terug  begin  verder

4.2 De werkwijze van Huydecoper

4.2.1 Inleiding

Aan het eerste deel van Tael- en dicht-kundige bydragen (1760) gaat - om met Kalff (1910: 574) te spreken - een bijzonder ‘pruikerige’ opdracht aan Balthazar Huydecoper vooraf, die in hoge achting blijkt te staan bij hen die aan dit tijdschrift bijdragen. We zien hem ‘den onvergelykelyken B. Huydecoper (p. 3) genoemd, ‘den onvergelykelyken Huydecoper’ (p. 85), ‘den nooit hoog genoeg geroemden Huydecoper’ (p. 164), ‘de groote taelkundige, de Hr. B. Huydecoper’ (p. 228), ‘De oordeelkundige Huydec.’ (p. 236) en ‘den zoo schranderen als arbeidzamen Huydecoper’ (p. 423).

Over de wijze waarop de taal volgens de medewerkers van de Tael- en dicht-kundige bydragen verbeterd diende te worden, lezen we op bladzijde 192 het volgende:

ene tael moet uit zyn gebruik, niet uit redenkavelingen worden opgemaekt <opgebouwd>. Omtrent 't woord taelgebruik houden we ons aen de omschryving van den Hr. Huydecoper, die ons aenwijst. dat het zelve niet in het spreeken [...] maer in de standvastigste schryvwyze moet gezogt worden. Uit dit gebruik, mids de Analogie en Formatie der tael niet tegen, maer in de hand werkende <bevorderende>, moet men, zeiden wy, en zeggen we nog, ene tael opmaeken <opbouwen>; niet uit redenkavelingen, waer door wy dan verstaen allerleie scherpzinnige
[p. 75]
Schoolsche <uitzonderingsloze> onderscheidingen, bepalingen <definities>, zifteryen over de netste <nauwkeurigste> uitdrukkingen, enz. enz. geenzins gevolgtrekkingen uit den algemeenen loop en regelmaat <wetmatigheid> der tale.

In de uit 1775 daterende Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde van het Utrechtse genootschap Dulces ante omnia musae geeft Meinard Tydeman op de pagina's 79-102 ‘Eenige aanmerkingen, betreffende de spelling’. Daarin doet hij een oproep aan taalgebruikers om zoveel mogelijk de ‘regelmaat’ van een taal te volgen:

men leere te dien einde de taal, niet oppervlakkig, maar grondig; niet uit Moonen, Sewel, Nyloë; maar uit Ten Kate, Verwer, Huydecoper, Kluit: doch men wagte zig voor bijzonder <afwijkend in gedrag> en pedant <verwaand> te zijn.
(p. 97)

In het voorbericht tot het vierde deel van de Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden (1779) maakt Frans van Lelyveld een vergelijking tussen het taalkundig werk van Ten Kate en dat van Huydecoper:

Gelijk deze [Ten Kate, RdB] de eerste geweest is, die met Wijsgeerige <filosofisch geoefende> oogen den weg heeft gevonden tot het opsporen van de ware regelmaat en eene gegronde afleiding onzer Tale, zoo is Huydecoper de eerste geweest, die met zijn voorbeeld de rechte wyze heeft aangetoond, waarop onze Taalkunde kan en moet behandeld worden, om, niet uit willekeurige verkiezingen, de regels van het Nederduitsch op te maken; maar uit het volstandig <bestendig> gebruik van zoodanige Schryveren, die hunne Werken te boek stelden voor de verwarring en verbastering, welke naderhand in onze Tale zijn ingeslopen; en van zulken, die vervolgens tot herstelling dezer verwarring, door naauwkeurigheid en gelijkmatigheid van schrijfwyze, meest hebben toegebracht <bijgedragen>.
(pp. † 3v-† 4r)

4.2.2 Werkwijze

De bovenstaande citaten laten zien dat er in de achttiende eeuw grote bewondering bestond voor de methode die Huydecoper heeft gevolgd bij het schrijven van de Proeve. Het vervolg van deze paragraaf is in zijn geheel gewijd aan de door hem gekozen aanpak. Geheel in de geest van Huydecoper zijn in de lopende tekst en in voetnoten ettelijke voorbeelden uit de Proeve aangehaald om het beweerde kracht bij te zetten.

Bij het opstellen van de Proeve heeft Huydecoper zich twee doelen gesteld. Met dit werk wilde hij niet alleen een bijdrage leveren ‘tot opbouwinge van zuivere Taal- en eerelyke Dicht-kunde’57 maar ook ‘tot onderwyzinge der geenen, die noch onderwys noodig hebben’ (1730: 618).58 Voor het schrijven van sommige aantekeningen heeft Huydecoper zich niet alleen bediend van Nederlandse maar ook van anderstalige theoretische geschriften op het terrein van de taal- en dichtkunde, in het bijzonder van Franse en Latijnse. Met het oog op de lezers ‘die noch onderwys noodig hebben’, heeft Huydecoper het letterlijk citeren uit dergelijke werken tot een minimum beperkt. In plaats daarvan heeft hij er soms voor gekozen om de strekking van een betoog in zijn eigen woorden weer te geven. Een enkele maal heeft hij omwille van de begrijpelijkheid anderstalige fragmenten in het Nederlands vertaald:

[p. 76]
om te beter verstaan te worden, zullenwe hem en anderen doen Duitsch spreeken59
(1730: 142)

Zoals gezegd, wilde Huydecoper met zijn Proeve de bestudering van het Nederlands bevorderen. Op diverse plaatsen in dit boek laat hij zich vol lof uit over de Nederlandse taal. Hij prijst in haar vooral ‘de natuurelykheid, onverbeterlyke kracht, en juistgepaste betekenis van de meeste woorden’ (1730: 376). In dit opzicht doet het Nederlands naar zijn mening voor geen enkele andere taal onder.

De uitgebreide kennis die hij van het Latijn bezat, kwam hem bij het uitleggen van specifieke taalkundige problemen in het Nederlands goed van pas. Het overdragen van informatie over het Latijn was voor Huydecoper geen doel op zichzelf maar een middel om het Nederlands op te bouwen:

Maar waartoe zo veel woorden over 't Latyn? hiertoe: om ook deeze onzekerheid, die wy in 't Latyn alom ontmoeten, uit het Duitsch geheel uit te bannen
(1730: 433-434)

Hoewel Huydecoper er niet bewust voor had gekozen om Vondel ‘tot een voorwerp onzer berispingen’ te nemen (zie 3.6), was hij achteraf gezien blij dat zijn taal- en dichtkundig commentaar bij een tekst van de ‘Vader onzer Nederduitsche Poëzije’ (1730: **1r) was geplaatst. Zo er één dichter is die met de uiterste strengheid berispt kan worden, dan is het Vondel, ‘omdatwe onmagtig zijn, ook schoonwe den wil hadden <ook al hadden we de wil>, eenen enkelen straal van die schitterende Zon te verduisteren’ (1730: **1v). Daar komt bij:

Eene fout, ontdekt in het gedrag eens doorluchtigen Persoons, heeft dieper indruk op ons gemoed, dan honderd die ons in den gemeenen hoop worden aangeweezen.
(1730: **1v)

Een uitspraak die naar de mening van Huydecoper eenvoudig van toepassing is op het taalgebruik van gevierde auteurs als Joost van den Vondel, Joannes Antonides van der Goes en Arnold Hoogvliet.60

In de voorrede van de Proeve heeft Huydecoper benadrukt dat hij er geenszins op uit was afbreuk te doen aan de grootheid van Vondel. Bovendien mochten diens vertaalde Herscheppinge niet op één lijn gesteld worden met ander werk van de dichter, aangezien Vondel dit werk voltooid had tegen het eind van zijn lange leven:

hij heeft konnen struikelen; hij heeft konnen vallen; maar de man is noch niet geboren, die hem den prijs der overwinninge uit de vuist zal wringen.61
(1730: **2r)

Het ging Huydecoper erom zijn lezers ervan te overtuigen dat het taalgebruik van Vondel niet vrij was van fouten. Vondels vertaling van Ovidius' Metamorphosen diende daarbij als een soort kapstok waaraan Huydecoper zijn aantekeningen kon ophangen.62 Volgens

[p. 77]

de achttiende-eeuwse taalgeleerde mocht men Vondel niet in alles wat hij had geschreven, klakkeloos navolgen, maar moest men diens geschriften met een kritisch oog bekijken. Dat gold overigens ook voor het werk van andere auteurs:63

Laaten wij dan [...] edelmoediglijk handelen; en ons allen op zulk een' voet stellen, datwe, zonder eenige verrukking van drift <zonder meegesleept te worden door positieve of negatieve gevoelens>, elkanders schriften onderzoeken, prijzen dat prijzenswaardig is; maar ook, met de zelfde vrijmoedigheid, belijden en aantoonen, waar wij, of iemand onzer, moge gemist hebben. Laatenwe elkanderen tegenspreeken, zonder elkanderen te haaten of te lasteren.64 Laatenwe gezaamelijk overweegen, wat Vondel wél, wat hij kwaalijk hebbe: het eerste naarvolgen, het tweede verbeteren.65 Die met zulk een' geest bezield is, zal ook in hem de misslagen, als misslagen, erkennen, zonder hem daarom den naam van Deftig, Bevallig en Onvergelijkelijk, te betwisten [...].
(1730: **2v)

Het was Huydecoper bekend dat het aanwijzen van fouten in het werk van bekende auteurs over het algemeen smalende reacties uitlokte. Omdat deze vaak afkomstig waren van personen die naar zijn mening niet gehinderd werden door enige kennis van zaken, trok Huydecoper zich van hun kritiek weinig aan als hij op die manier ‘den leergierigen’ een dienst kon bewijzen.66 Om ‘misslagen’ uit het Nederlands te bannen sorteerde het signaleren van fouten volgens Huydecoper meer effect dan het voorschrijven van allerhande taalregels:67

Het berispen der voorgangeren is eene onderwyzing der navolgeren:68 en het aantoonen van drie misslagen, kan by veelen meer dienst doen, dan het voorschryven van twalef Regelen of Wetten. 't Is daarenboven eene zekere waarheid, dat, alleen te zeggen wat goed zy, ons maar half doet kennen wat kwaad is.
(1730: 398)
[p. 78]

Voor Huydecoper stond taalverandering gelijk aan taalverbastering (zie 4.3.4). Dat proces probeerde hij door middel van het opstellen van regels en voorschriften een halt toe te roepen. Hij was ervan overtuigd dat het Nederlands anders niet tot volmaaktheid zou kunnen komen maar - opnieuw - in verval zou raken.69 Doet het verval zijn intrede in het Nederlands, dan gaat het snel bergafwaarts met deze taal, zoals we kunnen opmaken uit het volgende citaat:

de eene verwarring heeft hier [t.w. vervoeging van heeten, RdB], naar gewoonte, de andere gebaard.
(1730: 137)

Huydecoper was evenals Verwer van mening dat met betrekking tot het Nederlands regelmaat of analogie beschouwd diende te worden als de oorspronkelijke toestand. In zijn ogen waren onregelmatigheden van later datum en waren zij verbasteringen van de natuurlijke aard van de Nederlandse taal (vgl. Gerretzen 1940: 275). Daarom is volgens Huydecoper ‘de regelmaatigheid altyd voor de onregelmaatigheid te verkiezen’ (1730: 231).70

Om een goed gefundeerde uitspraak over een taalkundig onderwerp te kunnen doen achtte Huydecoper het noodzakelijk verschillende voorbeelden met elkaar te vergelijken, zodat hij op de analogie kon wijzen:

Byzondere <afzonderlijke> uitgangen hebben byzonderen nadruk: en der zelver kracht is niet veilig naar te spooren in een enkel woord, maar in een menigte van woorden, die een' zelfden uitgang hebben.71 want dat duister is in één, wordt opgehelderd door de overeenkomst van veel andren.
(1730: 571)

Bij het kritiseren van Vondel en andere auteurs nam Huydecoper geen blad voor de mond. Toonde taalkundig onderzoek aan dat iets de toets der kritiek niet kon doorstaan, dan werd dit door hem afgekeurd, ook al had hij er zich in zijn vroegere werk zelf ook van bediend:

Het dwaalen is menschelyk: maar die alleen zoekt naar 't geen recht en waar is, moet zyne eigen dwaalingen zowel erkennen als die van anderen72
(1730: 558)
[p. 79]

Door in de Proeve kritiek te leveren op het taalgebruik van Vondel - en op dat van andere schrijvers - werd Huydecoper door tijdgenoten verschillende malen vergeleken met de filoloog Aristarchus (ca. 217 - 145 v.C.).73 Zo wordt in de Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der geleerde Werelt van maart 1732 over Huydecoper gesproken als ‘den Nederduitschen Aristarchus’ (p. 321). En in de door Lucas Pater geschreven rijmbrief die voorafgaat aan het exemplaar van Huydecopers Proeve dat het Amsterdamse kunstgenootschap Diligentiae omnia (‘Alles met naarstigheid’) in 1770 schonk aan ‘Mejuffrouw Aagje Deken’,74 staat te lezen dat Huydecoper ‘als de Aristarch van 't Y, Door wyze proeven leert het goed' van 't kwaad' te schiften’.75

Met het louter aanwijzen van onvolkomenheden in het werk van dichters en prozaschrijvers stelde Huydecoper zich niet tevreden. Hij wilde zijn lezers namelijk niet alleen laten zien wat er fout was maar ook uiteenzetten waaróm hij bepaalde zaken afkeurde:

en, ons niet genoegende met te zeggen wat kwaad is, zullen wy den jongen Dichter, zo 't ons eenigszins mogelyk is, vaste gronden, en zekere <vaste> regelen aan de hand geeven, waaraan hy den Trant zyner vaarzen zal konnen toetsen; [...].
(1730: 175)

Huydecoper was de mening toegedaan dat alles wat afweek van de notie die men over een bepaald onderwerp had ontwikkeld, niet op voorhand diende te worden verworpen:

ten minste moetmen niet alles veroordeelen, wat met onze gedachten niet aanstonds overeen komt.76
(1730: 99)

Daarnaast stelde hij zich op het standpunt dat men inzake taalkundige kwesties geen blind vertrouwen mocht stellen in de informatie die werd geboden in taalkundige geschriften als die van Moonen en Nylöe, ‘die wy gelooven thans in yders handen te zyn, en van de meesten op hun woord geloofd te worden’ (1730: 426). Huydecoper vond dat men een probleem zelf diende te onderzoeken en dat men zich niet moest verlaten op autoriteiten. Ook zij konden zich immers vergissen.77 Deze kritisiche, empirische houding spreekt duidelijk uit het onderstaande citaat:

[p. 80]
waaropwe echter niet sterk zouden aandringen, indienwe dit, door onderzoek, niet bevonden hadden zo te zyn.
(1730: 320)

Aan uitspraken over taal- en dichtkunde werd door Huydecoper alleen belang gehecht wanneer ze het resultaat waren van stevig gefundeerd onderzoek,78 waarbij bewust gezocht moest worden naar een verklaring voor een verschijnsel. Uitspraken die voor de vuist weg werden gedaan, konden zijn goedkeuring niet wegdragen:

dat zy [t.w. de poëten uit Plato's Verdediging van Socrates, RdB] zeiden te weeten waaren meerendeels meeningen, gebouwd op zeer losse en valsche gronden; en zelfs van 't geen zy wysselyk <op een wijze die getuigt van inzicht en oordeelsvermogen> geschreeven hadden, wisten zy mondeling geene reden te geeven. doch de kennis der oorzaaken is de bron der Wysheid; en zy, deeze missende, konden derhalve niet gezeid worden wyzer dan anderen te zyn.
(1730: 27)

Bestond er tussen twee auteurs verschil van opvatting over een onderwerp, dan moest men zich volgens Huydecoper boven de strijdende partijen stellen en als onafhankelijke derde de waarde van de aangevoerde argumenten bepalen:

Laaten wy, Leezer, als onpartydigen, oordeelen, en denken, gelykmen zegt, daar 'er twee kyven hebbenze beide schuld.
(1730: 433)

Globaal genomen is het merendeel van de aantekeningen in de Proeve volgens hetzelfde patroon opgebouwd. Nadat Huydecoper vermeld heeft naar aanleiding van welke versregel uit Vondels vertaalde Herscheppinge hij de betreffende aantekening heeft geschreven, heeft hij bij die woorden zijn eigen op- en aanmerkingen geplaatst. Daarbij heeft hij soms ook gewag gemaakt van overeenkomstige dan wel afwijkende opvattingen van anderen. Dit ‘theoretische’ gedeelte wordt altijd gevolgd door voorbeelden uit de ‘praktijk’. Taalregels en -adviezen bezitten volgens Huydecoper namelijk uitsluitend geldingskracht als ze steun vinden in het taalgebruik ‘van voornaame Schrijveren’, over wie aanstonds meer. De wijze waarop Huydecoper in de Proeve gewoon was zijn commentaar te presenteren, heeft hij in het volgende fragment expliciet onder woorden gebracht:

Myne gedachten opengeleid, en met redenen beweerd, schiet 'er over, datwe die noch, volgens onze gewoonte, met nieuwe en oude voorbeelden bekrachtigen en styven.79
(1730: 33)

Uit dit citaat komt naar voren dat Huydecoper opmerkelijkheden in een taal niet alleen waarnam, maar deze met elkaar vergeleek en toetste aan de rede en het gebruik.80

In een ruim vier pagina's tellende aantekening bij vers 695 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge heeft Huydecoper een regel gegeven voor het verdubbelen van klinkers en medeklinkers, waarmee hij zichtbaar ingenomen was. De regel vond namelijk ondersteuning in de spelling van verschillende door Huydecoper geraadpleegde woordenboeken. Daaruit bleek volgens hem duidelijk

dat hy [t.w. de regel, RdB] zo zeer niet is eene uitvinding van wat nieuws, als wel eene ontdekking van iets dat oud en goed, doch nu lang verborgen geweest is.81
(1730: 65)
[p. 81]

Dit citaat toont dat Huydecoper er waarde aan hechtte regels uit het taalgebruik te ontdekken en deze niet zelf te bedenken. Met andere woorden, hij toonde zich een voorstander van een inductieve werkwijze.Naar zijn mening mocht een spraakkunst niet louter bestaan uit een opsomming van regels die een gebruiker leren hoe hij zich in het Nederlands dient uit te drukken. Een grammaticus moest volgens Huydecoper laten weten waarop zijn taalvoorschriften en -adviezen waren gebaseerd:

Indien deeze Schryvers [t.w. Hooft en Sewel, RdB] zo goed geweest waaren van ons Reden te geeven van dit zeggen, wy zouden den aangeweezen misslag zekerlyk niet begaan hebben.82 deeze Reden, diemen vooral van een' Spraakkunstschryver hadt mogen vorderen, zullen wy hier aantoonen, opdat andere aankomelingen met my niet dwaalen, of myne dwaalingen niet naarvolgen.83
(1730: 558)

Op dit punt was Huydecoper dezelfde mening toegedaan als Ten Kate. Deze had namelijk in zijn Aenleiding met betrekking tot de door hem gevolgde werkwijze in het beschaven van het Nederlands opgemerkt dat hij had ‘betragt onze Taelwetten te vinden, en niet te maken, zoekende middelerwijle ook na hare Oorzaek en Redelijkheid’ (1723, I: 14).84

Om de juistheid van een taalregel te bewijzen heeft Huydecoper zich laten leiden door twee criteria: het gebruik en de rede. Ten aanzien van deze normen heeft Klifman (1983: 20) opgemerkt dat de rede of ratio een ‘brugfunctie’ vervult tussen het taalgebruik aan de ene en de taalregels aan de andere kant: ‘voorzover het gebruik “redelijk” is, kan het door de rede in een taalregel vastgelegd en zo geordend worden’.

Komen de voorbeelden uit het geschreven taalgebruik overeen met de eisen die de rede aan de taal stelt, dan behoeft er volgens Huydecoper niet te worden getwijfeld aan de juistheid van een taalregel:

Dewyl dan de voorbeelden bevestigen 't geen de reden leert, te weeten, datmen moet schryven op en in Den loop, zouden wy ons dwaasselyk vergaapen aan de mistastingen van niet onfeilbaare Meesters; of aan den styl van 't gemeene volk, 't welk doorgaans het ongeluk heeft recht anders te spreeken dan behoort; ja dikwils de beest speelt zonder naar voorbeelden of redenen eenigszins te luisteren.85
(1730: 296)

Wanneer er sprake is van een discrepantie tussen het gebruik enerzijds en de rede anderzijds, dan heeft Huydecoper opvallend genoeg de voorkeur gegeven aan de ratio:

Vraagt gy, of het geenmen overal en by alle Schryveren vindt, niet goed is? zo vraag ik u weder, hoewel ik voorlang van Horatius geleerd heb, dat vraagen met vraagen te beantwoorden geen geschil eindigt; evenwel, zeg ik, vraag ik u; of gy, 't geen de Reden zelve zegt goed te zyn, niet beter
[p. 82]
oordeelt, dan 't geen alleen door 't Gebruik wordt goed genoemd?86 Dien dit niet voldoet, die kan uit het Tafereel van Cebes leeren, dat het beter is, met weinigen, ja alleen in het licht te staan; dan met duizenden van anderen in de duisternis te zitten steroogen <staren> op twyffelachtige en dubbelzinnige voorwerpen.87
(1730: 428)

Een vergelijkbaar geluid viel eerder te horen in een aantekening waarin de vervoeging van de werkwoorden klieven, kluiven en klooven onderwerp van behandeling was:

zeker, indien alles goed Duitsch is, watmen met voorbeelden kan bevestigen, zo is 'er geen verwarder taal, dan de Duitsche, tegenwoordig bekend.88 Ondertusschen is in dit alles, wanneermen op de Regelen acht geeft, niet de minste verwarring of onzekerheid.
(1730: 344)

Hierboven is er reeds op gewezen dat Huydecoper het van wezenlijk belang achtte dat de door hem gedane uitspraken door middel van voorbeelden werden bekrachtigd:89

Voorts zullen wij u, omtrent onze behandeling in 't gemeen, dit eenige mededeelen. Schoon wij eertijds van andere gedachten geweest zijn, wij zijn echter door de ondervinding eindelijk geleerd, dat niet alleen de doode taalen, als de Grieksche en Latijnsche, maar ook de leevenden, gelijk onze Nederduitsche, noodig hebben met voorbeelden van voornaame Schrijveren, 't zij Nieuwen of Ouden,90 opgehelderd te worden.91
(1730: *4v)

Wanneer een uitspraak door een groot aantal voorbeelden uit het werk van ‘voornaame schrijveren’, van ‘Dichters van Naame’ (1730: 252), van auteurs die ‘onder de besten mogen geteld worden’ (1730: 380), kon worden bevestigd, diende er naar de mening van Huydecoper niet te worden getwijfeld aan de juistheid ervan. Zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de voorbeelden speelden daarbij een rol:

Zie hier dan een werreld van getuigen [...] en oordeel dan, of ‘er aan 't getal,92 of aan het gezag
[p. 83]
der Schryveren93 iets ontbreeke.
(1730: 71)

Zojuist hebben we gezien dat Huydecoper tot de ‘voornaame Schrijveren’ zowel ‘Nieuwen’ als ‘Ouden’ rekent. Met de voorbeelden uit het werk van ‘Nieuwe’ auteurs streefde hij een ander doel na dan met die uit de geschriften van ‘Oude’ auteurs. Over de eerste groep heeft hij in de voorrede tot de Proeve het volgende opgemerkt:

De Voorbeelden der Nieuwen dienen voornaamelijk om een onderscheid te maaken tusschen die woorden en spreekwijzen, de welken onze beste Schrijvers met oordeel verkooren en gebezigd hebben; en die, de welken alleen van den slechtsten hoop gebruikt, van de beschaafdsten gemijd worden.
(1730: *4v)

De vraag werpt zich op welke ‘Nieuwe’ schrijvers Huydecoper tot de beschaafdsten rekende. Het is mogelijk ons van deze categorie een beeld te vormen op basis van gegevens uit de Proeve. Huydecoper heeft zich in dit boek namelijk her en der in waarderende bewoordingen uitgelaten over de (voornamelijk literaire) kwaliteiten van bepaalde schrijvers. Auteurs die volgens hem behoren tot deelverzamelingen als ‘onze beste Dichters’ (1730: 300), ‘nette Schryvers’ (1730: 35) en ‘zeer voornaame Dichteren’ (1730: 147), zijn:94 Reinier Anslo, Johannes Antonides van der Goes, Laurens Bake, Pieter Boddaert, Johannes van Braam, Gerardt Brandt, Gerbrand Adriaensz. Brederode, C. Breemer, Gezine Brit, Joan van Broekhuizen, Jacob vander Burg, Pieter le Clercq, Jeremias de Decker, Heiman Dullaert, Sybrand Feitema, Joan de Haas, Daniel Heinsius, Pieter Cornelisz Hooft, David van Hoogstraten, Frans van Hoogstraten, Arnold Hoogvliet, Constantin Huygens, Daniel Jonktijs, Dirk Rafaëls Kamphuizen, P.C. Ketel, Everhard Kraeyvanger, Katrijne Lescailje, Gerard van Loon, Laevinus de Meyere, Arnold Moonen, Anna Morian, Daniel Mostaert, Joachim Oudaen, Joan Pluimer, Hubert Korneliszoon Poot, David de Potter, Catharine Questiers, Jacobus Revius,95 Pieter de la Ruë, Hendrik Schim, Jan Six van Chandelier, H.L. Spiegel, Jacob Storm, Pieter Verhoek, Roemer Visscher, Bernhard Vollenhove, Johannes Vollenhove, Vondel, Jan Vos, Jan Bapt. Wellekens, Jacob van Westerbaen, Jacob Zeeus en Philip Zweerts.

Bij het opsporen van met oordeel gekozen woorden en uitdrukkingen in het werk van deze ‘voornaame Schrijveren’ heeft Huydecoper bevonden dat daarin niettemin genoeg voorbeelden van ‘het slechte en verachtelijke’ zijn aan te wijzen:96

Om nu ook in deeze laatsten het goede van het kwaade te onderscheiden, en op eene overtuigende wijze voor te stellen, zijn de Voorbeelden der Ouden97 ten alleruitersten noodzaakelijk. Zelfs de eenvoudigheid van hunnen stijl pleit voor hun: en schoon wij al toestaan <toegeven>, dat de meeste sierelijkheid der Taale te vinden zij bij de Nieuwen; wij beweeren echter, als eene onwederspreekelijke waarheid, dat de zuiverste gronden, moeten gezocht worden bij de Ouden. Hoe
[p. 84]
nader aan den oorsprong, hoe verder van het bederf.98
(1730: **1r)

In de Aenleiding van Ten Kate treffen we een passage van gelijke strekking aan:

Uit deze genoegsame proeven [t.w. de rijmkroniek van Melis Stoke en de Delftse bijbel uit 1477, RdB], zoo men die wel inziet, kan men bevinden dat de grond van onze Tael, wat het Generale Grammaticael belangt, van dien tijd tot op heden dezelfde is; hoewel de Stijl van schrijven, zo verre die den cierlijken opschik betreft, thans een vrij meer vloeijende, veranderlijke, en bevallige plooi heeft aengenomen: Sedert een eeuw herwaerts, toen de geleerdheid <wetenschap> in Holland haer vermaek vond <werd beoefend>, begon deze cierlijke Schrijftrant zijne wortels te schieten.
(1723, I: 58)

De gelijkenis is treffend. Het vermoeden lijkt me dan ook gerechtvaardigd dat Huydecoper zijn stelling over de zuiverheid van de Ouden en de sierlijkheid van de Nieuwen heeft ontleend aan Ten Kate.

Wanneer Huydecoper ontdekte dat er tussen de ‘Nieuwen’ - auteurs die werkten na 1561 - over een bepaalde taalkundige kwestie geen overeenstemming bleek te bestaan, is hij nagegaan hoe het taalgebruik van de ‘Ouden’ op dit punt was.99 Anders gezegd, het achttiende-eeuwse Nederlands werd door Huydecoper in dergelijke gevallen getoetst aan het - wat wij tegenwoordig noemen - Middelnederlands.

Hoewel Huydecoper veel belang hechtte aan het taalgebruik van de Ouden was hun gezag niet onaantastbaar. Een enkele keer heeft hij de voorbeelden uit hun geschriften genegeerd en heeft hij naar eigen goeddunken gehandeld:

Niettegenstaande alle deeze, en meer andere voorbeelden, te vinden by zulke Schryvers, op welker gronden wy anders gewoon zyn te bouwen,100 oordeelen wy, dat Beleide, Beleid, gansch niet, maar BELAG, BELEGEN, alleen en volkomen goed zy.101
(1730: 370)
[p. 85]

Op tal van plaatsen in de Proeve heeft Huydecoper expliciet te kennen gegeven dat voorbeelden uit geschriften van zowel Nieuwe als Oude schrijvers aantonen wat in het Nederlands gebruikelijk is of was.102

Om ruimte te besparen heeft Huydecoper een enkele keer besloten zijn uitspraken niet te bekrachtigen met het citeren van verzen dan wel prozafragmenten:

Het uitschryven hunner woorden gaa ik voorby, om plaats te winnen; doch ik noem de Schryvers, om zowel te zeggen, wat voor is, als tegen.103
(1730: 250)

Huydecoper geeft te kennen dat hij in de geschriften die hij heeft onderzocht geen voorbeelden heeft aangetroffen die in strijd zijn met door hem gedane beweringen. En als hij deze had aangetroffen, dan zou hij die nooit bewust hebben achtergehouden:

wy verklaaren, dat wy, in het aanhaalen der voorbeelden, altyd met eene onberispelyke oprechtheid getracht hebben, te werk te gaan. en vindt de Leezer by eenen der Ouden iets, tegen ons strydende en echter van ons niet gemeld, hy zy verzekerd, dat wy het of niet geleezen, of over 't hoofd gezien hebben.104
(1730: 630)

Van elk citaat dat in de Proeve is opgenomen, heeft Huydecoper nauwkeurig de vindplaats opgegeven. Hij heeft zich daarbij niet beperkt tot het vermelden van de naam van de auteur en de titel van het boek waaruit het citaat afkomstig is, maar ook bladzijde, boek, vers, bedrijf, scene, blad, kolom en regel genoemd waar de betreffende passage te vinden is. Hierdoor is het gemakkelijk een aanhaling op te zoeken in het origineel, zoals Huydecoper in het volgende fragment expliciet onder woorden heeft gebracht:

ik zal hier mede eenige voorbeelden, met aanwyzinge van blad, colom en regel, op dat zy te lichter konnen naargezocht worden, byvoegen
(1730: 35)

Door de exacte vindplaats van een citaat aan te duiden hoopte Huydecoper te bewerkstelligen dat de lezers van de Proeve het fragment erop zouden naslaan in de opgegeven bron en zelf een oordeel zouden vormen over een bepaald gebruik:

[p. 86]
doch ik hebze mynen Leezer willen aantoonen, opdat hy, zo hy dit zyn aandacht waardig houde, die plaatsen kan naarzien, en dan zelf oordeelen, wat uitwerking zy daar hebben, en of hem dunkt datze te volgen of te myden zyn.
(1730: 160)

Bij het citeren van schrijvers heeft Huydecoper zich zoveel mogelijk gebaseerd op originele bronnen. Heeft hij woorden aangehaald uit de tweede hand, dan heeft hij dat uitdrukkelijk vermeld.105 Hij was namelijk naar eigen zeggen gewoon

of de Schryvers zelfs naar te zien,106 of aan te wyzen, waar ik hunne woorden gevonden heb.107
(1730: 634)

Aan het weergeven van tekst uit werk van anderen heeft Huydecoper twee nauw met elkaar verweven eisen gesteld: citaten dienen ten eerste correct en ten tweede volledig te zijn. Als voorbeeld van een boek dat niet voldeed aan de eerste voorwaarde, heeft Huydecoper de geslachtlijst van Van Hoogstraten genoemd. Voor een herdruk van dat boek deed Huydecoper daarom de suggestie ‘datmen de plaatsen, met veel moeite en aanhoudenden yver door dien werkzaamen Man verzaameld, eens tegen de Schryvers zelfs naarzag; en de zulken, die wat schielyk en gebrekkelyk uitgeschreeven zyn, in die orde herstelde, waarinze by hunne maakers voorkomen’ (1730: 233). Huydecoper wilde daarnaast dat citaten volledig waren, omdat het onvolledig citeren ertoe zou kunnen leiden dat men tot verkeerde gevolgtrekkingen kwam.108 Dit heeft Huydecoper geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld uit Vossius' De arte grammatica. Sallustius schreef ‘volgens de aanhaaling van Vossius’ neque in priore pugna adfuerant, waarbij Huydecoper heeft aangetekend ‘dat zy, by den schryver zelf, volleediger voorkomen, aldus, neque in priore pugna, in itinere Morati, adfuerant’ (1730: 387-388). Dat Huydecoper de door Vossius aangehaalde woorden heeft vergeleken met het origineel, toont overigens duidelijk aan hoe belangrijk het voor hem was om terug te keren ‘ad fontes’.

[p. 87]

Een enkele maal heeft Huydecoper uitdrukkelijk kenbaar gemaakt langs welke weg hij tot een bepaalde uitspraak is gekomen en waarom hij dat geëxpliciteerd heeft:

Mogelyk vraagt nu iemand; Waarom niet regelrecht tot deeze Afleiding gekomen? die omweg, Leezer, langs den welken wy u geleid hebben, is de zelfde, waarlangs wy tot de waarheid gekomen zyn.
(1730: 328)

Met andere woorden, voor Huydecoper telde niet uitsluitend de uitkomst van een onderzoek, het proces dat daartoe had geleid vond hij minstens zo belangrijk.

Huydecoper heeft er in diverse aantekeningen van de Proeve op gewezen dat het geenszins zijn bedoeling was zijn mening aan anderen op te dringen: ‘elk hebbe zyn oordeel vry’ (1730: 218). Het was hem er voornamelijk om te doen zijn eigen ideeën uiteen te zetten109 en die aannemelijk te maken door ze met voorbeelden uit het taalgebruik te ‘bewijzen’ of te ‘bevestigen’. Op basis daarvan kon een lezer zelf besluiten Huydecopers opvattingen over te nemen of te verwerpen:

Wy zullen besluiten, en laaten elk hiervan oordeelen, zo 't hem behaagt.110
(1730: 252)

Huydecoper is er niet altijd in geslaagd een duidelijke regel te formuleren waar onzekere taalgebruikers zich aan konden houden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer er naast elkaar twee vormen bestaan die geen van beide onjuist zijn:

Wy zullen van alles den Leezer eenige staaltjes voorhouden, en laaten hem 't gebruik vry: want wy gelooven dat het beide [t.w. lachte/loeg & gelacht/gelachen] goed is.
(1730: 166)

We hebben hierboven gezien dat Huydecoper zijn uitspraken schraagt met feiten. Heeft hij onvoldoende materiaal tot zijn beschikking om over een taal- dan wel dichtkundige kwestie iets zinnigs te zeggen, dan laat hij dat achterwege. De lezer zal in een voorkomend geval moeten afgaan op zijn eigen oordeel:

Daar is iets in [t.w. het onderscheid razery/razerny, slaavery/slaaverny] dat my toelacht, doch ik kan het met geen bewyzen staaven, en laat het dus aan 't oordeel van bescheidene <oordeelkundige>, en zich des verstaande Leezeren <lezers die op dit gebied thuis zijn>.111
(1730: 104)

4.2.3 Helderheid en eenvoud

Bij het schrijven van de Proeve heeft Huydecoper er voortdurend naar gestreefd zijn standpunten zo helder mogelijk weer te geven (perspicuitas of claritas),112 zodat die niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn:

[p. 88]
Alle Leezers zyn geen Bescheiden <oordeelkundige> Leezers; maar die Schryver is eerst voorzigtig, die ook den Onbescheidenen alle handvatsels van verdraayingen, door de zuiverheid van zyn’ styl, weet te ontwringen: een geheim, 't welk ik voor my zelven lang gezocht, maar noch niet gevonden heb.
(1730: 378)

Door zijn ideeën eenvoudig voor te stellen, heeft Huydecoper pogen te bewerkstelligen dat de tekst van de Proeve aan duidelijkheid niets te wensen overlaat:

Wy willen gaarne met weinig moeite verstaan worden, en zullen dierhalve den eenvoudigsten weg inslaan [...].113
(1730: 146)

Hoewel Huydecoper het van groot belang achtte om voorbeelden te geven om regels te ondersteunen, heeft hij ervoor gekozen deze achterwege te laten als ze nadelig zijn voor een goed begrip van de tekst:

't welk wy hier, om den draad der redeneeringe niet in 't war te helpen, met geene voorbeelden, schoon overvloedig voor handen, aantoonen zullen114
(1730: 64)

Een helder betoog wordt ook verkregen door verschillende aspecten van een probleem afzonderlijk te belichten:

Wy zullen van ieder afzonderlyk spreeken, en zeggen 'er zo veel van, als ons schynt noodzaakelyk te zyn, om onze gedachten in dit stuk klaar en vatbaar te maaken.115
(1730: 180-181)

Huydecoper heeft zijn best gedaan zo helder mogelijk te schrijven. Om het gestelde beter te doen uitkomen heeft hij daarnaast goed de mogelijkheden benut die de typografie hem bood. Zo worden citaten cursief weergegeven en de woorden waar het Huydecoper om gaat daarbinnen in klein kapitaal of in romein.

4.2.4 Samenvatting

Huydecoper beoogde met de publicatie van de Proeve onder andere een bijdrage te leveren aan de opbouw van de moedertaal. Voor dat doel leek hem het aanwijzen van fouten in het taalgebruik van belangrijke auteurs meer effect te sorteren dan het geven van taalregels. Daarom heeft hij ervoor gekozen om taalfouten aan te duiden die voorkomen in Vondels vertaling van Ovidius' Metamorphosen. Hij vond namelijk dat men het werk van Vondel en van andere auteurs kritisch moest lezen en het niet klakkeloos mocht navolgen.

Huydecoper wilde niet volstaan met het uitsluitend aanwijzen van onvolkomenheden in het werk van dichters en prozaschrijvers, hij wilde ook duidelijk maken waaróm hij iets afkeurde. Daarbij verliet hij zich niet op de informatie die te vinden was in taalkundige geschriften als die van Moonen, Sewel en Nylöe. Hij was de mening toegedaan dat men een probleem zelf moest onderzoeken en niet mocht afgaan op wat ‘autoriteiten’ als Moonen en Sewel daarover hadden geschreven.

[p. 89]

Taalregels mochten niet willekeurig worden opgesteld, maar moesten opgemaakt worden uit het taalgebruik van ‘voornaame Schrijveren’. Om een regel goed te kunnen onderbouwen, was het volgens Huydecoper noodzakelijk verschillende voorbeelden met elkaar te vergelijken en deze te toetsen aan de rede. Komen de voorbeelden overeen met de eisen die de rede aan een taal stelt, dan hoeft er volgens hem niet te worden getwijfeld aan de juistheid van een taalregel. Bestaat er tussen het gebruik en de rede wèl een discrepantie, dan heeft Huydecoper de rede boven het gebruik gezag gegeven.

De voorbeelden waarvan zojuist sprake was, konden zowel afkomstig zijn uit het taalgebruik van de Nieuwen als uit dat van de Ouden. Aan de voorbeelden uit het werk van de Ouden - middeleeuwse auteurs - hechtte Huydecoper de meeste waarde, omdat het door hen geschreven Nederlands nog in een zuivere staat verkeerde; aan het eind van de zestiende eeuw raakte het Nederlands in verval als gevolg van de komst van de Spanjaarden naar de Nederlanden. Sommige Nieuwen hebben weliswaar enkele misbruiken die toen hun intrede in het Nederlands hebben gedaan, verwijderd, maar hun taal kan wat zuiverheid betreft niet op één lijn worden gesteld met de taal van de Ouden.

Bij het citeren van voorbeelden, die volgens Huydecoper zowel correct als volledig moesten zijn, ging hij altijd terug naar de bron. Citeerde hij uit tweede hand, dan gaf hij dat altijd zorgvuldig aan. Door nauwgezet het pagina- en/of versnummer te vermelden van het boek waaruit een citaat afkomstig waren, wilde Huydecoper bewerkstelligen dat lezers van de Proeve de opgegeven plaatsen zelf zouden naslaan om zich over een bepaald gebruik een oordeel te vellen.

Huydecoper vertrouwde niet op het gezag van anderen, maar wilde een bepaalde kwestie altijd zelf onderzoeken. Hij ging daarbij uit van een groot aantal voorbeelden waaruit hij algemene regels formuleerde. Zijn werkwijze kunnen we derhalve bestempelen als empirisch en inductief.

57De Man (1992: 106) wijst erop dat de nadruk op een zuiver en correct taalgebruik zijn oorsprong vindt in de klassieke retorica en na de inspanningen van Coornhert, Spiegel en Hooft steeds een onderdeel is gebleven in de literaire kritiek.
58Vgl. 1730: 398: ‘myn oogwit [...], dat is, den leergierigen dienst doen’. Daan (1992: 153) beweert dat Ten Kates Aenleiding voor het onderwijzen van ongeoefende schrijvers van meer belang was dan Huydecopers Proeve. Met die stelling ben ik het niet eens. In brieven uit het eind van de achttiende eeuw komen we namelijk herhaalde malen oproepen tegen om juist van Ten Kates Aenleiding een vereenvoudigde en handzame versie te vervaardigen. Dat wijst op een grote waardering voor, maar ook op de moeilijkheidsgraad van de tekst.
59Vgl. 1730: 387 waar Huydecoper een passage uit Vossius' De arte grammatica in het Nederlands heeft vertaald.
60Vgl. 1730: 147-148: ‘Van deeze Vyfde Snydinge, kwaalyk geplaatst, zullenwe hier twee voorbeelden byvoegen, om het begrip te gemoet te komen; en dat wel uit de werken van twee zeer voornaame Dichteren [t.w. Antonides en Hoogvliet, RdB], opdat daaruit de noodzaakelykheid deezer Aanmerkinge te lichter blyke’.
61Vgl. 1730: 61: ‘ik weiger geenszins 't gezag van Vondel te erkennen: maar ik beken niet dat het in alle zyne werken even groot is’; 1730: 105: ‘In een werk, dat zo weinig beschaafd, en zo groot is, als dit, is 't niet te verwonderen, datmen ook wel eens hen voor hun, en hun voor hen leest’; 1730: 106: ‘en dat zal bevestigen dat ik meermaalen gezeid heb, t.w. dat de fouten in dit werk alleen uit onachtsaamheid gesprooten zyn’; 1730: 476: ‘[e]en onwederspreekelyk merk van de onachtsaamheid, waarmede deeze vertaaling berymd is’. Vgl. Pels 1677: ‘En 't moeit me in 't hart, als Hoofd, óf Vondel somtyds missen; Dóch in een groot wérk mag men zich wél ééns vergissen’ (geciteerd naar Schenkeveld-van der Dussen 1973: 99).
62Vgl. 1730: 564: ‘Ondertusschen moet de Leezer weeten, datwe dit geenszins geschreeven hebben, om deeze plaats te berispen’ maar ‘om by deeze gelegenheid iets te zeggen, 't welk ons bekwaam scheen, van een algemeen gebruik, en in honderd andere gevallen nut te konnen zyn’.
63Ook Ten Kate (1723, I: ***3r) plaatste zich op dit standpunt: ‘dog, in 't Onderzoek van Waerheid past geen aenziening van Personen, nogte verblinde eigen-liefde tot zijnen Medeburger’. Vgl. Pels 1677: vv. 874-884: ‘Neemt myn' vrymoedigheid, ô groote Létterhélden, Myn, bid ik, gunstig af, dat ik in dit geval Myn' meening rondlyk uitte. Een ieder kan 't niet al. Want overal, uit zucht, der bésten wérk te pryzen, En geen' gebréken, schoon ze'er schuilen, aan te wyzen, Vermeêrt hun lóf sléchts by de zótten, én bedérft. De kunst in korten, dat ze alléngskens kwynt, én stérft. Dewyl de vólgers, meest een slaafsch gebroed van aapen, Niet létten op de grond der kunst; maar zich vergaapen Aan 's meesters voorbeeld, goed én kwaad gelyk ontzag Toedraagende, éven óf de kunst in vólgen lag’. Zie voor de waardering die Huydecoper had voor Pels' Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, Op onze tyden, én zéden gepast, Schenkeveld-van der Dussen 1973: 44-45 en Van Schaik 1962: 151.
64Vgl. Huydecoper 1720a: A5r: ‘Ook heb ik my noit misnoegd getoond tegen iemand, die my beleefdelyk myne misslagen aantoonde; in tegendeel is dit iets, dat ik voornaamelyk zoek, om 'er naderhand myn voordeel uit te trekken’. Vgl. Huydecoper 1772a: [1]: ‘'t Is buiten twijffel, datmen, op die wyze malkanderen tegenspreekende, op den rechten weg is, om ter kennisse van waarheid en wetenschap te komen. Want dikwils struikelende, hebben wy ook dikwils onderrechtinge noodig’.
65Vgl. 1730: 214: ‘het aantoonen van zulke misslagen in onzen Dichter [is] te noodzaakelyker, omdat zyn voorbeeld ook anderen doet dwaalen’. Vgl. Moonen die in een brief van 30 december 1704 aan Vollenhove Vondel aanduidt als ‘onzen hooghbejaerden hooftpoeëet; uit wien door Uwe Eerw. onderwijs iet te verbeteren mij altijt welgevalt’. Met dank aan prof.dr. G.R.W. Dibbets, die mij op deze brief attendeerde.
66Vgl. Huydecoper 1726: 6*1v: ‘Berispingen van onkundige menschen, zyn zaaken, die ik noch hoop, noch vrees. want gelyk de lof uit den mond der zotten my niet verheugt, zo zal de bestraffing van de lippen der dwaazen my niet bedroeven’.
67Vgl. 1730: 235: ‘Ik heb dit niet stilzwygende konnen voorbygaan, opdat anderen daardoor geleerd mogen worden, diergelyke misslagen naauwkeuriger te myden’. Vgl. 1730: 87-88: ‘en ik acht dat 'er de taale, en haare minnaars ten hoogste aan gelegen zy, datmen zulke misslagen in zulke Schryvers ontdekke, en den leerling daaromtrent waarschouwe’. Vgl. 1730: 380: ‘Doch men kan aanmerken, dat 'er niets zo kwaad is, of 't kan ergens goed toe zyn; al was 't alleen tot uitwerking van een nieuw kwaad’.
68Vgl. Tael- en Dicht-kundige bydragen. Eerste deel (1760), p. 386: ‘Zachtzinnige en zedige berisping of verbetering is de baermoeder van taalbou’.
69Vgl. de brief van Huydecoper aan Van der Schelling d.d. 10 april 1731 (RAU, inv. 67, inv.nr. 175), waarin Huydecoper ten langen leste uitgebreid reageert op enkele ‘Vrymoedige Twyfelingen, en Bedenkingen over eenige plaatsen der Proeve van Taal- en Dichtkunde, enz.’ die Pieter van der Schelling hem in een brief uit februari 1730 had voorgelegd (RAU, inv. 67, inv.nr. 195): ‘alle taalen zyn eer gesproken en geschreeven, dan gebragt tot vaste regelen. zolangmen geene vaste regelen heeft, is 't natuurlyk dat elk in 't schryven de wyze zyner uitspraake volge; en dat men verscheidelyk schryve, naar maate datmen verscheidelyk, volgens de byzondere dialecten, spreekt. daarenboven moeten noodzaakelyk de taalen, gelyk alle andere konsten, veele veranderingen ondergaan, eer zy ten top der volmaaktheid komen; dat is eermen vaste gronden en regelen in de zelven kan vinden en bepaalen’.
70Vgl. 1730: 543: ‘Wy, die ons nergens aan een onregelmaatig Gebruik vasthouden’. Ten Kate (1723, I: 13) zag het beschaven van een taal als een consequent ‘vermijden van Ongeregeltheden’ in de mate van het mogelijke. Volgens De Buck (1952: 28) was de oorspronkelijke analogie in de taal naar de opvatting van deze grammatici een product van de menselijke rede, die zij met behulp van de dan opkomende empiristische methode wilden opsporen en reconstrueren.
71Vgl. 1730: 344: ‘Merk op de bovenstaande voorbeelden [...] en 't zal blyken, dat zy alle drie op de bovengemelde wyze moeten onderscheiden worden’.
72Vgl. 1730: 638: ‘wy zyn redelyk vrymoedig in het berispen van anderen; maar niet minder zynwe gereed tot het erkennen van onze eigen misslagen, zoras ons de zelven blyken’, zoals onder andere blijkt uit de volgende fragmenten: ‘gelyk wy ook deezen misslag, dienwe hier in Vondel berispen, moeten verbeteren, niet in Vondels, maar in onze eigene werken’ (1730: 191); ‘het staa my vry my zelven mede aantehaalen in dat geene, dat ik in anderen afkeur’ (1730: 258); ‘En zal ik wederom geen zwaarigheid maaken, om by deeze weinigen, ook my zelven te voegen, die noch niet lang geleeden in mynen Horatius [...] schreef; [...]. 't welk ik hier herroep en afkeur, als gesprooten uit een oordeel, niet op bewyzen, maar op gissingen, gegrondvest, gelyk 't doorgaans gaat’ (1730: 264); ‘en, omdatwe dit [t.w. lei(de) in plaats van lag, RdB] geheel en al af keuren, zullenwe ook hier van ons zelfs spreeken, die doorgaands zo plagten te schryven’ (1730: 505); vgl. ook: ‘Dewyl dit tot onderwys van anderen kan dienen, zal men my niet kwaalyk neemen, dat ik in dien Man [t.w. Van Hoogstraten, RdB] eenen misslag aantoone, dien ik in my zelven veroordeel’ (Huydecoper 1726: 49). En in de onvoltooide voorrede tot de rijmkroniek van Melis Stoke schrijft Huydecoper: ‘Want myne eigene misslagen over 't hoofd te zien, of die te zien en te ontveinzen, was noit mijn gewoonte’ (geciteerd naar Ett 1948: 164).
73Aristarchus is vooral bekend door zijn commentaar op teksten van Homerus. Daarin gaf hij de betekenis van moeilijke woorden, verstrekte hij informatie over mythologische en geografische bijzonderheden en besteedde hij veel aandacht aan grammaticale verklaringen. Vossius' standaardwerk De arte grammatica libri septem (1635) is sedert de druk van 1662 ook bekend onder de naam Aristarchus (Dibbets 1981: xxxiii). Vondel raadt dichters in zijn invloedrijke Aenleiding ter Nederduitsche Dichtkunste aan om een gedicht ter beoordeling voor te leggen aan een Aristarchus, ‘ja verscheide keurmeesteren’.
74Dit exemplaar berust in de UB van de RUL, onder signatuur 1260 E 8. Zie Buijnsters 1984: 168.
75Uit de opdracht aan Huydecoper die voorafgaat aan Philip Zweerts' Semiramis, of de doot van Ninus (1729), kunnen we opmaken dat de achttiende-eeuwse taalgeleerde zijn kritisch oog heeft laten gaan over de tekst van dat treurspel. Om die reden richt Zweerts zich tot Huydecoper met de woorden: ‘O Aristarch! ô fakkel onzer tyt!’ (p. *3v). De dichter L. van den Broek spreekt Huydecoper in een aan hem opgedragen gedicht uit 1730 aan met de woorden ‘Doorzichtige Aristarch!’ (RAU, inv. 67, inv.nr. 187). Op 5 september 1733 geeft Elias aan Huydecoper te kennen dat hij is gestopt met het schrijven van gedichten, want ‘de verandering der woonplaats van den heere Huijdecoper heeft mij van een' Aristarchus beroofd, by wien ik nooit zonder nut heb geraadpleegd’.
76Vgl. 1730: 187: ‘op voorheengeleide grondslagen kanmen met weinig moeite een gebouw zetten; dit heb ik geheel uit den grond moeten ophaalen, om het ten minste te doen pal staan tegen den wind van zodanige Berispingen, die veel gedruisch maaken, maar niets beweegen konnen, dan 't geen uit zich zelf lichtelyk vlot en beweegd wordt’.
77Vgl. 1730: 296: ‘Dewyl dan de voorbeelden bevestigen 't geen de reden leert, [...] zouden wy ons dwaasselyk vergaapen aan de mistastingen van niet onfeilbaare Meesters’.
78Vgl. 1730: 128: ‘Opdat het nu blyke dat deeze myne Aanmerking wel gegrond [cursivering van mij, RdB] is, zullen wy daarvan meer bewyzen aantoonen’.
79Vgl. 1730: 18: ‘Dat nu het Blaauw zowel de eige kleur der Zee is, als het Groen, zou in zich zelf geen bewys noodig hebben. Om echter ook hier aan de wyze van behandeling, die wy ons voorgesteld hebben, te voldoen, konnen de volgende voorbeelden, kortelyk aangeroerd, dienen’. Vgl. 1730: 257-258: ‘wy zullen eerst zien, wat onze Spraakkunstschryvers daarvan zeggen; dan het hedendaagsche, en eindelyk het oude gebruik hieromtrent aantekenen’.
80Jongeneelen (1996: 130) beweert dat Verwer aangewezen dient te worden als de meest waarschijnlijke bron voor Huydecopers empirisme. Deze stelling berust te zeer op vermoedens en wordt mijns inziens onvoldoende met feiten onderbouwd.
81Vgl. 1730: 36: ‘Ondertusschen zietmen dat niet al nieuw is, watmen nieuw noemt’.
82Vgl. 1730: 164: ‘Geen van beide [t.w. Moonen en Sewel, RdB] geeven zy reden van hun zeggen, en laaten dierhalve onzekere leerlingen, door hun verschil, in de zelfde onzekerheid steeken’. Vgl. 1772a: 15: ‘Die onderwijst moet klaar spreeken.’
83Vgl. 1730: 64: ‘Maar neem, dat die Regel, als nieuw zynde, noch geen gezag heeft om iets te bewyzen. wy zullen 't dan met andere klaare redenen goedmaaken: en door die redenen zelfs deezen Regel bevestigen, en bekwaam maaken, om in 't vervolg iets te konnen bewyzen’. Vgl. 1730: 65: ‘Dit ontdek ik uit deezen Regel, maar wy zullen 't weder met redenen bevestigen’.
84Vgl. 1723, I: **3v: ‘om niet alleen vooreerst de Regelen van het Agtbaerste Gebruik uitte vinden, maer ook om daernae de duisterschijnende Oorzaeken en Redelijkheid van die Gebruiken nae te speuren’. Zie De Bonth & Dibbets 1995: 119, 126-127. Dit principe komen we al tegen in Johan Radermachers Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste uit 1568, wat voor die tijd uitzonderlijk mag heten (Bostoen 1985: 5).
85Vgl. 1730: 84: ‘Dit, met redenen beweezen, lust ons nu ook met voorbeelden te bekrachtigen: opdat wy, gelyk meer gezeid is, het spreekgebruik niet achtende, echter toonen, dat het schryfgebruik aan onze zyde is’. Vgl. 1730: 116: ‘Dit, aldus met goede en klaare redenen vast gesteld, zullenwe met voorbeelden van andere Dichters bevestigen, en toonen, dat Vondel en Poot, beter geschreeven zouden hebben, Noch eens zo hoogh, en Noch eens zo vast’.
86Vgl. 1730: 116: ‘Nu is de vraag of dit [t.w. eens zo hoog, RdB], om de verdubbeling van iets uit te drukken, wel gezeid is? volgens 't gebruik, ja: maar volgens de reden, en nette rekenkonst, neen’. Vgl. 1772a: 36 ‘Is dit Gebruik? zo heb ik moeds genoeg om het Gebruik op den mond te kloppen, en te doen zwygen. Ik vermag zulks te doen, omdat het Gebruik niet algemeen tegen my is. Ik ben verpligt zulks te doen, omdat de gezonde Reden my zulks beveelt’.
87Een soortgelijke opvatting komen we tegen bij Perizonius, wiens editie van Sanctius' Minerva aan Huydecoper bekend was. Voor Perizonius vormde ratio de grondslag van een taal. De usus vond hij ook van belang, maar die veronderstelde ratio, omdat er anders sprake zou zijn van abusus. Hij probeerde de taalverschijnselen te verklaren door analogie, waardoor hij de oorspronkelijke vorm en betekenis zocht in de oudste taal. Deze methode kon alleen met succes worden aangewend door iemand die een grondige kennis bezat van de usus van een taal (Gerretzen 1940: 70). Huydecoper voldeed aan die eis.
88Vgl. 1730: 407: ‘Sewel p.162. zegt, datmen het tweezins gebruikt trefte en trof, getreft en getroffen. dat is de waarheid; doch het is daarom beide niet evengoed’. Vgl. 1730: 502: ‘Dus verre was ons eerste opstel <concept>, waarinwe geen verandering gemaakt hebben, om te toonen dat 'er, gelyk wy ook elders zeiden, van alles voorbeelden by ons te vinden zyn; en dat het lichtvaardigheid is te verzekeren, dat iets noit gezeid is’.
89Van Lelyveld merkte in de tweede druk van de Proeve ten aanzien van Huydecopers werkwijze op: ‘de Heer Huydecoper, die voornamelijk onze taal uit voorbeelden der geachtste schryvers heeft beoefend’ (Van Lelyveld 1782: 181).
90Onder ‘Nieuwen’ verstond Huydecoper auteurs die Nederlandse teksten hadden geschreven ná 1561, onder ‘Ouden’ verstond hij auteurs die Nederlandse teksten hadden geschreven vóór 1561. Voor alle duidelijkheid: Huydecoper refereerde met de term ‘Ouden’ níet aan schrijvers uit de Klassieke Oudheid; in deze betekenis komen we het begrip ‘Ouden’ wél tegen bij onder meer Pels 1677 (zie Schenkeveld-van der Dussen 1973: 37-38). Nadere gegevens over Huydecopers onderscheid tussen Nieuwen en Ouden is te vinden in 4.3.4.
91Vgl. 1730: 71: ‘Echter moetmen de regelen uit het gebruik hunnen klem geeven: zo is 't, en dat zal ik doen, doch uit het gebruik van schryven, dat alleen bekwaam is, om den regelen gewigt by te zetten’; vgl. 1730: 68: ‘wy zullen daaruit eene aanmerking opmaaken, en met getuigen bevestigen, die mogelyk by keurelyke schryvers toestemming zal vinden: zekerlyk in bedenking zal komen’.
92Vgl. 1730: 618: ‘hiervan vind ik, onder myne aantekeningen, alleen twee voorbeelden; doch genoegsaam, om de waarheid van dit zeggen te bewyzen’; 1730: 281: ‘hierin worden wy krachtelyk bevestigd door eenige, hoewel weinige, Dichters, by de welken wy deeze naamen van Bruidleider en leidster, in die betekenis aangemerkt hebben’ (1730: 281).
93Vgl. 1730: 59: ‘ik denk dat de Achtbaarheid van den Drost Hooft voldoende zal zyn’; vgl. 1730: 209: ‘Ik acht, dat het gezag van Hooft en Vondel hier genoeg zy, om het na hen met Poot onbeschroomd te gebruiken’; Vgl. 1730: 270: ‘Laat één Huygens hier zo goed zyn als veelen’.
94Deze schrijvers zijn alfabetisch op achternaam gerangschikt. De spelling van de voor- en achternaam is ontleend aan de ‘Tweede bladwijzer, der aangetoogen schrijveren’ (1730: 670-682).
95Over Huydecoper en zijn waardering voor Revius, zie Arens 1962.
96Vgl. 1730: 193: ‘en, om te toonen, dat onze taal, in dit deel, noch niet geheel gezuiverd is, zal ik deeze Aanmerking besluiten met eenige voorbeelden uit onze beste Dichteren, waarin niet alleen de Deel- maar ook de Bynaam-woorden kwaalyk gebruikt worden’.
97Met ‘Ouden’ bedoelt Huydecoper het werk van auteurs dat vóór 1561 is geschreven (en gedrukt); vgl. 4.3.4.
98In termen van de klassieke retorica zouden we kunnen stellen dat de taal van de middeleeuwse schrijvers die Huydecoper heeft aangeduid als de ‘Ouden’, zich volgens hem kenmerkt door ‘sermo purus’ <zuiverheid> en ‘perspicuitas’ <duidelijkheid>, terwijl de Nieuwen ‘ornate’ <versierd> en ‘apte’ <naar behoren> of ‘decore’ <welvoeglijk> schreven. Het waren juist de stijlkwaliteiten ‘puritas’ en ‘perspicuitas’ waaraan schrijvers zich volgens Huydecoper - in navolging van onder anderen Cicero en Quintilianus - moesten houden (Vgl. Leeman & Braet 1987: 102).
99Vgl. Brief Huydecoper aan Van der Schelling d.d. 10 april 1731 [RAU, inv. 67, inv.nr. 175]: ‘Hebben wy het [Nederlands, RdB] nu ten top van volmaaktheid gebragt? Ik zou misschien zeggen, ja; indien ik niet wist, dat 'er voor meer dan honderd jaaren schryvers geweest zyn, die zich des al beroemden. ik zou my dan konnen bedriegen, gelyk zy gedaan hebben. doch 't is zigtbaar genoeg, datwe noch de volmaaktheid niet hebben, omdat zelfs de besten in veelen verschillen. Eenigen deezer verschillen heb ik in myne Proeve gepoogd te beslissen. en ik heb t geluk gehad, dat verscheidenen die van my verschilden, door myne redenen gebragt zyn tot myn gevoelen. Wat middelen heb ik hier toe gebruikt? geenszins eene stipte bepaaling aan de voorbeelden van Ouden, of aan nieuwen; eerst heb ik het beste, of regelmaatigste uit onze laater schryvers verkooren: vervolgens heb ik dat getoetst aan de schryfwyze der ouden; aan de welken ik gaarne wil dankweeten het grootste gedeelte dier aanmerkingen, die ik voor de nutsten van myn geheel werk erken. want gun my alleen dat ik dit zeggen moge: Heb ik eenige vaste en onwrikbaare gronden aangeweezen; zo moet volgen, dat in alles, wat op die gronden rust, de volmaaktheid bereikt zy: anders, zyn het geen vaste, maar losse gronden’.
100Vgl. 1730: 508: ‘Zie daar het duidelykste onderscheid tusschen LIGGEN, Lag, Gelegen, en LEGGEN, Leide, Geleid, aangeweezen en met wettige voorbeelden gestaafd’, die stuk voor stuk zijn ontleend aan het taalgebruik van de (aal)ouden, en ‘Doch onze keur voor vryde, gevryd, vind ik gewettigd door de twee volgende oude voorbeelden’ (1730: 627).
101Vgl. 1730: 622: ‘wy blyven by onze gedachten. evenwel willen wy niet ontveinzen, datwe deeze uitdrukking naderhand ontmoet hebben in den Delfschen Bybel 1477. [...]. Waarvan ik echter niet weet by eenen der Ouden eenig ander voorbeeld geleezen te hebben’. Vgl. 1730: 630: ‘doch behalve dat dit het eenigste voorbeeld is, dat ik by de ouden heb konnen ontdekken, zo is noch aanmerkelyk dat het voorkomt by die, de welken wy elders genoemd hebben de Jongsten onder de Ouden’.
102Vgl. ‘Dat echter beweegde en beweegd altyd in gebruik geweest zyn, lust ons te toonen met verscheiden voorbeelden, uit verscheiden zo oude als nieuwe schryveren’ (1730: 121), ‘Een menigte van plaatsen komen ons in dit werk voor, om het gebruik van onzen Dichter buiten allen twyffel te stellen’ (1730: 136), ‘doch wy zullen hier het misbruik verder stilzwygende verbygaan, en alleen het rechte gebruik aanwyzen’ (1730: 201), ‘Licht zal iemand vraagen, waartoe zo veele voorbeelden aangehaald van iets dat bekend is? hiertoe: opdat zich niemand zo grof vergrype, van wyten en weeten ondereen te mengen’ (1730: 217), ‘zie daar Vraagde mede genoegsaam beweezen uit de Ouden, even gelyk jaagde’ (1730: 265), ‘wy zouden hierby noch honderd voorbeelden uit de Ouden konnen byvoegen; doch oordeelen dat dit voldoet’ (1730: 297), ‘Zie hier eenige voorbeelden, die wy niet mogen overslaan, zonder ons voornaamste oogwit te kort te doen; en slechts eenvoudig zullen ter nederstellen, om ons hier niet, met zaaken van weinig belang, optehouden’ (1730: 302), ‘wy gewaagden van deeze Spelling nu al dikwils in 't voorbygaan. besluit met my der zelver echtheid uit de volgende voorbeelden’ (1730: 327), ‘Eerwe dit ophelderen, zullenwe de voorbeelden, getrokken uit veele schriften der Ouden, laaten voorafgaan’ (1730: 369), ‘Doch wy willen nu de Ouden laaten berusten, dewyl het by hen algemeen is; en overgaan tot de Nieuwen, die dit mede, hoewel spaarzaamer, hier en daar in hunne werken ingevoegd hebben’ (1730: 379), ‘En dat dit bewys voldoende zy, bewyzen wy [...] ten anderen, uit een reeks van voorbeelden, in de welken Het nu altyd wordt uitgedrukt door Daar’ (1730: 473), ‘op de zelfde wyze (want ook hier moeten de voorbeelden klem hebben)’ (1730: 509-510), ‘Dat zulks waar zy, kanmen daar, en uit een groot getal der bovenstaande voorbeelden, bevestigd vinden’ (1730: 617).
103Op bladzijde 289 van de Proeve wilde Huydecoper wel voorbeelden geven, maar dat zou te veel plaats vergen: ‘Wy zullen dit dan by deeze eenvoudige verzekering laaten, en alleen noch dit zeggen, dat het lang te vooren onverbreekelyk waargenomen is’. Vgl. ‘wy zullen hier de kwaade voorbeelden overslaan; en de goeden zyn genoeg te vinden’ (1730: 287).
104Vgl. 1730: 333: ‘had ik 't van andere dieren gevonden, ik zou 't niet ontveinzen’ en ‘Wy zouden dit [t.w. stamtijden leggen, legde, gelegd] stilzwygende voorbygaan, zo wy ook hiervan geene voorbeelden gevonden hadden’ (1730: 509).
105Zie bij voorbeeld 1730: 106: ‘Mas is, volgens Becanus (gelyk Kiliaen aantekent) een verzameling van veele zaaken tot een’. In een brief van 21 december 1754 schrijft Huydecoper aan Gerard Meerman: ‘Ik acht my dan in dit gedeelte myner behandelinge gansch onberispelyk, en zelfs gehandeld te hebben volgends de strengste regelen der ars critica, die niet verbiedt, ons den arbeid van anderen ten nutte te maaken, mids wy de zelven met naame noemen: en dat doe ik altyd. Maar Schryvers, die men noit geleezen heeft, aan te haalen alsof men ze geleezen hadt, met verberging van den geenen by wien men 't gevonden heeft, is onvergeeflyk. maar dat doe ik noit’ (geciteerd naar Ett 1948: 114). Aan het slot van deze brief zegt Huydecoper dat ‘[ik] noch niet ganschelyk vergeeten ben de Regulae artis criticae, waarin [ik] my sedert 40 jaaren geoeffend heb’ (geciteerd naar Ett 1948: 115).
106Op het laatste moment - in de ‘Noodige toegift’ - wist Huydecoper hierdoor een fout in de Proeve te verbeteren: ‘ik [ontdek], by het naarzoeken van de Aantek. van den Heer Vlaming (het welk ik eerder behoord had te doen, en nu echter noch even by tyds doe) dat daar niet geleezen wordt Hen, gelyk ik gezeid en herhaald heb, maar Her’ (1730: 643).
107Eén keer heeft Huydecoper toegegeven dat hij zich daar in de Proeve niet aan heeft gehouden, met als gevolg dat hij iemand woorden toeschreef die deze niet had geuit. Daaraan verbond Huydecoper de volgende les: ‘Laat ons ook hieruit leeren voorzigtig te zyn; en geen' staat te maaken op anderen in iets, dat wy zelfs moeten verantwoorden’ (1730: 634).
108Iets soortgelijks treffen we aan op pagina 425 van de Proeve. Daar heeft Huydecoper beweerd dat het zonder hulp van de context niet mogelijk is om vast te stellen of we in het Latijn homo homini of homo hominem moeten schrijven. Het eerste is correct in de uitdrukking homo homini lupus est, het tweede in homo hominem generat: ‘'t Welk aantoont, datmen, uit afgebroken en onvolmaakte redenen, de eigelyke betekenis van een woord geenszins bepaalen, noch, of iets wel of kwaalyk gezeid zy, met eenigen grond betwisten kan’. Vgl. ook 1730: 137 waar Huydecoper door het gebruik van kleine hoofdletters heeft laten zien dat op basis van de context de werkwoordsvorm hiet in de eerste voorbeeldzin een imperfectum is en heten in het tweede voorbeeld een praesens: ‘het Was een coninc, hiet Prides’ en ‘Die Neder-Sassen heten Nu Vriesen’.
109Vgl. 1730: 361: ‘Wy bepaalen niemand in zyn oordeel: zie hier het onze’.
110Vgl. ‘wy willen niemands meening verdraaien; en laaten 't oordeel aan den Leezer’ (1730: 339); ‘Maar dewyl wy diergelyke woorden by de besten onzer Dichteren overal in het vaars geplaatst vinden; zullen wy den Leezer hier eenigen der zelven voorstellen, opdat hy de waarheid myner stellinge daaraan toetse, en zelf oordeele welke der volgende voorbeelden naar te volgen, welke geheel en al te vermyden zyn’ (1730: 187-188); ‘dit behaagt ons: doch wy laaten 't aan uw oordeel, om hier niet stil te staan’ (1730: 582); ‘Nu laat ik aan 't oordeel van den Leezer, of dit mede onder losse Gissingen, of onder beweezen Waarheden, te tellen zy. 't laatste behaagt ons: en zal ons behaagen, totwe anders geleerd worden’ (1730: 328).
111Van Lelyveld vraagt zich in een noot bij de tweede druk van de Proeve af of het onderscheid waarvan sprake is, wel reëel is: ‘Wy, voor ons, twyfelen, of men immer met genoegzame voorbeelden zal kunnen bewyzen, dat dit, waarlijk snedig, onderscheid tusschen Razery en Razerny in den grond onzer tale te vinden zy’ (1782: 239). Vgl. 1730: 2: ‘By gebrek van zekerheid bepaalen wy hier niets; hoewel ons het laatste zeer natuurelyk voorkomt’ en ‘Wy besluiten hier niets; en willen gaarne van anderen leeren, 't geenwe noch niet verstaan’ (1730: 608).

112Vgl. 1730: 179: ‘Wy zullen met de uiterste oplettendheid poogen, dit zo klaar voor te stellen, dat, schoon het buiten twyffel duister zal schynen voor dikoorige rymers, de kenners en onderzoekers der kunst echter myne meening ten vollen zullen bevatten, en ook, gelyk ik hoope, goedkeuren’ en ‘wy zullen dit zo klaar aantoonen, dat 'er niet de minste reden van twyffelen zal overschieten’ (1730: 293).
113Vgl. 1730: 180: ‘wy zullen zo eenvoudig te werk gaan als 't mogelyk is’; Vgl. 1730: 7-8: ‘Indien wy de gegeeven verklaaring niet hielden voor de eenvoudigste, wy zoudenze hier niet bygevoegd hebben’; 1730: 205: ‘dat best is, en waar, is altyd het eenvoudigste’.
114Vgl. 1730: 581: ‘Het onnoodige voorbygaande, zullenwe alleen aanroeren het geen ons van de waarheid kan verzekeren’. Niettemin is Huydecoper zich ervan bewust dat een enkel voorbeeld vaak veel duidelijkheid kan verschaffen: ‘Een klein voorbeeldje zal hier weder de zaak in haar vollen dag konnen zetten’ (1730: 86).
115Vgl. 1730: 303: ‘Overgaande tot een naauwkeurig Onderzoek van dit woord [t.w. livrei], zynwe eindelyk, om in den overvloed deezer stoffe, noch onzen Leezer, noch ons zelfs, te verbysteren, te raade geworden, het te onderscheiden in Drie Deelen’; vgl. 1730: 349: ‘Doch het wordt tyd tot onzen Dichter te komen, en te zien wat hy hiervan in 't gemeen oordeelde. Wy zullen hierin met orden voortgaan’.

terug  begin  verder