terug  begin  verder
[p. 22]



illustratie
Balthazar Huydecoper

[p. 23]

2 Balthazar Huydecoper

2.1 Biografische schets

Centraal in het onderzoek waarvan in deze studie verslag wordt gedaan, staan de taalkundige ideeën die Balthazar Huydecoper heeft neergelegd in zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde (1730). Om deze reden acht ik het niet noodzakelijk een uitvoerige beschrijving te geven van het leven van Huydecoper. Met deze paragraaf beoog ik slechts de achttiende-eeuwse taalgeleerde voor te stellen (vgl. Schaars 1988: 1).1 Uitgangspunt voor de onderstaande biografische schets vormden het boekje Balthazar Huydecoper. Een Hollandsch geleerde uit de achttiende eeuw (1946) van Henri A. Ett2 en de studie Balthazar Huydecoper. Een taalkundig, letterkundig en geschiedkundig initiator (1962) van C.J.J. van Schaik. Beide auteurs hebben voor hun respectieve levensbeschrijvingen gegevens ontleend aan het omvangrijke maar niet geheel complete archief van Balthazar Huydecoper, dat de zojuist genoemde Ett in september 1945 heeft teruggevonden.3

 

Het huwelijk dat Joan Huydecoper (1656-1703)4 en Maria Temminck (1662-1707) op 16 juli 1686 in Sloterdijk hadden gesloten, werd gezegend met ten minste tien kinderen.5 Balthazar, hun derde zoon, werd op 10 april 1695 in Amsterdam geboren.6 Drie dagen later werd hij in de Zuiderkerk gedoopt (Van Schaik 1962: 7).

Nadat Huydecopers ouders overleden waren, heeft zijn grootmoeder Sophia Coymans (1636-1714) zich, samen met enkele voogden, ontfermd over de verdere opvoeding van haar kleinkind (Ett 1946: 8). De gedichten die Huydecoper heeft laten drukken ter gelegenheid van de zesenzeventigste en zevenenzevenstigste geboortedag van zijn grootmoeder - in 1712 respectievelijk 1713 -, leggen daar getuigenis van af.7

Rond zijn achtste verjaardag werd Huydecoper ingeschreven aan de Latijnse school in Amsterdam, waar hij onderricht kreeg van onder anderen conrector David van Hoogstraten (1658-1724), die we in het vorige hoofdstuk al hebben ontmoet als invloedrijk Nederlands taalkundige (zie 1.7). Huydecoper heeft zijn opleiding aan de Latijnse school op 1 april

[p. 24]

1711 besloten met het uitspreken van een Latijnse redevoering onder de titel Oratio, qua ostenditur literarum studia militiae et mercaturae longè esse praeferenda. Traditiegetrouw vond deze plechtige gebeurtenis plaats in het koor van de Nieuwe Kerk in Amsterdam (Ett 1946: 9).

Men kan volgens Ett (1956: 6) gevoeglijk aannemen dat Huydecoper na de Latijnse school doorlopen te hebben, onderwijs heeft gevolgd aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam.8 Bewijzen hiervoor zijn er echter niet, aangezien we pas vanaf 1799 de beschikking hebben over collegelijsten en er pas sinds 1824 een album academicum is bijgehouden (Brugmans 1932a: 6).9 Professoren hielden voor zichzelf weliswaar lijsten bij van studenten die bij hen colleges liepen, maar afgezien van het exemplaar van de hoogleraar Hendrik Constantijn Cras (1739-1820) zijn deze alle verloren gegaan (De Roever 1882: ii).

In 1713 heeft Huydecoper zich aan de universiteit van Utrecht laten inschrijven als student in de rechten.10 Voor de meeste achttiende-eeuwse jongelui van goede komaf was de rechtenstudie een vanzelfsprekende keuze. De meesterstitel vergrootte namelijk sterk de kans op een betrekking binnen de magistratuur, al was dit geen noodzakelijke voorwaarde (Ett 1946: 8). Over Huydecopers studententijd zijn we, evenals over zijn vroege jeugd, summier ingelicht. Gegevens met betrekking tot het tijdstip waarop hij het studentenleven de rug heeft toegekeerd, ontbreken. Wel staat vast dat Huydecoper de meesterstitel nooit heeft behaald. Daarom heeft hij er in verscheidene brieven op gewezen dat hij niet gerechtigd was de titel ‘Meester’ te dragen.11

Op 5 maart 1723 wordt Huydecoper door burgemeester Egidius van der Bempden (1667-1737) benoemd tot regent van het burgerweeshuis.12 Naast Huydecoper hadden nog vijf andere regenten en vier regentessen zitting in het bestuur ervan. Door zijn benoeming werd Huydecoper vanaf de gemelde datum tevens belast met het bestuur van de Amsterdamse schouwburg. Na een tumultueuze periode in de geschiedenis van dit theater hadden de regenten van het burgerweeshuis en die van het oude-mannengasthuis, twee instellingen waaraan de opbrengst van de schouwburg ten goede kwam, rond 1693 namelijk besloten de exploitatie van het theater zelf ter hand te nemen (Ett 1949: 28).

Per seizoen, dat liep van augustus tot mei, werden er minstens negentig toneelstukken opgevoerd. Elke speeldag kwamen de regenten van de schouwburg bijeen op de regentenkamer, zowel om toezicht te houden op de orde, als om het programma voor de volgende voorstelling vast te stellen (Wagenaar 1765: 403). Tegen het eind van het jaar 1730 geeft Huydecoper in zijn correspondentie geregeld te kennen dat de gang van zaken in de schouwburg hem allerminst aanstaat (Van Schaik 1962: 52). Ten langen leste bedankt hij

[p. 25]

op 1 mei 1732 voor het regentschap.13

Enige maanden tevoren, op 14 maart 1732 om precies te zijn, was Huydecoper door de Staten van Holland en West-Friesland aangesteld tot schout en dijkgraaf van Texel en tot baljuw van Eierland.14 Met de bepaling dat hij zich metterwoon op het eiland Texel moest vestigen, zodat hij in geval van een noodweer in staat was snel handelend op te treden, kon hij zich slechts moeizaam verenigen. Het liefst wilde hij twee plaatsen hebben om te wonen: Den Burg op Texel én Amsterdam. Daarom zal hij zeer ingenomen zijn geweest met de op 6 juni 1732 gedateerde brief van de burgemeesters en regeerders van de stad Amsterdam, waarin zij Huydecoper te kennen geven dat - hoewel hij zich op Texel had gevestigd - zijn poorter- en burgerschap van Amsterdam toch wordt gecontinueerd (Van Schaik 1962: 63-64).

Elk jaar werd op 28 januari door de raden van Amsterdam bekend gemaakt welke personen er genomineerd waren om - voor de duur van één jaar - benoemd te worden tot schepen. Nadat de vier regerende burgemeesters de lijst met de namen van de kandidaten ondertekend hadden, werd dit zogenaamde ‘Biljet der Nominatie’ naar de stadhouder gezonden met het verzoek uit de genomineerden negen schepenen te kiezen. De burgemeesters, die nauw met de schepenen moesten samenwerken, waren gewoon hun voorkeur voor bepaalde personen kenbaar te maken door deze op de namenlijst ‘te poincteeren, of aan te stippen’. De plechtige bekendmaking van de keuze van de stadhouder en de beëdiging van de schepenen vond steeds enkele dagen later plaats (Wagenaar 1767: 308-309). Huydecoper kreeg op 2 februari 1740 officieel te horen dat hij tot de uitverkorenen behoorde. Dat zijn oom Jan Elias Huydecoper op dat moment een van de vier burgemeesters van Amsterdam was, zal - in een tijd waarin het nepotisme hoogtij vierde - vrijwel zeker van invloed zijn geweest op deze benoeming.

De voornaamste opdracht van dit ereambt was ‘het spreeken van regt over allerlei Crimineele en Civile zaaken’ die zich binnen het rechtsgebied van de stad Amsterdam afspeelden (Wagenaar 1767: 312). Daarnaast was een schepen onder meer belast met het beantwoorden van allerhande verzoeken, het verlenen van borgtochten en het taxeren van onroerende goederen (Wagenaar 1767: 326).

Huydecoper werd niet herkozen. Op 3 februari 1741, een dag na zijn aftreden als schepen, werd hij benoemd tot ‘Commissaris van de Huwlyksche Zaken’ (Ett 1946: 40-41). Deze commissarissen, ‘die aantekening hielden van de verloofde paaren, en tegen de ongeregeldheden, in 't stuk des Huwelyks, waakten’ (Wagenaar 1767: 425), behoorden tot de aanzienlijkste burgers van de stad. Velen van hen waren voorheen schepen geweest. Vanaf 1679 werd, om het gerechtelijk apparaat een weinig te ontlasten, hun takenpakket uitgebreid met kleine juridische geschillen (Wagenaar 1767: 427; vgl. Ett 1946: 40-42).

Uit het feit dat Huydecoper zich gedurende zijn ambtsperiode als schout en dijkgraaf van Texel en baljuw van Eierland veelvuldig in Amsterdam ophield, mogen we niet concluderen dat Huydecoper zich niet serieus van zijn taken kweet. Verbleef hij in Amsterdam, dan droeg hij schriftelijk zorg voor het bestuur op het eiland. Omstreeks 1748 echter lijkt bij

[p. 26]

Huydecoper de belangstelling voor Texelse aangelegenheden tanende. Steeds vaker laat hij verstek gaan bij rechtszittingen en naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er vanaf 1755 geen meer bijgewoond (Van Schaik 1962: 61-64). Op 30 september 1769 werd Huydecoper ‘om sijn toeneemende swakheid’ bij resolutie van de Staten van Holland ontheven van zijn functies (Van Schaik 1962: 132).

Over de laatste jaren van Huydecopers leven zijn we slecht geïnformeerd. Hij overleed 23 september 1778 op 83-jarige leeftijd. Zes dagen later werd hij begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam (Van Schaik 1962: 135).

1Aan de geschriften van Huydecoper wordt, voor zover ze van belang zijn voor de tekstontwikkeling van de Proeve, aandacht geschonken in 4.1. Een beknopte, onvolledige, bibliografie van Huydecopers geschriften is te vinden in Van Schaik 1962: 196-197.
2Ett heeft vanaf 1946 uit de schriftelijke nalatenschap van Huydecoper een groot aantal (fragmenten van) brieven gepubliceerd (zie Ett 1948, Ett 1949, Ett 1950a, Ett 1950b, Ett 1956).
3Ett trof dit archief aan in een kast op de zolder van Goudensteyn, het buitenverblijf van de familie Huydecoper aan de Vecht bij Maarssen. Het archief van Huydecoper is in 1945 overgebracht naar het rijksarchief in de provincie Utrecht. M.S. Polak stelde een catalogus van het familiearchief-Huydecoper samen (Polak 1987). De stukken die betrekking hebben op Balthazar Huydecoper, staan gecatalogiseerd onder de nummers 173-437.
4Het geslacht Huydecoper was een aanzienlijk Nederlands regentengeslacht. Balthazars overgrootvader, Joan Huydecoper (1599-1661), behoorde tot de invloedrijkste regenten uit de zeventiende eeuw. Zijn rijkdom en zijn grote bewondering voor de schone kunsten maakten hem tot een van de royaalste mecenassen van zijn tijd (Ett 1946: 7). Uit het tweede huwelijk van Joan Huydecoper, met Maria Coymans (1603-1647), werd Balthazars grootvader Joan Huydecoper (1625-1704) geboren. Ook hij bekleedde aanzienlijke posities (Van Schaik 1962: 8-9).
5Vaak werden zeer jong gestorven kinderen namelijk niet meegeteld.
6Zijn geboortedatum heeft Huydecoper vermeld in een brief aan een tot nu toe onbekende persoon (Ett 1948: 94).
7Zie Huydecoper 1788: 240 en 244.
8De Doorluchtige School van Amsterdam was in de zeventiende eeuw opgericht om leerlingen beter voor te bereiden op de universiteit. Het voornaamste verschil met de universiteiten bestond daaruit dat de Doorluchtige School het recht van promotie niet bezat; het niveau van het onderwijs was verder nagenoeg gelijk (Brugmans 1932b: 52).
9Vgl. Ett 1956: 6 en Van Schaik 1962: 15.
10Album Studiosorum 1886: 114.
11Op 5 december 1730 schrijft hij aan Kornelis Boon van Engelant: ‘Myne Tytels hebben niet veel om 't lyf: ik ben Regent van het Burgerweeshuis; 't welk hier te Amsterdam niet onder de Tytels geteld wordt. Ook komen my niet toe de letteren Mr. die uw Ed. voor myn naam gezet heeft’ (RAU, inv. 67, inv.nr. 175). Aan Frans van Lelyveld merkt Huydecoper in een brief van 21 augustus 1766 ten aanzien van de titels bij zijn naam op: ‘Vooreerst dat achtergelaaten werden, de letter Mr voor, en de woorden Raad en Oud achter den zelven’ (UBL: BPL 1004).
12Aan Van der Bempden heeft Huydecoper drie jaar later - in 1726 - zijn vertaling van Horatius in proza opgedragen (Huydecoper 1726).
13GAA, inv. 5031, inv.nr. 55, p. 138. Een andere bron zegt dat Huydecoper de functie heeft neergelegd op 24 september 1732 (GAA, inv. 503, inv.nr. 60).
14Een jaar later breidt zijn bevoegdheid zich verder uit: op 23 maart 1733 wordt hij door de hoofdingelanden van het waterschap benoemd tot schout en dijkgraaf van de heerlijkheid en de polder Walenburg, een polder op het eiland Texel ten noorden van de hoofdstad Den Burg. Dertien jaar later, in 1746, wordt hij gekozen tot hoofdingeland van Walenburg (Van Schaik 1962: 66, 127).
terug  begin  verder