terug  begin  verder

1.3 Doelstelling en afbakening van het onderzoek

Het object van het onderzoek waarvan hier verslag wordt gedaan, is de Proeve van Taal- en Dichtkunde; in Vrijmoedige Aanmerkingen op Vondels Vertaalde Herscheppingen van Ovidius van Balthazar Huydecoper. Dit boek bevat niet alleen relevante gegevens voor onderzoekers die belang stellen in de historiografie van de taalkunde, maar ook voor wetenschappers met interesse voor de geschiedenis van de dichtkunde. Aan de poëticale opvattingen die Huydecoper in zijn Proeve - en in andere geschriften - heeft verkondigd, wordt in deze studie voorbijgegaan.14 Het voornaamste doel van dit onderzoek is het verwerven van inzicht in de waarde van de Proeve als ‘spraakkunst’; dit gebeurt in de hoofdstukken 5 tot en met 7 van deze studie. Aan de hand van een systematische presentatie en beschrijving van de taalkundige gegevens uit het boek, en de plaatsing ervan tegen de achtergrond van de taalkundige ideeën in het begin van de achttiende eeuw in de Republiek. Gegevens uit andere teksten van Huydecoper zullen in de beschouwing worden betrokken voor zover ze aansluiten bij de aldus tot stand gebrachte spraakkunst. Huydecopers taalbeschouwing is niet systematisch getoetst aan moderne taalkundige inzichten.

In 1994 heeft de Nijmeegse hoogleraar Engelse taalkunde Aarts tijdens zijn afscheidscollege met als titel Bewakers van de taal aandacht gevraagd voor de rol die puristen en prescriptivisten hebben gespeeld in de geschiedenis van de Engelse taal (Aarts 1994: 1). Hij werpt enkele interessante vragen op waar wetenschappers die zich met dit onderwerp bezighouden, een antwoord op zullen moeten formuleren (Aarts 1994: 3-4). Als we deze vragen toespitsen op het onderzoek naar de taalkundige ideeën die Huydecoper heeft geponeerd in de Proeve van Taal- en Dichtkunde, levert dat de volgende reeks vragen op:

Waarom meende Huydecoper kritiek te moeten leveren op wat Vondel en andere auteurs zeggen en schrijven?15
[p. 6]
Wat dacht Huydecoper met zijn kritiek te kunnen bereiken?
Waaraan ontleende Huydecoper zijn gezag?
Waarom was de Proeve zo populair?

Wat de laatste vraag betreft: tal van auteurs hebben de taal- en dichtkundige adviezen die Huydecoper hun in de Proeve aan de hand heeft gedaan, ter harte genomen. Sommigen van hen stellen hem daarvan in brieven op de hoogte.16 Dat dichters en taalkundigen waarde hechtten aan de mening van Huydecoper, blijkt daaruit dat zij hem manuscripten en gedrukte teksten ter beoordeling toezonden of hem om raad vroegen.17

14Over Huydecopers verstheorie, raadplege men Kossmann 1922: 130-141 en Schenkeveld-van der Dussen 1969; voor Huydecopers (Frans- classicistische) toneeltheorie, zie Van Schaik 1964, Schenkeveld- van der Dussen 1982, Konst 1993 en de in die werken opgegeven secundaire literatuur.
15Vgl. Peeters [1990c]: 177, die zich afvraagt waarom in het begin van de achttiende eeuw juist onder anderen Huydecoper, Langendijk en Poot eigen en andermans geschriften verbeterden. Was dit wellicht toe te schrijven aan de invloed van het Frans-classicisme (vgl. De Vooys 1947c: 14)?
16Zie bijvoorbeeld de brieven van Pieter Boddaert, 2 augustus 1737 en 28 februari 1738; Silvester Aemilius ten Brink, 18 februari 1751 (RAU, inv. 67, inv.nr. 193).
17Zie brieven van Kornelis Elzevier, 2 november 1737; Adriaan Kluit, 29 oktober 1755; Matthëus van Leeuwarden, 28 februari 1735; Jacob Elias, 2 april 1731, 17 oktober 1731, 5 september 1733; Willem Otto Reitz, 18 juni 1732 (RAU, inv.67, inv.nr. 193-195)).
terug  begin  verder