmuntte, doch zich naderhand door andere natiën had laten voorbij streven.
‘Een directeur der schoone kunsten is belast met de beheering, het opzigt, en het onderhoud van het nationale museum en de kunstverzamelingen aan den staat toebehoorende, welke zich in de Provintiën bevinden.’
‘Hij zal het noodige onderzoek doen naar de beste meesters die zich in het rijk bevinden, of daarin geboren zijn.’
‘Hij zal de middelen voorstellen om die ge-
nen, welke elders gevestigd zijn, terug te doen komen.’
‘Hij zal een jaarlijksch berigt inleveren van alles, wat onder zijn bestuur is gedaan, en van alles hetgeen nog te doen overschiet.’
‘Hij zal een maandelijksch verslag doen uitgeven, betrekkelijk de schoone kunsten.’
‘Hij zal voorzitter zijn van de akademie der schoone kunsten, die, volgens zijn voorstel, in den loop van dit jaar zal worden opgerigt.’
‘Deze akademie zal zijn te zamengesteld uit nationale, en de meest beroemde uitlandsche kunstenaars.’
‘Alle jaren zal men onderwerpen opgeven voor de nationale schilders, en er zullen vier prijzen worden uitgedeeld, enz. -’
Er werden acht kunstkweekelingen naar Parijs en naar Rome gezonden, en aldaar onderhouden; zij moesten gedurende twee jaren in elk van deze steden studeren.
Het maandelijksch verslag had ten doel om al de meesterstukken van de oude Hollandsche school, en derzelver tegenwoordige bezitters, in welk land dezelven zich ook bevonden, kenbaar te maken, en bovendien de tegenwoordige nationale schilders en de verdienden van elk hunner werken te doen kennen.
Hij verrijkte het museum met eene volkomene verzameling der beste pleisterbeelden, de men van Parijs deed komen.
Men bragt in de schilder-akademie eene teekenschool, naar het levend model, tot stand.
De Heer hultman, Oud-secretaris van Staat, werd benoemd tot directeur der schoone kunsten. Deze directie werd vervolgens vereenigd met die van het publiek onderwijs, waarvan het hoofd den titel verkreeg van Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten.
In de maand Augustus werden de prijzen ter aanmoediging aan de kweekelingen uitgedeeld. Daar deze uitdeeling de eerste van deze soort in Holland was, verdienen de namen van hen, die met prijzen beloond werden, bekend gemaakt te worden. Het waren de Heeren alberti, van Amsterdam, Historie schilder; klein van Wageningen, teerling van Dordrecht, landschap schilders; en forssel van Amsterdam, plaatsnijder.
Er werd eene publieke tentoonstelling vastgesteld, van alle voortbrengsels van nationale vlijt, van monsters van deze voortbrengsels, alle werken van kunst, werktuigen, uitgevonden of verbeterd binnen het Koningrijk, en in het land vervaardigd, modellen van landbouwkundige gereedschappen enz. Men deelde de prijzen uit aan fabrikanten voor zoodanige voorwerpen, die als het beste geoordeeld werden. De prijzen waren ter waarde van duizend guldens, en elke uitdeeling werd besloten met eene kermis van tien dagen.
De publieke boekerij werd opengezet en vermeerderd. De Koning was voornemens om een groot gedenkteeken te Zaandam, en een ander
te Haarlem te doen oprigten. Het eerste moest dienen ter gedachtenis aan peter den grooten, en moest de hulde eener groote en nieuwe natie, in het bijzijn van derzelver opperhoofd, aan de beschaving van een klein Gemeenebest, bewijzen: het moest getuigen van het tijdperk van welvaart en roem van Holland. Dit doel was niet zoo beuzelachtig als men wel zoude kunnen veronderstellen. Hij wilde den vreemdelingen voorwerpen hunner aandacht waardig doen zien, en daardoor hen nopen om zijn land te bezoeken; hij wilde bovenal de natie, en vooral de jeugd, door blijvende gedenkteekenen herinneren aan dat tijdvak van roem, en daardoor openlijk bewijzen dat het monarchale Holland geen ander doel, geenen anderen roem, geen ander belang had, of konde hebben dan die, welke het voormalig Gemeenebestgezind Holland had bezeten.
Het gedenkteeken te Haarlem moest opgerigt worden, ter eere van laurens coster, eerste uitvinder der drukkunst Men betwist deze stad niet de eer van de kunst te hebben uitgevonden, van in hout te snijden: de geheele zaak bestaat hierin om te weten, of de roem van een nieuw denkbeeld, aan den uitvinder, of aan hem die hetzelve verbeterd en in werking brengt, toekomt. De geleerde meerman, zoon van eenen geleerden van dien naam, waarop Holland zich mag verhoovaardigen, en die met een goed gevolg de zaak van coster voorstond, werd aan het hoofd der Wetenschappen en Kunsten, alsmede van het
publiek onderwijs gesteld. Hij was tevens geleerd en zedig, voorzigtig en liberaal, zeer rijk en weldadig, vaderlandlievend en onbaatzuchtig.
Ondertusschen bleven de ongelukkige maatregelen der blokkade nog steeds voortduren, en de Keizer vermeerderde dezelven nog door zijn Dekreet van Warschauw, van 15 December 1806, waarbij de sequestratie van alles, wat men Engelsche goederen konde noemen, werd bevolen, waarvan een gedeelte naar Frankrijk moest worden gezonden, een gedeelte verkocht en een ander gedeelte ten gebruike der Fransche en verbondene legers moest dienen. Men zal zich zeer gemakkelijk kunnen voorstellen, welk eene smartelijke uitwerking deze roof, welke te Hamburg en in de overige Hanzee-steden plaats had, in Holland te weeg bragt.
Keizer napoleon ontving de Hollandsche Deputatie op het Kasteel Finckenstein zeer wel, doch beklaagde zich evenwel nogmaals wegens de Hollanders en zijnen broeder. Prins talleyrand, die te Berlijn gebleven was, zeide overluid tegen de leden van de Hollandsche deputatie, toen hij dezelve in het openbaar ontving: ‘Uw Koning heeft dan vast besloten om de Engelschen te begunstigen?’
De Gedeputeerden bragten een antwoord terug, waarbij de Keizer zich beklaagde, en de Hollanders met zijne wraak, bij den algemeenen vrede, bedreigde. Zijn broeder moest geene de minste aandacht op deze kwade luim vestigen, dewijl de-
zelve alleen aan den ongunstigen uitslag der blokkade was toe te schrijven, waarvoor men in Holland niet alleen bij geene mogelijkheid meer kon doen, maar welke zelfs op dien voet niet langer was uit te houden. Deze wijze van handelen, had ten gevolge, hetgeen altijd het gevolg van ongegronde klagten is, namelijk, dat men ongevoelig wegens bedreigingen wordt.
De Koningin kwam toen met haren oudsten zoon van Mentz terug; haar jongste zoon was haar eenige dagen vooruit gereisd. Zij had Holland verlaten in den oogenblik, toen de oorlog met Pruissen begon om zich bij Keizerin josephine te Mentz te vervoegen, en aldaar gedurende de afwezigheid des Konings te blijven.
Men moest den ramp van Leyden zoo veel mogelijk herstellen. Reeds op den 16den Januarij werd er eene vrijwillige inschrijving geopend. Bij deze gelegenheid schreef de Koning den navolgenden brief aan den Minister van Binnenlandsche Zaken:
‘De ramp van Leyden is een algemeen ongeluk. De giften, welke ons van alle zijden worden toegezonden om hetzelve te lenigen, regtvaardigen ons voorgevoel, dat de geheele Natie, in zoodanige omstandigheden deel zoude nemen in het ongeluk van zoodanig eene, in alle opzigten, belangrijke stad, en voornamelijk thans. Wij hielden ons onledig met het beramen van middelen, om aan dezelve haren ouden
luister te hergeven, toen deze droevige ramp haar juist trof. Doch wij hopen dat, in weerwil van al deze hinderpalen, het ons zal gelukken, niet alleen om alles wat binnen het bereik van den mensch, bij eene dergelijke omstandigheid, ligt, tot herstel des ongeluks aan te wenden, maar dat wij bovendien ook nog ons doel bereiken zullen om de dagen van derzelver voormalig geluk terug te roepen.’
‘Wij zien met vergenoegen, hoezeer het gevoelen der natie in dezen met het onzen overeenstemt. Wij wenschen het aan alle Hollanders zoo gemakkelijk mogelijk te maken, om aan deze roemrijke taak mede te werken. Wij bevelen u dien ten gevolge, om aan alle departementale besturen te gelasten, om zoo spoedig mogelijk, in alle steden en vlekken zoo wel als ten platten lande, registers van inschrijving te openen en te doen openen, voor al de giften, welke men ten behoeve der stad Leyden zal willen geven. Deze giften moeten aan u gezonden worden, en gij zult belast zijn om dezelve te besteden, overeenkomstig aan het reglement, dat wij te dien einde op uwe voordragt zullen bepalen. Wat de residentie aanbetreft, het register zal aldaar op den 19den dezer aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken geopend moeten zijn, en aldaar onder het toevoorzigt van den Secretaris-Generaal moeten worden gehouden. Dit register zal bestemd zijn voor de inschrijvingen van personen, die tot het Hof
behooren, de leden der onderscheidene Kollegien van het Gouvernement, alsmede der overige inwoners dezer residentie.’
De Magistraat van Leyden wendde zich bij een adres aan de Natie, in hetwelk, na den rampvollen toestand haren stad beschreven te hebben, zij de hulp harer medeburgers inriep.
Op den 6den Maart werden nog de volgende bepalingen gemaakt ter ondersteuning der inwoners van Leyden.
Art. 1. De inwoners der stad Leyden zullen, gedurende den tijd van tien jaren, in te gaan den eersten Januarij 1807, ontheven zijn van de betaling van het schoorsteengeld, het mobilair en personeel, of alle andere belasting, welke in plaats van laatstgenoemde, ten aanzien van huizen, of andere onroerende goederen binnen de stad Leyden gevestigd, mogt bepaald worden. Die genen, welke niet meer dan twee dienstboden hebben, zullen ontheven zijn van het dienstbodengeld, zij zullen eindelijk ontheven zijn van het patentregt, hetzij hetzelve de uitoefening van kunsten en ambachten, of wel voorwerpen van handel en weelde aanbetreft.
De vrijstelling van patentregt zal zich echter niet uitstrekken tot vreemdelingen, die aan hetzelve, uit hoofde van een kortstondig verblijf te Leyden onderhevig zijn, hetzij als vreemde kooplieden, hetzij wegens het geven van vertooningen, of openbare vermakelijkheden.
2o. Het regt van doorvoer zoo wel als het dienstbodengeld, zal volgens de bestaande veror-
deningen betaald blijven worden, de laatstgenoemde belasting evenwel alleen met betrekking van dezulken, die meer dan twee of eenen mannelijken dienstbode houden.
3o. Het bedrag der belastingen, vermeld in Art. 2., eveneens als dat van het patentregt, waarvan op het einde van Art. 1. gesproken wordt, zal, gedurende een tijdvak van tien jaren, te beginnen met den eersten Janurij 1807, aangewend werden ten voordeele van dezulken, die bij den ramp van den 12den Januarij geleden hebben, en zal dienen tot een Negotiatie-fonds, of op zulk eene andere wijze als gepast zal worden geoordeeld.
4o. Dezulke, welke achterstallig zijn in de betaling der belastingen, bij Art. 1. en 2. vermeld, zullen van dien achterstand, tot en met 31. December 1806 worden vrijgesteld, voor zoo verre zij zich deswege aan ons vervoegen, en daarbij genoegzaam bewijzen, dat de schade die zij bij de ongelukkige gebeurtenis van den 12den Januarij hebben geleden, voor het minst het bedrag van hunnen achterstand beloopt.
5o. Al def huizen die herbouwd, of wel als nieuw hersteld zullen worden, gedurende de drie eerste jaren, te rekenen van den 1sten Januarij 1807, zullen vrij zijn van Verponding, gedurende twintig achtereenvolgende jaren, te rekenen van den tijd, waarop deze herbouwing of herstelling eenen aanvang neemt.
6o Al de huizen in de stad Leyden, die niet begrepen zijn in de algemeene vrijstelling van de
grondlasten reeds toegestaan, of nog toe te staan, zullen bevrijd zijn van de belasting, die over den jare 1808 zal moeten betaald worden.
Deze maatregelen werden door de natie goedgekeurd: de giften beliepen meer dan een millioen guldens, zij werden met eene buitengewone zorge verdeeld; het officiëel dagblad gaf dagelijks melding van de toenemende vermeerdering dezer fondsen en derzelver oorzaken, ten einde het publiek het zoude kunnen nagaan. In het vervolg werd de uitdeeling, welke door de Magistraat van Leyden, onder het toevoorzigt van den Minister van Binnenlandsche Zaken geschiedde, gedrukt en verkrijgbaar gesteld.
De Koning had reeds te voren de noodzakelijkheid gevoeld, om de residentie te Amsterdam te vestigen, als zijnde deze stad, de wezenlijke hoofdstad des rijks. De hoofdplaats van een land moet die zijn welke het meest bevolkt is, en den meesten invloed heeft. Voorheen was de residentie in den Haag. eene zeer fraaije stad, aan de kust gelegen(*). Doch vreemd, om zoo te spreken, aan al de provintiën, zonder haven, zonder koophandel, en bestaande voornamelijk uit, en bewoond door menschen, die tot het Gouverne-
ment behooren, of in publieke ambten waren gesteld; dewijl de provintiale Gouvernementen magtig en wangunstig waren, moesten de Staten-Generaal eene residentie hebben, die men als eene stille en rustige plaats konde beschouwen, om de stemming der provintiën in te winnen; en daar dezelve slechts eene schaduw van souvereiniteit uitoefenden, dewijl de provintiale Staten de wezenlijke Souvereinen waren, zoo moesten zij ook slechts hunne zitting in eene schaduw van eene hoofdstad houden. Doch zoo deze stelregel gepast mogt zijn voor de provintiale autoriteiten, zoo was dezelve nadeelig voor het algemeen welzijn des lands, zelfs in den tijd van het federatief Bestuur, zoo als de Staten-Generaal en de Stadhouders het dikwerf hebben ondervonden. Bij den nieuwen toestand van Holland, was het overbrengen van de Residentie naar Amsterdam, dus niet alleen nuttig, maar zelfs onvermijdelijk. Het Koningrijk had de grootste de dringendste behoefte aan gelijkvormigheid, kracht en eenheid, om wederstand te kunnen bieden aan de schokken van deszelfs naburen, die het oog steeds op hetzelve gevestigd hielden, en om het Gouvernement te bevrijden van den invloed van vreemde zendelingen en hunne Politie, en van zoo vele nieuwsgierige oogen, die zich al te digt bij het Gouvernement bevinden, wanneer hetzelve in eene kleine stad gevestigd is, en van eene andere zijde, ten einde aan de schatkist de middelen te
verschaffen, om volgens de toedragt van zaken te handelen. In welke middelen alleen eene groote stad als Amsterdam, konde voorzien of doen voorzien, door derzelver invloed in het geheele land.
Bovendien het Gouvernement van eenen handeldrijvenden Staat, moet zich in het midden der kooplieden bevinden; een Constitutioneel en gematigd Gouvernement moet door eene groote bevolking omringd zijn. De zorgen die dezelve vereischt, de algemeene werkzaamheid komen ten voordeele van het Land en het Gouvernement, wanneer hetzelve door goede gevoelens bezield wordt, wanneer hetzelve het goede tracht te doen, en het kwade poogt te vermijden: Het was zeer natuurlijk dat de oude provintiale Gouvernementen van geene hoofdstad wilden hooren, dewijl zij geen algemeen, alles in zich bevattend, Gouvernement wilden hebben.
Maar zulk eene verandering zoude in elk ander land eene zaak van belang zijn geweest, hoe veel te meer dus in Holland, waar elke verandering als een ongeluk werd beschouwd, waar den Haag sedert onheugelijke tijden in het bezit der residentie was geweest, en de ingezetenen daar oneindig meer belang bij hadden dan die van Amsterdam.
De Koning begreep, dat, om het algemeen gevoelen des Volks langzamerhand tot deze verplaatsing voor te bereiden, men hetzelve, gedurende eenigen tijd, aan dat denkbeeld moest trachten te gewennen, en dat men daarin niet wel anders, dan door zijwegen zoude kunnen slagen.
Hij was begonnen met al de oude, en in vroegere tijden op den vijand veroverde vaandels, die zich in het Paleis in den Haag bevonden, naar het stadhuis te Amsterdam te zenden.(*) Terstond na deszelfs komst in Holland, had hij Amsterdam reeds tot de Hoefdstad des Rijks geproclameerd.
Op den 16den Januarij ging men over tot de installatie der ridders van de Orde van de Unie, die in de groote zaal van het Paleis in den Haag, bijeen waren geroepen. De Koning zat op den troon door zijne groot-officieren omringd, en gevolgd door al zijne pagies. Zoo als hij gezeten was, deed hij de volgende aanspraak:
‘Ridders! als getuigen van de daarstelling des Gouvernements en van het staatkundig aanwezen van uw land, hebt gij u herinnerd, en herinnert u op dezen dag, op welken gij zijt opgeroepen en u vereenigd om den troon bevindt, de vruchten des arbeids, des moeds, der volstandigheid uwer voorouders, hunner roemrijke vorderingen in Kunsten en Wetenschappen, en alles wat een volk luister kan bijzetten. Komt dan om te zweren, dat gij aan hunne verwachting zult beantwoorden, dat gij zult leven en sterven als goede, getrouwe en deugdzame rid-
ders, dat gij u geheel en al zult wijden aan den dienst van uw land en uwen Koning, bij elke gelegenheid dat zij dezen dienst van u noodig hebben, dat gij steeds de grondwet der orde: Doe wel en zie niet om, als het rigtsnoer van uw gedrag voor uwe oogen zult hebben. - Zweert gij dit?’
Zoo als zij den eed hadden afgelegd, riep de Minister van der goes, Groot-Kanselier der Orde, de ridders den eenen na den anderen tot zich, zij kwamen en knielden aan den voet des troons, waar zij de decoratie der Orde van den Koning ontvingen.
De aanspraak door den Groot-Kanselier, bij deze gelegenheid gedaan, verdient hier eene plaats.(*)
‘Sire! bij de plegtigheid van dezen dag, waarvan de Jaarboeken des Vaderlands geen voorbeeld opleveren, zal ik niet pogen aan Uwe Majesteit te betuigen de gevoelens, welke wij tevens met al derzelver getrouwe onderdanen koesteren; ik zoude slechts een zeer zwak tolk zijn. De waarachtige lofrede van eenen Vorst, bestaat in
het geluk van zijn volk, in her algemeen vertrouwen en de algemeene voldoening. En van deze zijde beschouwd, kan er dan wel iets meer nadrukkelijks, iets gevoeliger zijn dan het vaderlijke hart van Uwe Majesteit, dan de plegtigheid zelve, die ons om den troon van Hoogstdezelve vereenigt? Deze gedenkwaardige dag is bestemd om aan de ware vereeniging der Hollanders gewijd te zijn, aan de vernietiging van allen partijgeest, aan de algemeene gevoelens van eerbied, van dankbaarheid, van liefde en van vertrouwen, waarvan de natie, ten aanzien van haren Koning is doordrongen. Van deze groote gevolgen zien wij de waarborg in den algemeenen ijver, waarmede men zich haast om aan Uwe Majesteit de minst dubbelzinnige betuigingen van verknochtheid en getrouwheid aan te bieden; in de vestiging van Hoogstderzelver Gouvernement, en in dat karakter van voorouderlijke waardigheid, hetwelk het in zoo weinig tijds verkregen heeft.’
‘Waardoor is het dat een Vorst, voorheen geheel vreemd aan onze zeden, aan ons luchtgestel, aan onze wetten, aan onze taal, zoo geheel en al Hollander is geworden? Wat heeft toch zulk eene verwonderlijke uitkomst te weeg kunnen brengen, vooral in zulke moeijelijke en gevaarlijke omstandigheden? Wij mogen het met edele trotschheid zeggen, Sire! het is aan de wederzijdsche achting van Koning en Volk, dat wij dit geluk te danken hebben.
Ja, Sire! onze voorgevoelens, onze wenschen opgewekt, door den roep uwer deugden, riepen u te onzer hulp. Onze toestand, ons leed, en, vergun mij het te mogen zeggen, het goede dat gij ons doen kondet, maakten ons belangrijk in uwe oogen. De liefde, de gehechtheid aan uw voormalig Vaderland, konden ons doen berekenen, welke uwe gevoelens voor ons zouden zijn, weldra werden wij op de overtuigendste wijze daarvan verzekerd, en uwe weldaden hebben ons voor eeuwig aan u verbonden.’
‘Sire! De Koninklijke Orde der Unie is een nieuw en schitterend bewijs der gevoelens die Uwe Majesteit bezielen; onze harten weten hetzelve op waarde te schatten. Wij gevoelen zeer levendig dat eene instelling bestemd, ter belooning van de deugd, der verhevene hoedanigheden der ziel, der zucht en neiging ten algemeenen nutte aangewend, aan dezulke die er het teeken van dragen, de grootste verpligtingen oplegt. Naijverig om de keus Uwer Majesteit te regtvaardigen, en het vertrouwen waarmede Hoogstdezelve ons vereerd te verdienen, zal deze onderscheiding ons voor altijd ten spoorslag strekken om ons der deugd getrouw te doen zijn, zij zal ons altijd aandringen om met ijver den weg te bewandelen, op welken onze Koning ons met zoo veel roems en moeds voorgaat.’
‘Zulk een schoon, zulk een edel denkbeeld, Sire! was reeds voor uwen geest tegenwoordig
in den oogenblik dat gij den schepter van Holland in uwe Doorluchtige handen naamt. De steeds gedenkwaardige aanspraak die Uwe Majesteit destijds deed, levert het bewijs daarvoor op. Bij de ontwikkeling van het grondbeginsel, dat Uwe Majesteit zich voorstelde te volgen, om haar volk gelukkig te maken, en de beweeggronden, welke aanleiding gaven om te hopen dat dit zoude gelukken, plaatste Hoogstdezelve de eer en de deugden der natie onder de voornaamste middelen van regering en vertrouwen. Uwe Majesteit gaf te kennen dat, wanneer men de eerste ten leidsvrouw nam, de laatsten, de voornaamste steunpilaren des troons zouden zijn. Was dit dan niet ons voorbereiden tot het in verband brengen van eer en deugd met het Koningschap?’
‘Op deze wijze,eene instelling vooruit te loopen, die eenmaal zoo krachtdadig deze herstellende ontwerpen moest ondersteunen, beriep uwe Majesteit zich, op eene edele wijze, op den ijver en het verstand van alle goede Hollanders. Deze oproeping, Ridders! uwe aanwezigheid op deze plaats, en het teeken dat u versieren zal, kenmerken dat uw Koning dezelve in dezen oogenblik persoonlijk aan u rigt.’
‘Sire! dat uwe Majesteit mij vergunne in Hoogstderzelver denkbeelden in te dringen. Gij vordert deugden, gij wekt dezelve op door
het eenige fieraad, de eenige belooning voor dezelve: de eer.’
‘Gij vordert deugden, Sire! de Koning van Holland heeft het regt, die te vorderen van eene natie, die het voorbeeld daarvan aan anderen heeft gegeven. Dit was het eigendommelijk sieraad onzer voorouders. Door de stem van onzen Koning opgewekt, door zijn voorbeeld aangespoord, zullen wij ons verheffen, en wij zullen ons in den rang onzer voorouders weten te handhaven.’
‘Wanneer men deugden van ons vordert, dan moet men dezelven in ons vooronderstellen, en wij durven het zeggen, hierdoor geschiedt ons regt. Hollanders! hernemen wij dan dien edelen hoogmoed, die niet het gevolg eener laatdunkende verwaandheid is, maar die zijne geboorte verschuldigd is aan ons gevoel van eigene waarde. Herdenken wij aan den tijd, toen de provincie Holland alleen, nog door derzelver Graven bestuurd, en veel kleiner dan dezelve thans is, reeds tot zulk eenen trap van luister en magt was geklommen, dat de vriendschap van en de verbindtenis met derzelver Vorsten, door de naburige Koningen werd gezocht, reeds toen wekten de overvloed en de welvaart den algemeenen naijver op.’
‘Laten wij tot de vroegste tijden opklimmen. De naam van Holland was te naauwernood bekend, en wij zegepraalden reeds over de ons
ongunstige natuur: door eenen onwankelbaren moed en eene onvermoeibare standvastigheid ondersteund, leerden wij de golven des Oceaans beteugelen, door onze zoo belangrijke waterwerken; en zoo in het vervolg onze misslagen, onze oneenigheden, de misdadige opstanden van eenige woelzieke Grooten, ons in voortdurende ongelukken gesleept, en ons, na eenen langdurigen staat van werkeloosheid, zoo ver gebragt hebben, dat wij slechts beschouwd werden als het domein van een vreemd opperhoofd, en ons zelfs te vergeefs onder de Koningen van Europa, naar eenen meester deden zoeken, die zich onzer uit medelijden aantrok. Met hoe veel luister hebben wij ons uit dien schandelijken toestand niet weten te verheffen, en welk eene welvaart is niet dien tijd van ramp opgevolgd.’
‘Herinneren wij ons de tijden, toen onze legers en onze vloten overal over het trotsche huis van Oostenrijk zegepraalden, - toen wij den Engelschen de heerschappij der zee betwisttent - toen wij met een goed gevolg tegen de vereenigde krachten der magtigste Staten worstelden. Hoe! Zulk eene schoone herinnering zoude ons dan geen vertrouwen inboezemen?’
‘Hollanders! de Koning heeft het u verscheidene malen gezegd. Bleef uwe natie immer in gebreke, wanneer zij groote mannen aan haar hoofd had? Was zij immer ongevoelig
aan de eer en aan den roem? Was zij niet eenmaal het sieraad en het voorwerp der verwondering van gansch Europa, door derzelver ijver en naarstigheid, hare beoefening der fraaije letteren, der Kunsten en Wetenschappen, des handels - die alleen door haar bloeit, en haar op zijne beurt weder voedt.’
‘Ik heb niet noodig u te spreken van onze mauritsen, onze frederik hendrikken, die nog genoemd mogen worden, zelfs in de eeuw van den bekwaamsten veldheer, die immer bestaan heeft, van den Grooten napoleon, en onder de regering van den broeder en kweekeling van dezen Doorluchtigen Monarch. Ik zal u onzen coehorn, den waardigen mededinger van vauban niet opnoemen, ik zal uwe aandacht niet vestigen op onze de ruiters, trompen en heemskerken, die tot nog toe huns gelijk op zee niet hebben gevonden. Zoude de herinnering aan zoodanige mannen immer bij u kunnen worden uitgewischt?’
‘Was Holland niet de wieg van erasmus, het vaderland van grotius, van bynkershoek, van vossius, burman, schulten, huighens, musschenbroek, boerhaven; was het niet de wijkplaats van scalinger, het verblijf van descartes, het toevlugtsoord van bayle, de school van peter den Grooten? Zoude dan een Koning, die de Kunsten en Wetenschappen beschermt, te vergeefs deze namen bij u moeten verlevendigen daar wij
aan dezelven zoo veel luister, zoo veel roem moeten hechten?’
‘Neen, Ridders! in een land, zoo als het onze, dat alleen door Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen bestaat, behoort niet alleen de eer aan den held die het verdedigd. Neen! aan den geleerden die het onderwijst, aan den werktuigkundigen die aan deszelfs behoud arbeid - aan den eerlijken en voorzigtigen koopman die het verrijkt - aan den letterkundigen die het eerwaardig maakt - en eindelijk aan den burger die zich door zijne deugden, en door zijn gedrag onderscheidt - komt dezelfde eer toe; allen kunnen zij zich eveneens verdienstelijk aan het vaderland maken, allen genieten dezelfde genegenheid van een wijs Koning, die een menschenvriend en een vader van zijn volk is.’
‘En waarom zoude een Koning, die minder zijne wezenlijke grootheid in de uitgestrektheid van zijn land, dan in het geluk zijner onderdanen zoekt, een Koning wiens geest, vrij van alle vooroordeelen, al de grootheid van zijne hooge bestemming omvat, waarom zoude zulk een Koning, zegge ik, er geenen roem in stellen, om bij ons die tijden te doen herleven, waarin de vreemde Mogendheden gedwongen werden eene Natie te eerbiedigen, die zich tot eene gelijke hoogte met hen wist te verhessen? Zoo wij, ten aanzien van onzen ouden luister, in verval geraakt zijn, Mijne heeren! zoo hebben wij evenwel ons nationaal karakter nog niet
verloren. Gedurende eenigen tijd op het dwaalspoor gebragt zijnde, door eene valsche wijsbegeerte, hebben wij deze dwaling, die wij met de andere volkeren van Europa gemeen hadden, duur genoeg betaald. Doch deze nacht van afschuw en verdriet verdwijnt. O mijn vaderland! de dagen van uwe welvaart en van uwen roem, uwe deugden, de luister onzer voorouders zullen niet meer slechts een onderwerp van ons leedwezen zijn. Wij zijn tot een nieuw aanwezen geroepen, reeds worden de rust, de eendragt, het vertrouwen herboren en ondersteunen de pogingen van een werkzaam, standvastig en vaderlijk Gouvernement. Het gevoel van eer, dat door het eigenbelang en den geest tot listige kuiperijen (spirit of intrigue), sedert langen tijd bij ons verstompt was, dit gevoel, de eenige beweegoorzaak voor sterke en edelmoedige zielen, zal voortaan de eigenliefde zuiveren, de driften veredelen, en over de onwetenheid en de vooroordeelen, die zich nog tegen het nationaal geluk verzetten, zegepralen.’
‘Ridders! Gij moet het gewigt der heilzame instelling, die u tot uwen Koning doet naderen, en het magtige beweegrad weder in werking brengt, gevoelen. De orde waarvan gij het kenteeken zult ontvangen, is niet alleen eene belooning, toegekend aan alle soorten van uitstekendheid, en die allen in denzelfden roem begrijpt, welke de natie hare dankbaarheid wijdt. - Neen derzelver doel is nog bovendien
aan derzelver leden eene hulpbron in het ongeluk aan te wijzen, en om door eenen band van eer de zoodanigen te vereenigen, die reeds door de publieke achting vereenigd zijn, om tot een ligchaam te verzamelen al het deugdzaamste, het dapperste, het waardigste in de oogen des volks en der geheele wereld, wat de natie in zich bezit. In de eeuwen der onwetendheid en der onbeschaafdheid, waren de dapperheid en de onversaagdheid de eenige hoedanigheden, welke men wist te onderscheiden. Zwakke Vorsten, die in een zeker opzigt afhankelijk waren van hunne vasallen, die te veel magts hadden gekregen, moesten door bijzonderen banden, de keur dezer onstuimige menschen, die slechts van oorlog en moord leefden, en alleen schenen te bestaan, om wanorde en opstand te verwekken, aan zich verbinden. Om zich van hunne trouw en van hunne onderwerping aan een Gouvernement dat hen beschermde, en waarvan zij de onwankelbaarste steunpilaren hadden moeten zijn, te verzekeren, putteden de Koningen hunne eigene schatten en die hunner domeinen uit: noch de opeengestapelde weldaden, noch het vertrouwen van den Vorst, die altijd verraden werd, kon hen binnen de grenzen van hunne pligten houden. Eindelijk deden de bijzondere ridderorden eene nieuwe gehechtheid, eenen nieuwen band voor de Vorsten, die er de hoofden van waren ontstaan. Deze gehechtheid werd gewaarborgd door de eer, en diende
om de nadeelige ongehoorzaamheid der leenmannen, wier buitensporigheden en woestheid het ongeluk des volks berokkenden, te doen ophouden.’
‘Wij, Ridders! wat ons aangaat, wij hebben niet noodig om opgewekt te worden tot vervulling aan die getrouwheid, die wij aan onzen. Souverein zijn verschuldigd; doch zouden wij ons zelven met de Orde der Unie verfierd kunnen zien; eene order die ten doel heeft, om de verdiensten aan derzelver instelling te vereenigen, zonder dat dit eereteeken ons tevens al die groote voorbeelden van regtvaardigheid, getrouwheid, edelmoedigheid, verknochtheid, heldendeugd en grootheid van ziel, welke de jaarboeken tot ons hebben overgebragt, herinnerde.’
‘Ja, de Orde der Unie is eene ridder-orde, op de eer gegrond, en wel in den striktsten en naauwkeurigsten zin van het woord; dezelve heeft ten doel om aan de Ridders de loopbaan van alle deugden te openen, terwijl hun te zelfden tijd als te bestrijdene vijanden worden aangewezen, alles wat de schande, of het ongeluk van den maatschappelijken mensch uitmaakt, de vooroordeelen, de dwalingen, de ondeugden, de valsche grondbeginselen, de partijzucht, de geest van haat, van misnoegen, de zamenspanningen, het eigenbelang en listige kuiperijen. Vijanden des te gevaarlijker en te geduchter,
dewijl men dezelve niet door kracht van wapenen kan ten onder brengen, doch alleen door eene zuivere ziel, zonder vlekken, en door een gedrag dat steeds door de deugd wordt geleid, door de reden wordt verlicht, en waarop niets dan het groote grondbeginsel van eer eenigen invloed heeft. Met een woord, het rigtsnoer, der pligten van deze orde schrijven de uitoefening voor van alles wat dienstig kan zijn tot het geluk van Vaderland en Koning.’
‘Ridders! Ziedaar uwe titels. Eene ontzag verwekkende vereeniging van alles, wat het vaderland zich verhoovaardigen kan te bezitten. Het zijn uwe edele scharen, welke door de stem des Monarchs rondom den troon geroepen worden, ten einde te gelijk de steun en het sieraad van dezelve te zijn. Geroepen om pligten te vervullen, niet minder moeijelijk dan die, welke door de strengste ridderorden gevorderd werden, zult gij bewijzen, dat de Koning wel gehandeld heeft met de eer en de deugd der natie te plaatsen onder de voornaamste steunpilaren van het rijk dat hij ging vestigen, en gij zult tevens voor het oog der wereld bewijzen, dat een onslaakbare band dezelve voor eeuwig heeft verbonden.’
‘Laat ons dan, doordrongen van deze gevoelens, in handen van onzen Grootmeester den plegtigen eed van de orde afleggen. O ja, laat ons zweren te zullen leven en sterven als mannen van eer, dat wij ons zelven geheel zullen
wijden aan alles, wat de striktste eerlijkheid, de waarheid, de ware vaderlandsliefde, de deugd, de menschlievendheid en de eer van ons kunnen vorderen. Zweren wij dan steeds tot rigtsnoer van ons gedrag te zullen hebben, de grondwet van de orde:
‘Doe wel en zie niet om.’
De decoratie van de Orde van de Unie bestond in een gouden Kruis, met acht geëmailleerde punten, vier iets grooter en vier iets kleiner. Gouden honigbijen met uitgespreide vlerkjes waren tusschen deze punten geplaatst. Aan de eene zijde zag men in het midden van het Kruis, de Bundelpijlen der Vereenigde Nederlanden door eenen Koninklijken band aan eenen schepter gehecht; rondom eene slang met den staart in den bek, las men de woorden: Eendragt maakt magt. De andere zijde was versierd met den Zeeuwschen Leeuw, de rand bevatte de spreuk: Doe wel en zie niet om. Boven het Kruis was eene Gouden Kroon. Het lint was hemelschblaauw van kleur. De Ridders droegen deze decoratie aan het knoopsgat, en de Kommandeurs aan een lint om den hals (salterwise) de Groot-Kruisdragers hadden bovendien op de linker borst eene groote plaat in acht punten afgedeeld, waarvan het Schild evengelijk was aan dat van den Leeuw van het Kleine Kruis. De
Kommandeurs droegen ook een hemelschblaauw Kruis op de linker borst, versierd met de begin letters D.W.E.Z.N.O.
Het eerste feest der Unie werd gevierd, door eene vrolijke en glansrijke bijeenkomst en eenen prachtigen maaltijd.
Den volgenden dag werden in de Maliebaan de nieuwe vaandels en vlaggen aan de land- en zeemagt uitgedeeld.
Te tien ure kwamen de Koninklijke Garde, het garnizoen zoowel als de afgezondenen der onderscheidene Korpsen der land- en zeemagt, in de wapenen en begaven zich naar het bovengemelde veld. Van daar gingen de Deputatiën, voorafgaan en gevolgd door twee compagniën Grenadiers der Garde, en vergezeld van eene krijgsmuzijk, naar het Koninklijk Paleis, waar zij de oude vaandels en vlaggen afgaven. Vervolgens marcheerden dezelve naar de Ministeriën van Oorlog en van de Marine, om de nieuwe vaandels en vlaggen af te halen, waarmede zij naar hunne respective Korpsen in de Maliebaan terugkeerden, waar de Koning vergezeld van zijne Aides de Camp, de Ministers van Oorlog en Marine en een groot aantal Generaals en Hoofdofficieren, allen met de Orde van de Unie versierd, aankwam.
Nadat de troepen de revue gepasseerd waren, vormden zij een carré, waarin al de Hoofdofficieren der Korpsen en de Deputatiën der land- en zeemagt den eed aflegden, welke bij de volgende aanspraak gevorderd werd:
‘Officieren en Soldaten! Uwe voorouders bragten de vaandels en de vlaggen van hun vaderland tot aan de grenspalen der aarde; zij streden eenen langen tijd voor hunne veiligheid en hunne onafhankelijkheid. Gij plukt de vruchten van hunnen arbeid thans, daar gij getuigen zijt van het staatkundige aanwezen van Holland en deszelfs Gouvernement.’
‘Zweert dan, bij het ontvangen der Hollandsche vaandels en vlaggen, dat gij dezelve steeds zult handhaven op den weg der eer, en overal waar de dienst van uw vaderland of van uwen Koning u zal roepen.’
De troepen deden den eed met geestdrift, zij defileerden vervolgens en trokken naar hunne kasernen terug.
De opening van het groot Sanhedrin had te Parijs op den 9den Februarij plaats. De Koning vergunde aan de Joden in zijn land, om zich naar deze Vergadering te begeven; doch onder deze voorwaarde, dat, zoo de nieuwe invoeringen niet door de Joden in Holland in het algemeen werden goedgekeurd, dezelve niet zouden worden in werking gebragt. Zijn pligt gebood hem, om alle nieuwe godsdienstige twisten en scheuringen te voorkomen, daar deze steeds in de gevolgen nadeelig zijn.
De Kolonel-Generaal daendels werd tot Maarschalk van Holland benoemd en naar Java gezonden. Hij was een uitmuntend Soldaat, vol van moed, vol geestkracht en krijgslust, (energy
and taste for war). Hij wist in weerwil van de blokkade te Batavia te komen, en ontsnapte aan al de vijandelijke eskaders en kruissers.
Het was in Holland verboden om meer dan een tractement door een en denzelfden persoon te doen genieten, met uitzondering van zoodanige posten, die betrekking tot de Kroon hadden, en niet door de Publieke Schatkist betaald werden, welke vereenigd mogten worden. Om zich naar de denkbeelden des lands echter te gedragen, bepaalde de Koning, dat zij die twee ambten bekleedden, het geheele traktement van het grootste, en de helft van het kleinste zouden genieten, want de geest van naauwkeurigheid en billijkheid, den Hollanders zoo eigen, vergunde hun niet, dat zij, die twee ambten waarnamen, slechts voor een zouden worden betaald.
Het Engelsch Gouvernement overlaadde zich met roem, het verheerlijkte de natie en derzelver Gouvernement, terwijl het de menschheid eerbiedigde in het afschaffen van den slavenhandel.
Het was in de maand Februarij, dat de roemruchtige slag bij Eylau voorviel, waarin de Russen de overwinning aan de Fransche legers betwistten.
Een verschrikkelijke storm verwoestte Holland. De baren der zee bedreigden Amsterdam en Rhijnland, deze storm bewees de kracht der verhooging van den Slaperdijk, die eenige maanden te voren bevolen was.
Den 18den van dezelfde maand drongen de En-
gelschen, onder bevel van den Admiraal duckworth, met geweld door de Dardanellen, en ankerden voor Konstantinopole, hetwelk de Porte deed besluiten om den oorlog aan Engeland en Rusland te verklaren. Den 5den Maart verdween datzelfde eskader van voor Konstantinopole, en zeilde de Dardanellen weder door, zonder iets meer verrigt te hebben.
Er werd een corps Gendarmes in Holland opgerigt, om de kusten te bewaken, en ter ondersteuning der Politie in de groote stad Amsterdam te verstrekken.
De Engelschen maakten zich meester van het Hollandsche eiland Curaçao, in de West-Indiën. Op den eersten Januarij 1807, zeilden vier fregatten stoutelijk die haven binnen, zij namen de twee oorlogschepen die daar lagen en het fort Amsterdam. De verdediging was zeer zwak, en zonder genoegzame bewijzen te hebben, vermoedde de Koning, dat dit Eiland den Engelschen was overgeleverd, en dat de expeditie hare raadslieden in Holland zelf had gevonden. De toebereidselen voor deze expeditie in Engeland, derzelver vertrek, de wijze op welke dezelve volvoerd werd, alles stemde volkomen overeen met de expeditie, die men in Holland ontworp, om eene genoegzame magt derwaarts te zenden, ten einde bij eenen algemeenen vrede deszelfs regtmatige aanspraak op de teruggave der Koloniën in Guiana te doen gelden.
Het groote Sanhedrin, sedert eene maand te
Parijs geopend, en waarvan men het beste gevolg verwachtte, eindigde den 9den Maart, zonder den staat der Israëliten te hebben veranderd, en met eene enkele aankondiging van eenige zedelijke grondbeginselen.
Het voorname doel der bijeenkomst van het Wetgevend Ligchaam was nog niet bereikt, namelijk het voorzien in het te kort komende, veroorzaakt door de aanmerkelijke vermeerdering der armée, de noodzakelijkheid om eene vloot te Texel te onderhouden, en voornamelijk door den ongelukkigen maatregel der blokkade gevoegd bij de onderdrukking, welke den koophandel van Holland op het vaste land werd aangedaan. De ten achterstaande inkomsten kwamen niet binnen, en de betalingen die men nog te doen had, waren op dezen gegrond. Hierdoor ziet men dat hoe meer Holland met de uitersten, waartoe het gebragt was, had te worstelen, hoe meer last men hetzelve nog oplag.
De Publieke Schatkist, waarvan de voornaamste hulpbron bestond in afgiften van wisselbrieven, betaalbaar uit de eerste inkomsten, konde dezelve niet descompteren, dan met de grootste moeite, en dan nog met een groot verlies. De schuldeischers van den staat werden ongerust, de schuld waarvan de interessen drie maanden ten achteren waren, ging meer en meer achteruit. De oogenblik, welke zoodanig door de vijanden van Holland verlangd werd, en waarin het land onder den last van deszelfs schulden zoude bezwijken, scheen
daar te zijn. Onbescheidene gesprekken verraadden het geheim van deze staatkunde; en ondertusschen beklaagde men zich wegens de niet uitvoering der wetten van de blokkade en de sluiting der havens, terwijl juist deze maatregelen den hagchelijken oogenblik (the crisis), voor Holland bespoedigden.
Men heeft gezien dat de Koning niet lang noodig had gehad, om de verdiensten van den Heer gogel te leeren schatten. Deze man was onvermoeid in zijne bezigheden, en uitgeleerd in het stelsel van belastingen, een uitmuntend Minister voor de Impositiën, eerlijk, vaderlandlievend en van eene groote standvastigheid. Ongelukkig voegde hij bij zoo vele hoedanigheden eenige gebreken, die voor een groot gedeelte den goeden uitslag daarvan vernietigden. Hij had weinig gevoel voor het leed en de klagten der bijzondere personen. In de verdeeling der algemeene lasten, had hij alleen het belang van de Schatkist en de volvoering van zijn stelsel op het oog, al het overige was voor hem van geen belang. Men zoude gezegd hebben, dat hij het Ministerie van Finantiën, of liever de belastingen, als eenen afzonderlijken staat beschouwde. Hij konde geene de minste hervorming in de beheering daarvan dulden, doch hij was een gezwore vijand van het bankroet, en een warm vriend van den koophandel, en voornamelijk een onvermoeibaar werkman, zeer ervaren in het beheer der belastingen. Het toeval voerde den Heer louis, Fransch Staatsraad, in den
jare 1806, in Holland, hij was getuige van de publieke belemmeringen. De Koning ondervroeg en raadpleegde hem, en verkreeg door dit ondehoud eene kennis, welke hem in zijnen toestand zoo zeer te stade kwam.
De Hollandsche Staatsraad robert voute, werd hem door den Kommandeur verhuel, broeder van den Maarschalk, voorgesteld, hij wist dadelijk zijne kunde en zijne ervarenheid in den wissel en in de geldleeningen te schatten. Deze was het die de geldleening van veertig Millioenen bestuurde, een schadelijke maatregel, doch die het, om zoo te zeggen, hopeloos Holland redde. Hij werd naderhand tot Directeur van de Publieke Schatkist benoemd. Hij was even kundig in dit vak als de Heer gogel in dat der belastingen, wanneer men de hoedanigheden van deze twee in een' persoon had kunnen vereenigen, zoo zoude men eenen volmaakten Minister van Finantiën hebben gehad.
De Koning verkreeg door deze drie kundige mannen zeer vele inlichtingen, wegens het voornaamste gedeelte der algemeene administratie, en hij vormde een bijzonder stelsel op hetzelve, waarvan hem in het vervolg niets konde terug brengen.
Hij begreep terstond dat het eenige middel om de Finantiën van het land te herstellen, alleen bestond in het verminderen van den ondragelijken last der Publieke Schuld, hetgeen niet konde geschieden, dan door middel van een aanmerkelijk
Amortisatie fonds; doch dit fonds konde niet gevonden worden, dan met behoud en zelfs met vermeerdering der belastingen. Hij wilde aldus met zijne geheele ziel de hulpbronnen voor de Schatkist openen, vermeerderen en verbeteren, dat is te zeggen, de bijzondere welvaart, den koophandel, de nijverheid, den akkerbouw, doch voornamelijk den koophandel. Hij zeide tot de Gedeputeerden van de Beurs van Amsterdam. ‘Tracht zoo veel mogelijk om schatten voor u zelven te verzamelen, want de Schatkist zal zeer lang uwe hulp behoeven. De vermeerdering der rijkdommen van particuliere personen, is eene zaak van het hoogste belang voor den Staat.’
Zijn ontwerp was, zoo als gezegd is: 1o. Om het Amortisatie-fonds tot eene genoegzame grootte te brengen, ten einde in een tijdvak van twintig jaren, de Publieke Schuld op achttien millioenen te verminderen. 2o. Om tot aan dat tijdstip, dat is te zeggen, tot aan 1826, de algemeene belasting op denzelfden voet te houden, door middel eener vermeerdering van algemeene welvaart, door de meestmogelijke vrijheid aan den handel te geven, door de neutraliteit van Holland, en mogelijk door eene vrije haven van geheel het land te maken. Bij den algemeenen vrede wilde hij een nieuw ontwerp op de belastingen, dat hij zich voorgenomen had, beproeven, dit was om de in- en uitgaande regten zeer matig te stellen; veelligt zoude hij dezelve wel geheel hebben afgeschaft, om van
Holland het algemeene middelpunt des handels van geheel Europa te maken. Doch wat de overige indirecte belastingen aangaat, zoude men moeten beproeven, hoe hoog men dezelve zoude kunnen brengen, om de directe belastingen te vervangen, welke in waarheid de meest voordeelige inkomsten voor de Schatkist waren.
Het is waar dat de indirecte belastingen wel de meeste klagten en morringen veroorzaken; doch dit is meer wegens de wijze hoe, dan ten aanzien van het fonds zelve; want er is niets meer billijk en regtvaardig, dan eene schatting te leggen op alle artikels van consumptie. De zwarigheid bestaat alleen in het vinden van een goed middel om dezelven te heffen, dit is ondertusschen niet onmogelijk; hij wanhoopte niet om dit middel bij den algemeenen vrede te vinden, en hetzelve aangenaam te maken, en aldus het land te ontheffen van belastingen op alle soorten van onroerende goederen en kapitalen, en om ondertusschen de inkomsten van den Staat op dezelfde hoogte, en zelfs nog hooger te brengen. Men heeft gezien dat, met een inkomen van zes millioenen, het Amortisatie-fonds, de Publieke Schuld in twintig jaren tijds, op achttien millioenen zoude verminderd kunnen worden. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat dit tijdvak reeds meer dan de helft voorbij is, dan ziet men met schrik de snelheid des tijds, die zulk een groot uitvoerder der menschelijke zaken, en zulk een groot middel in de hand eens Gouvernements is.
Wanneer eenmaal de Schuld zoodanig verminderd was, dan konde men gemakkelijk, ja zelfs dan moest men dezelve op die hoogte houden, zonder dat zij schadelijk voor den koophandel en de nijverheid zoude zijn, integendeel zij werd dan noodzakelijk om aan dezelven meer kracht en werkzaamheid te geven. Beperkte inzigten die alleen zich tot het belang van elk in het bijzonder bepalen, is het gebrek der Hollandsche ambtenaren, een gevolg van het federative stelsel. Dezelfde mannen die zoo vasthoudend en zuinig, ten aanzien van hunne provincie of stad zijn, waren niets minder dan dat voor het algemeen belang des lands. Elk hunner beschouwde het als, eene aanwinst voor zijne provincie of stad, wanneer hij iets aan de Nationale Kas konde onthouden, en elk ambtenaar had, in zijn vak, die zelfde gebreken en dat zelfde gedrag.
Hoezeer de Koning den Minister gogel dankbaarheid verschuldigd was, zag hij zich evenwel in de verpligting om hem het beheer over de Schatkist te ontnemen, om te dezen aanzien een meer geschikt stelsel voor eenen handeldrijvenden. Staat, wiens welvaart voornamelijk op crediet gevestigd was, aan te nemen. Hij besloot dus om eene laatste geldleening te doen, welke genoegzaam zoude zijn om de Schatkist te dekken, de achterstallige schulden te betalen, en het vermoedelijk deficit van het loopende jaar aan te vullen. Hij werd tot dezen maatregel genoopt door de belangrijke, hier navolgende overwegingen:
| 1o. | Het middel te vinden om de publieke uitgaven tot aan het einde van het jaar te kunnen bestrijden. |
| 2o. | Het algemeen crediet ongeschonden te bewaren, in weerwil van den hagchelijken toestand der Schatkist. |
| 3o. | Toegeven aan de dringende vorderingen van Frankrijk, hetwelk eene buitengewone wapening wilde. Men moest vooral zich met den Keizer in geene oneenigheden wikkelen in den oogenblik, zoo nabij aan den algemeenen vrede, waaraan men arbeidde, of voor het minste geloofde te arbeiden, en die aan het Koningrijk zulke aanmerkelijke voordeelen konde en moest geven, wanneer het Fransche Gouvernement aan deszelfs plegtige beloften voldeed, en zijne ware belangen op het oog hield. |
Het voornaamste in den tegenwoordigen toestand van Holland was, tijd winnen: Europa scheen in eenen al te overgedrevenen stand te zijn, dan dat niet op eene of andere wijze eene ontknooping een einde aan alles zoude moeten maken. Men nam een ontwerp van wezenlijke Amortisatie aan, waarvan de uitkomsten steeds onder de oogen van het Publiek werden gebragt.
De wezenlijke staat des lands werd, zonder terughouding, voor het oog der geheele natie opengelegd, men kon zich met geene verbeteringen vleijen, dan door middel van groote opofferingen, het was dus noodzakelijk dat het Publiek volkomen van de waarheid onderrigt werd, indien men
van hetzelve verwachten kon, dat het ernstig zoude medewerken om de noodige maatregelen een goed gevolg te doen hebben.
De zwarigheid in de behandeling der Finantiën ligt niet in derzelver berekening, maar wel, als men zich zoodanig mag uitdrukken in deszelfs zedelijk gedeelte. De geheele kunst der beheering van de Finantiën bepaalt zich ten laatsten in optellen en aftrekken, want alles bestaat daarin, dat men zijne inkomsten niet te boven ga, in te weten wat men heeft, en wat men uitgeeft, en om deze twee sommen met elkander overeen te brengen. Doch hetgeen het zedelijke der Finantiën aangaat, dit is moeijelijker, dewijl men daardoor verstaat, regtvaardigheid, goede trouw, oplettendheid, kieschheid; en welke finantiëele maatregel, op zulke gronden gebouwd, is niet gelukt?
Het is zeer vertroostende, wanneer men bedenkt, dat het wezenlijk belang der personen en des Gouvernements volmaakt overeenstemt met het zedelijke; dat de regte weg niet alleen de kortste, maar tevens de beste is; en eindelijk dat de welvaart en de volmaking der maatschappij onasscheidelijk zijn.
Aldus is het beste finantiëele stelsel voor een land het eenvoudigste, en tevens het begrijpelijkste voor allen. Dat een finantiëele maatregel door allen als waarlijk noodzakelijk beschouwd worde, dat dezelve geene de minste achterdocht veroorzake, geene de minste listigheid in de berekening om het volk, of bijzondere personen te bedriegen,
in zich bevatte, onder het valsche en schoonschijnend voorwendsel om de Schatkist te bevoordeelen, en dat men zeker zij van den goeden uitslag, want elke niet despotieke staat, die niet geheel ontbloot is van nationale nijverheid en welvaart, kan altijd zijne finantiën redden, en zelfs met eer, hoe verward dezelve ook mogen wezen, mits dat dezelve onafhankelijk is, want zonder onafhankelijkheid is een Staat geen Staat, en het is van eenen Staat dat wij spreken. Het is juist, dewijl een bijzonder persoon in zijne handelingen niet geheel vrij is, of geheel vrij kan zijn, dat wij niet hetzelfde van de beheering zijner geldmiddelen kunnen zeggen. Eene maatschappij wanneer dezelve wezenlijk onafhankelijk van vreemden, en vrij in zich zelve is, moet men beschouwen als een mensch in den volmaakten en gelukkigen toestand, want hij vereenigd in zich de vrijheid der natuur met de voordeelen der beschaving.
De volgende boodschap werd op den 31sten Maart, aan het Wetgevend Ligchaam, wegens het belangrijk onderwerp der Finantiën, gedaan.
‘Mijne Heeren! Wij komen u kennis geven, wegens den uitslag van het onderzoek van den staat onzer Finantiën, een onderzoek dat ons onledig gehouden heeft, sedert onze terugkomst in Holland, en hetwelk de voorzigtigheid en eene wijze overweging ons hebben genoodzaakt om uit te stellen, tot dat wij eene volkomene kennis van alles hadden verkregen.’
‘Het is noodig dat Holland wete in welk eenen toestand het zich bevindt, en welke de gevaren zijn die daar uit kunnen voortvloeijen; hetzelve moet overtuigd worden, dat zoo wij gewacht hebben met het nemen van groote en beslissende maatregelen, die hetzelve waardig zijn, wij ons niet aan eene voor hetzelve zoo nadeelige onachtzaamheid hebben overgegeven, of dat wij ons de gevaren, waarvoor de staat onzer Finantiën ons blootstelt, hebben ontveinsd.
‘Deze kennisgeving zal een kort, doch waarachtig overzigt bevatten van den tegenwoordigen Staat, zoodanig als wij denzelven hebben moeten opmaken, volgens eene bijeenbrenging der menigvuldige rekeningen en rapporten, die ons deswegens zijn voorgelegd, en welke eene regelmatige en doelmatige uiteenzetting van de algemeene rekening, die men op ons bevel opmaakt, zullen aanbieden, doch welke nog eenigen tijd zal vereisschen. Zoodanige rekening is thans voor de eerste maal gevraagd.’
‘Wij wisten door het algemeen gevoelen en door dat van de bij onze komst bestaande ambtenaren, dat de Publieke Schatkist in eenen hagchelijken toestand was; wij wisten dat de Raadpensionaris aanmerkelijke misbruiken te herstellen had gevonden, en niet in een onderzoek van hetgeen te voren reeds was, willende treden, vroegen wij aan onzen Minister van Finantiën, die sedert verscheidene jaren aan het hoofd der Administratie had gestaan, een om-
standig rapport, met oogmerk om van daar de Administratie onder onze regering te doen beginnen: dit rapport zal, zoo als wij gezegd hebben, een gedeelte der rekening over het verledene jaar uitmaken.’
‘Daaruit vloeit voort dat, wanneer men de verschenen drie maanden interest der Publieke Schuld, die nog niet betaald zijn, daar onder begrijpt, er in de maand Junij te betalen zoude zijn, zoo aan het reeds achterstallige, als aan hetgeen vermoedelijk in den loop van dit jaar nog te betalen zal zijn:
| 1o. | Voor den dienst van vorige jaren, tot op den 31sten December 1805, de fom van | ƒ21,000,000: 0: 0 |
| 2o. | Ter betaling van eene verbindtenis tusschen het Gouvernement, dat het bestuur van den Raadpensionaris is voorafgegaan, en het huis van wills & Co | ƒ2,400,000: 0: 0 |
| 3o. | Geopend crediet aan den Minister van Finantiën, ter bestrijding der interessen, kosten op geldleeningen en aangegane verbindtenissen | ƒ400,000: 0: 0 |
| _________ | ||
| Transport | ƒ23,800,000: 0: 0 |
| Transportere | ƒ23,800,000: 0: 0 | |
| 4o. | Voor een jaar interessen van gedwongene en vrijwillige geldleeningen over de jaren 1798, 1799, 1800 en 1801 | ƒ4,720,690: 0: 0 |
| _________ | ||
| ƒ28,520,690: 0: 0 | ||
| Deze sommen waren afgescheiden van het Budjet door HH. HH.MM., voor het jaar 1806 vastgesteld, en waaruit volgde, dat de uitgaven (daar onder begrepen de doorloopende en losbare Schuld en de Lijfrenten, voortspruitende uit de Publieke Schuld, welke op dat tijdstip beliepen de som van ƒ34,344,987: 12: 6) eene som bedroegen van | ƒ77,285,845:11:10 | |
| De inkomsten waren berekend op | ƒ50,693,272:10: 0 | |
| _________ | ||
| Het te kort komende op het jaar bedroeg dus | ƒ26,592,573: 1:10 | |
| Waarbij gevoegd moet worden eene vermeerdering van Kosten, veroorzaakt door de verandering |
| in het Gouvernement, ter somma van | ƒ1,000,000: 0: 0 | |
| Het beloop van het te kort komende voor het jaar 1806, zal dus eene totale somma bedragen van | ƒ56,113,263: 1:10 |
‘Ziet daar, Mijne Heeren! in welk eenen staat wij de Publieke Schatkist bij onze komst hebben gevonden.’
‘De Administratie der Finantiën had ondertusschen eenen grooten stap gedaan onder het Gouvernement van den Raadpensionaris, wij zijn aan hem de evengelijkheid der belastingen verschuldigd. Dit nieuwe stelsel, hoe lastig het ook voor sommige personen moge wezen, is met dat al de eenige steun des lands, en doet eer aan het verstand, aan de standvastigheid en aan het karakter van onzen tegenwoordigen Minister van Finantiën.’
‘Volgens de hier boven gemaakte berekening, welke zoo naauwkeurig als mogelijk is, zoude er noodig zijn geweest op den 31sten December 1806 ƒ56,113,263: 1: 10, in de veronderstelling dat al de in het Budjet begrepene uitgaven gedaan waren, hetgeen evenwel geene plaats heeft gehad; en deze besparing is aanmerkelijk genoeg, even eens als de hulp toegezegd bij de wet van den.. Julij 1806. Wij bedoelen hier
den geheimen maatregel van den Minister van Finantiën, die door middel van een crediet van ƒ500,000: 0: 0 aan renten, eene aanmerkelijke som van het Kapitaal, in evenredigheid van deze renten heeft gerealiseerd, en bijna twintig millioenen ten achterstaande Schuld heeft afgedaan. De vereffeningen zoo wel als de inkomsten der belastingen vroeger dan 1806, hebben deze som verminderd op zoodanig eene wijze, dat er wegens den achterstand, op den 27sten dezer maand, niet meer dan bijna een en twintig millioenen te betalen overschoot, daar onder begrepen de drie maanden renten van de Publieke Schuld; eene som die nog voor vermindering vatbaar is doon middel van de inkomsten te ontvangen over het jaar 1806, en de drie eerste maanden van 1807, welke voor het minste vier millioenen zullen beloopen, zoodat de achterstand op den 27sten van deze maand berekend kan worden op de totale som van zeventien millioenen, hetwelk gevoegd bij het te kort, zoo als het u op den 19den Januarij is aangeboden, de benoodigdheden voor dit jaar op veertig millioenen boven de inkomsten zullen brengen.’
‘Gij zult opmerken, mijne Heeren! dat de Publieke Schuld, die bij onze komst tot den troon, niet meer beliep, dan te naasten bij vier en dertig millioenen, vijf maal honderd duizend Gulden, thans bijna vijf en dertig millioenen be-
draagt, doch deze vermeerdering zoo wel als de drie maanden achterstallige renten zijn geenzins het gevolg der directie onder onze regering.’
‘Wij wenschen, dat onze onderdanen het weten, met het eenige oogmerk dat, zoo wij alle gevoelens over zulk eene belangrijke zaak gehoord hebben, zoo wij tot onzen raad en tot ons onderzoek tegen elkander aanloopende, en zelfs tegenstrijdige stelsels hebben ingeroepen, wij dan ten minde geen' oogenblik geaarzeld hebben om alle inblazingen, welke strekten om de wettige schuldvorderingen van bijzondere personen aan te randen, hebben verworpen, zoo wel als alle onbillijke of drukkende middelen, om de vermeerderingen der uitgaven te verhoeden.’
‘Wij zouden liever den last, welke de Voorzienigheid op onze schouders heeft gelegd, willen afwerpen, dan over te gaan tot iets, wat nog geen tijdelijk Gouvernement van dit land ondernomen heeft. Wel verre zelfs van de gedachten te kunnen koesteren aan eene daad die noch geduld, noch vergeten, noch hersteld zoude kunnen worden, dan door het gevolg eener groote staatkundige beroerte, door de bijna geheele verandering van menschen en zaken, vinden wij geenen troost voor de moeite en den arbeid, waaraan wij ons gewijd hebben, dan in de zoete hoop, dat veelligt de Hemel onzen ijver en onze verknochtheid aan de belangen
der natie zal beloonen, door zich van ons te bedienen tot herstel der rampen, die nog meer door de omstandigheden dan door de onderscheidene partijen en bijzondere personen zijn berokkend.’
‘Het Ministerie van Finantiën, de daarstelling, de beheering en het opzigt der belastingen en impositiën van allen aard, de in- en uitgaande regten, de Domeinen en de Schatkist in zich bevattende, ging dit de vermogens van eenen enkelen man te boven, voornamelijk in een tijdstip, waarin een nieuw stelsel moest worden ingevoerd, en hieruit vloeide voort, dat onze Minister van Finantiën zich te veel moest verlaten op ondergeschikte ambtenaren.’
‘Wij hebben dus besloten om eenen onzer Staatsraden met het bestuur van de Schatkist te belasten, welke evenwel altijd in het Ministerie van Finantiën zal begrepen zijn. Het eerste artikel in de instructie van den Directeur der Publieke Schatkist, zal inhouden eene magtiging van alle uitgaven van welken aard, en de renten der Publieke Schuld op zigt te doen betalen, en daardoor verantwoordelijk aan ons te zijn, wegens het voldoen aan eenen pligt, welken wij als den eersten, onder allen die ons zijn opgelegd, beschouwen. Zijne instructie zal ook nog andere belangrijke verpligtingen bevatten. Zijn doel zal zijn om het publiek crediet ongeschonden te handhaven, hij zal zorgen dat de achterstallige belastingen naauwkeurig ontvangen
worden, en dat de aangegane verbindtenissen voor den openbaren dienst, met eene naauwgezette zorgvuldigheid worden vereffend. Op deze wijze zal het crediet hersteld worden, en wij zullen dus voor altijd die geheime en bijzondere maatregelen voorkomen, zoo wel als die schadelijke geldleeningen, waarbij men twee en dikwerf drie Kapitalen voor een gaf. Maatregelen die wel verre van gunstig te zijn voor den oogenblik zoo als het scheen, den staat van zaken verergerden, en het publiek crediet, dien eersten grondslag van het finantiëel stelsel van alle landen, en voornamelijk van een handeldrijvend land, deden wankelen.’
‘Tot op dezen oogenblik was de dus genaamde Amortisatie-kas niet anders, dan eene bijhulp voor de Publieke Schatkist, dus zult gij zien, mijne Heeren! in den staat van die Kas, die onmiddellijk bekend gemaakt zal worden, dat dezelve aanvankelijk zeer rasse vorderingen heeft gemaakt; doch dat zij zich weldra geheel verwijderd heeft van het groote doel van zoodanig eene instelling, hetwelk alleen daarin bestaat om de ingekochte effecten voor altijd buiten omloop te brengen.’
‘Ziet hier, mijne Heeren! ons gevoelen over het Budjet, hetzij men het beschouwe in den staat van vrede of in den staat van oorlog.
‘De Inkomsten kunnen thans berekend worden op acht en vijftig millioenen, welke tot zestig millioenen zullen moeten gebragt worden, door
middel van eenige ligte vermeerderingen, men zal bij deze som moeten voegen de inkomsten der landen die met Holland vereenigd zullen worden, zoodanig dat de voortdurende uitgaven, in tijd van vrede, de inkomsten niet zullen overschrijden, en dit zal u bewezen worden door het vaste Budjet, hetwelk weldra zal vervaardigd zijn, en hetwelk wij u voorstellen om eens voor altijd vast te stellen, wanneer het voltooid zal zijn. Dit was onze eerste gedachte in 1806, doch wanneer wij dit Budjet op vijf en vijftig millioenen bepaalden, ontveinsden wij ons niet dat wij dan noch Armée, noch Marine behielden. De overweging meer dan de ondervinding, en de opkomende oorlog deden ons weldra zien, dat deze staat van zaken gelijk zoude staan aan iets, zonder eenige waarde, en nadeelig in alle opzigten; dat Holland daardoor en zijn aanzien en den rang dien men het in Europa toekent, zoude verliezen. Wij overtuigden ons al zeerj spoedig, dat een handeldrijvende en nijvere Staat, die zoo gebiedend rust en bescherming noodig heeft, noch het een noch het ander, zonder leger of marine zoude vinden. Deze overwegingen hebben ons genoopt om het Budjet op den voet van vrede, op eene geschiktere wijze te bepalen. Gij zult daarin zien, dat de uitgaven voor den oorlog, die in dezen oogenblik meer dan twintig millioenen bedragen, op twaalf zijn verminderd, zonder nadeel aan de armée te doen. Door mid-
del van derzelver formatie, zullen al derzelver tegenwoordige Cadres blijven bestaan in tijd van vrede, ten einde in tijd van oorlog, in zeer weinig tijds weder voltallig gemaakt kunnen worden.’
‘Doch deze maatregel zoude onvoldoende zijn, zoo wij u niet een krachtdadig middel ter vermindering der Publieke Schuld voorstelden. zonder twijfel is er eene schijnbare tegenstrijheid in gelegen, in eene zwakke vermindering van eene zeer groote som, wanneer men tevens er aan denkt om die te vergrooten; doch de eerste maatregel moet volstandig en toenemende zijn, en men moet hopen, dat de tweede de laatste zal zijn, en dat deze hagchelijke staat onmiddellijk zal ophouden.’
‘Het Amortisatie-fonds zal bestuurd worden door een zeker getal Commissarissen, welke noch tractement, noch emolumenten zullen genieten, en wij verlangen dat de President van het Wetgevend Ligchaam van regtswege een dezer Commissarissen zij. Derzelver instructie zal zijn om geen fonds hoegenaamd in Kas te houden, en om hetzelve zonder eenig verwijl te besteden tot den aankoop van Publieke Effecten, welke alsdan zullen worden krachteloos gemaakt (be cancelled), zoodanig, dat zij niet weder in omloop zullen kunnen komen. Elke Commissaris zal op zijne beurt, gedurende eene maand, het bestuur over de Amortisatie-kas hebben.’
STAAT der Publieke Schuld, op den 1sten Januarij, 1807.
| a ¼ perCt. | ƒ90,500: 0: 0 | ƒ1,131: 5: 0 |
| 1½ perCt. | ƒ21,757:10: 0 | ƒ326: 7: 4 |
| 2 perCt. | ƒ29,643,812: 8: 1 | ƒ592,876: 4:10 |
| 2½ perCt. | ƒ630,514,624: 1: 9 | ƒ15,762,865:12: 0 |
| 2¾ perCt. | ƒ6,831,873: 2: 0 | ƒ187,876:10: 2 |
| 3 perCt. | ƒ233,468,283:15: 5 | ƒ7,004,048:10:10 |
| 3½ perCt. | ƒ9,640,852:11: 5 | ƒ337,429:15:13 |
| 4 perCt. | ƒ50,176,975:18: 7 | ƒ2,007,079: 0: 9 |
| 5 perCt. | ƒ19,409,163:10: 0 | ƒ970,458: 3:13 |
| Jaarlijksche renten. | ||
| à 5 en 6 perCt. | ƒ19,305,009:16: 0 | ƒ977,680:14:12 |
| Diversen | ƒ140,862: 0: 9 | |
| Lijfrenten | ƒ673 483:12: 2 | |
| _________ | _________ | |
| ƒ999,102,852:12:11 | ƒ28,656,117:17: 4 |
| Kapitalen. | Renten. | |
|---|---|---|
| Diverse geldleeningen, à 4 perCt. | ƒ7,825,000: 0: 0 | ƒ364,924: 0: 0 |
| Jaarlijksche renten à 5 perCt. | ƒ20,000,000: 0: 0 | ƒ1,000,000: 0: 0 |
| Oorlogslasten van 1794 | ƒ1,082,200: 0: 0 | ƒ54,110: 0: 0 |
| Oude Octrooijen, gezegd Geestelijke | ƒ17,550: 5: 0 | |
| Nieuwe Lijfrenten | ƒ31,595: 0: 0 | |
| Geldleening à 5 perCt. van 1802 | ƒ18,240,000: 0: 0 | ƒ912,010: 0: 0 |
| 3½ van 1798 en 99 | ƒ56,200,000: 0: 0 | ƒ1,967,000: 0: 0 |
| 3½ van 1800 | ƒ17,075,000: 0: 0 | ƒ597,625: 0: 0 |
| 3½ van 1801 | ƒ32,300,000: 0: 0 | ƒ969,000: 0: 0 |
| 2½ van 1802 | ƒ11,002,200: 0: 0 | ƒ275,055: 0: 0 |
| _________ | _________ | |
| ƒ163,724,400: 0: 0 | ƒ6,188,869: 5: 0 |
RECAPITULATIE.
| Doorloopende Schuld A. | ƒ999,102,852:12:11 | ƒ28,656,117:17: 4 |
| Diversche geldleeningen B. | ƒ163,724,400: 0: 0 | ƒ6,188,869: 5: 0 |
| _________ | _________ | |
| ƒ1,162,827,252:12:11 | ƒ34,844,987: 2: 4 | |
| _________ | _________ | |
| De Jaarlljksche renten bedragen | ƒ34,844,987: 2: 4 | |
| Waarvan in twintig jaren na elkander vervallen zullen: | ||
| Losbare renten | ƒ977,680:14:12 | |
| Lijfrenten | ƒ678,016: 2: 2 | |
| Van onderscheiden aard | ƒ301,924: 0: 0 | |
| Van twintig jaren | ƒ1,000,000: 0: 0 | |
| Lijfrenten | ƒ31,595: 0: 0 | |
| _________ | ƒ2,989,215:16:14 | |
| _________ | ||
| Zoo dat in 1827 zal overblijveu | ƒ31,855,771: 5: 6 |
‘Wat aanbelangt de vermeerdering der uitgaven, die door den oorlog worden veroorzaakt, zullen wij eene geldleening van veertig millioenen in Amsterdam openen, door middel van welke al den achterstand, al de uitgaven hoe genaamd, afbetaald zullen kunnen worden, en het te kort op het loopende jaar zal aangevuld zijn. Voor de jaarlijksche aflossing en de renten zullen wij vaststellen vier millioenen inkomsten, te betalen door de stad Amsterdam. Doch om aan de belanghebbende zoo veel waarborg als mogelijk te geven, ten einde het belang van de Publieke Schatkist en dat der bijzondere personen, daarbij beiden op het oog worden gehouden, ten einde de zekerheid van deze Negotiatie waardig zij aan ons volk, dat in alle tijden een voorbeeld van goede trouw gaf, zoo willen wij de verzekering op eene onwraakbare wijze geven. De jaarlijksche vier millioenen zullen gefourneerd worden door den Ontvanger Generaal van Amsterdam, uit de eerste fondsen die in Kas zullen komen, aan eene Commissie te zamengesteld, uit de hoofden der vier voornaamste bankiers huizen in die stad, die de behandeling daarvan zullen hebben, en alleenlijk verantwoordelijk van hun beheer aan ons zullen zijn. De hoofden der voornaamste huizen van Amsterdam hebben zich gehaast om onzen voorslag aan te nemen, zonder eenig uitzigt op voordeel of belang. Deze onbaatzuchtigheid verdient, dat wij hen aan de natie
noemen als ons vertrouwen te hebben geregtvaardigd, en de algemeene achting verdienende. Dezelve zijn de Heeren: raymont en theodoor de smeth, hope en comp., willem en jan willinck, jan hodshon en zoon en willem van brienen en zonen, wanneer wij u de namen van deze personen, die met dit werk belast zullen zijn, noemen, dan is het bijna als of het goed gevolg daarvan werd aangetoond; op deze wijze zullen wij weldra al de loopende schulden van den Staat vereffenen. Door deze orde van zaken zullen de uitgaven verminderen, want de vertraging der belastingen en de belemmeringen moeten dezelve noodwendig vermeerderen.’
‘Eenige ligte vermeerderingen op de reeds bestaande belastingen, zullen genoegzaam zijn om dat gedeelte der impositiën, welke voor de betaling der aflossingen en renten dezer Negotiatie van veertig millioenen bestemd zijn, aan te vullen. Wij gelooven, en met reden dat deze vermeerdering niet zeer aanmerkelijk zal zijn, dewijl wij voor dezelfde zaak al de inkomsten der aangewonnen landen hebben bestemd, welke wij te dien einde van de civiele lijst hebben afgezonderd gehouden. Bovendien zullen deze vermeerderingen alleen de gegoede burgers treffen, welke deze nieuwe opoffering met des te meer vermaak zullen doen, dewijl dit nieuwe stelsel hunne bezittingen zal verzekeren, door de waarde hunner Effecten oneindig meer te
vermeerderen, dan de verhooging van belasting hun zal kosten.’
‘Dien ten gevolge dragen wij u de volgende verordeningen voor:
‘Art. 1o. Men zal onder de belastingen de meestgeschiktsten kiezen, om te dienen tot de Amortisatie van de oude Hollandsche Schuld, zoodanig, dat het fonds van Amortisatie voor het minst op twee millioenen aan inkomen worde gebragt.’
‘Art. 2o. Men zal eene geldleening van veertig millioenen openen, welke in achttien jaren zal afgelost moeten zijn, door middel van vier millioenen jaarlijks, te nemen op de opbrengst der belastingen der stad Amsterdam, welke bijzonderlijk en alleen verpand zullen worden tot dit doel, en zulks tot aan de geheele en algemeene aflossing der geldleening.’
‘Art. 3. De door zijne Majesteit aangewezene belastingen zullen vermeerderd worden zoodanig, dat dezelve kunnen voorzien in de meerdere uitgaven, welke veroorzaakt worden door de Amortisatie-kas en de vier millioenen, welke tot aflossing van de Negotiatie zullen moeten dienen, voor zoo verre als de van de civiele lijst afgezonderde inkomsten onvoldoende zullen zijn.’
‘Ziet daar, mijne Heeren! de kennisgeving, welke wij verlangen u te doen: dat onze onderdanen den waren toestand van hun land kennen en van hunne vreeze terug komen.’
‘Engeland is geweest en is nog in de moeijelijkste omstandigheden, Amerika is met eenen verwonderlijken spoed, uit eenen toestand, veel gevaarlijker dan de onze, alles te boven gekomen, met den tijd zullen wij ook de rampen, die zeker drukkende, doch evenwel niet hopeloos zijn, herstellen. Om daartoe te komen, zullen wij de Finantiën altijd handhaven in het ware stelfel van welvaart en geluk, hetwelk steeds op het crediet gevestigd is; dit is het eenige dat de eer en het aanzijn der Staten kan ondersteunen, even als zulks het geval bij bijzondere personen is. Wij ontveinzen ons niet, hoezeer ons volk moet lijden door den last die op hetzelve ligt; doch deszelfs geluk maakt dezen last noodzakelijk tot aan eenen wezenlijken en duurzamen vrede. Wij vleijen ons dat ons volk, voorgelicht door onze Publieke Ambtenaren, en door allen die onze gevoelens, en ons waar doeleinde kennen, overtuigd zal zijn, dat wij steeds ons onledig houden met alles, wat deszelfs ware belangen betreft. De tijden ondersteunen onze pogingen niet, doch met dat al moeten wij hopen, dat wij weldra tot eene groote verbetering zullen komen. Het zal reeds een groote stap zijn, wanneer wij de vermeerdering der Publieke Schuld kunnen tegengaan, en een ontwerp aannemen, hetwelk dag aan dag de schuldeischers naderbij aan de vereffening hunner vorderingen zal brengen, en daardoor aan hen, die door het betalen van
belastingen het hunne toebrengen tot vermindering dier Schuld, den oogenblik der vermindering dier lasten te gemoet doet zien.’
‘Wij zijn overtuigd dat alle ware Hollanders zich zullen haasten om deel te nemen aan deze geldleening, dewijl zij daardoor hun eigen voordeel zullen vinden, en tevens zullen bijdragen aan het geluk van hun vaderland.’
‘Hiermede enz. enz.’
Deze maatregel werd met algemeene stemmen aangenomen, en de geheele natie gaf hare goedkeuring daaraan, dewijl zij daarin niets anders zag, dan een grondbeginsel van goede trouw, de verknochtheid des Konings aan de belangen des vaderlands, en overtuigd was van de waarheid van alles wat werd voorgesteld.
Het volgende antwoord werd door HH. HH. MM. aan den Koning gezonden:
Den Haag, 31. Maart, 1807.
‘Het Wetgevend Ligchaam aan Zijne Majesteit den Koning.’
‘Sire! Het was steeds een aangename pligt voor ons, wanneer onze ambtsbetrekkingen ons in de gelegenheid stelden, om mede te werken in de maatregelen, welke Uwe Majesteit nuttig voor het geluk van Hoogstderzelver volk oordeelde. Wij hebben ons op nieuw van denzelven kunnen kwijten, na den ontvangst der
boodschap, welke Uwe Majesteit ons op den 28sten van deze maand heeft gezonden.’
‘Toen wij het Budjet voor dit loopende jaar aannamen, hebben wij ons onbegrensd vertrouwen in de vaderlijke zorgen uwer Majesteit voor Hoogstderzelver onderdanen bewezen, en zoo wij een bewijs noodig hadden om dit vertrouwen te regtvaardigen, zoo zouden wij het vinden in het ontwerp van wet, dat ons wordt aangeboden, en in de belangrijke mededeeling die ons tevens gegeven is. Wij alleen, die het voorregt hebben om ons van nabij van de onvermoeide werkzaamheden Uwer Majesteit, en van Hoogstderzelver kennis der belangen des Koningrijks, te overtuigen, zijn het niet die door dit vertrouwen bezield zijn, hetzelve wordt ook bij onze medeburgers gekoesterd, en door de voornaamste huizen van koophandel, die, terwijl zij het hunnen toebrengen, om de Publieke Schatkist uit het gevaar van derzelver moeijelijken toestand te redden, geenen den minsten twijfel overlaten van de zekerheid, met welke zij berusten op de bekende regtvaardigheid van uwe Majesteit. Het voorbeeld van zulke aanzienlijke burgers zal de overigen aanmoedigen, en wij vleijen ons dezen gelukkigen invloed zich meer en meer te zullen zien ontwikkelen.’
‘Wij wenschen ons zelven geluk, dat wij kunnen medewerken in de maatregelen, welke Uwe Majesteit met zoo veel wijsheid heeft weten
voor te bereiden. Doch het is voor ons nog een grooter genoegen, dat wij zulke blijkbare bewijzen van het verlicht oordeel Uwer Majesteit vinden in de instellingen, welke Hoogstdezelve noodig oordeelt om den staat der Finantiën op zulke vaste gronden te herstellen, en om het crediet, zoo onmisbaar in een land, dat de voornaamste bronnen van deszelfs welvaart in den koophandel moet vinden, te doen herleven. Het waren de zucht tot orde, de bezuiniging, en eene onwankelbare trouw in de vervulling van aangegane verbindtenissen, waardoor onze voorouders ons land tot dien staat van welvaart hebben gebragt, en waardoor het in de mogelijkheid gesteld werd, om aan zoo vele rampen het hoofd te kunnen bieden, rampen het is waar, welke men aan de partijzucht en aan menschen, maar nog meer, zoo als Uwe Majesteit ons heeft doen opmerken aan den loop der gebeurtenissen, moet toeschrijven. Deze deugden onzer voorouders, die, wij durven het zeggen, Sire! niet uit onze harten zijn uitgewischt geworden, zullen steeds het karakter Uwer regering uitmaken; wij zien de bewijzen daarvan elken oogenblik, zonder ons daarover te verwonderen, doch steeds ook met een vernieuwd genoegen.’
‘Wij gevoelen de juistheid der denkbeelden Uwer Majesteit, welke uitgedrukt zijn in dat gedeelte der boodschap, welke Hoogstdezelve
ons heeft gezonden, waarbij de uitbreiding der Amortisatie-kas als een der beste middelen, om de Finantiën van den Staat te herstellen, wordt voorgedragen. Wij gevoelen hoe noodig bet is, dat bet beheer daarvan afgescheiden is van de gewone Administratie der Finantiën, en dat zij, die daarmede belast zijn, alleen aan Uwe Masteit verantwoordelijk zijn, en wij beschouwen het, met dankbaarheid, als een vereerend blijk van het vertrouwen Uwer Majesteit in het Wetgevend Ligchaam, dat onze President onder het getal van gezegde administrateurs zal behooren.’
‘De beschikking, welke Uwe Majesteit reeds met zoo veel edelmoedigheid heest gemaakt, om de inkomsten des lands te vermeerderen, door die der aangewonnen landen, die voorheen tot de civiele lijst behoorden, en de hoop van Uwe Majesteit, die wij gevoelen dat niet ijdel zal zijn, dat de Fransche Keizer nog andere landen bij Holland zal voegen, schenken ons het aangenaamste vooruitzigt, en wij mogen ons vleijen, dat Uwe Majesteit niet alleen beloond zal worden voor Hoogstderzelver onvermoeide pogingen, door de inwendige voldoening die de bewustheid van wel te hebben gedaan, medebrengt, doch ook door het vermaak, zoo streelend voor eenen goeden Vorst, van het geluk zijner onderdanen te zien, en door de zegeningen van een dankbaar volk.’
‘Wij hebben de eer met den diepsten eerbied te zijn: Sire! van Uwe Majesteit de onderdanigen dienaren en getrouwe onderdanen.’
‘De President en leden van het Wetgevend Ligchaam van het Koningrijk Holland.’
(Geteekend) A. van Doorn.
Geteekend (op last) T.A. Tinne.
Het zoude hier de plaats zijn om van een aantal wetten te spreken, welke in den loop dezer zitting werden aangenomen, doch daar al de pogingen die men gedaan heeft om het land, gedurende vijf jaren, 1806, 1807, 1808, 1809 en 1810 te redden, nergens anders toe gediend hebben, dan om de gebeurtenis die in 1810 plaats had, te verschuiven, zoude het niet alleen nutteloos, maar bovendien vervelende zijn om te veel in al deze bijzonderheden te treden. Het zal genoegzaam zijn te zeggen dat, hoe nadeelig de publieke lasten ook waren, de vermeerdering van vijf millioenen op gezegde impositiën door het Wetgevend Ligchaam werd toegestaan, terwijl de belasting op het Personeel voor dit jaar ook nog werd hernieuwd.
Geen eenig land, zelfs niet Engeland, deed immer zulke groote opofferingen voor deszelfs Gouvernement, en men zal dit gereedelijk toestemmen, wanneer men den bijzonderen toestand van Holland in dit tijdsgewricht in aanmerking neemt.
Behalve de finantiëele wetten, werden door het Wetgevend Ligchaam, de nieuwe wetten op de administratie der Departementen aangenomen, als ook op de jagt en de visscherij, en op de wijze van regering, bij het overlijden des Konings. Overeenkomstig aan de laatste Staatsregeling, verklaarde deze wet, dat het toevoorzigt over den minderjarigen Koning, aan de Koningin toekwam, en de regering aan zoodanige personen, als door den Koning zouden gekozen worden. Er werd eene kist met drie sleutels vervaardigd, waarvan de Koning; de President van den Staatsraad en de Voorzitter van het Wetgevend Ligchaam er elk eenen in handen hadden: in deze kist werden de namen der leden dier regering bewaard.
De beheering der Departementen werd toevertrouwd aan eenen ambtenaar onder den naam van Landdrost, welke door eenen raad van vier of vijf Assessoren werd ondersteund.
De Koning had veel moeite om te verkrijgen, dat deze Landdrosten uit de inwoners van het gansche land konden gekozen worden, de inwoners van elke provintie hadden er veel tegen om door iemand uit eene ander