terug  begin  verder

6.7 Status van spelling

Vijfendertig procent van de 112 pagina's die de Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst (1584) telt, wordt gewijd aan de orthografie, die in dit boek het voornaamste onderdeel van de grammatica wordt genoemd (Dibbets 1977a: 28-29). Aan dit onderwerp wordt ook in de meeste grammaticale geschriften uit de zeventiende en achttiende eeuw uitgebreid aandacht besteed.13

De achttiende-eeuwse taalkundige Adriaen Verwer hecht weinig belang aan spellingvraagstukken14 en zijn jongere vriend Lambert ten Kate blijkt dezelfde mening te zijn toegedaan. Ten Kate (1723, I: 109) stelt zelfs voor om in plaats van ‘Spelkonst’ voortaan te spreken van ‘Spil- of Quel-konst: want over al het Grammaticael word zo veel mondelinge kibbeling niet gemaekt, als over die beuzelarije alleen’15 en Ten Kate (1723, I: 110) sluit

[p. 124]

zich dan ook van harte aan bij de door Vondel in de voorrede van Palamedes (1625) verkondigde opvatting dat er aan de spelling ‘soo veel niet aen gheleghen is, als, met verlof, sich sommighe wel inbeelden’.16

Ook Huydecoper liet zich weinig gelegen liggen aan spellingkwesties.17 Dat hij zich nauwelijks bekommert om spellingkwesties, hangt vermoedelijk samen met het feit dat spellingkwesties het taaleigen niet raken.18 Zelfs de vraag of men aa of ae diende te spellen - een kwestie waarover al eeuwenlang onenigheid bestond - doet hij af met de woorden:

Voor 't overige beken ik, dat ik hieromtrent niemand geheel zou willen bepaalen, dewyl 't niet kan geteld worden onder die zaaken, die een Boek of Gedicht, dat anders fraai is, zyne achting kan doen verliezen.19
(1730: 154)

Des te opmerkelijker is het dat men in de achttiende eeuw Huydecopers (opmerkingen over) spelling navolgenswaardig acht. Zo besloot men voor het vervaardigen van een nieuwe berijmde psalmvertaling de Proeve als handleiding aan te houden, waarbij men zich wel de vrijheid voorbehield om hiervan naar eigen inzicht af te wijken (Post 1995: 299).20

13Een van de grammatici die nauwelijks is ingegaan op de Nederlandse spelling, was Christiaen van Heule. In De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst (1625) draagt hij daarvoor twee redenen aan. Ten eerste bestaan er over dit onderwerp naar zijn mening goede boeken en ten tweede is ‘het daeglicx gebruyk in veele deelen onberispelic’ (Dibbets 1977b: 51).
14Vgl. Vanderheyden 1957: 650-651.
15Deze uitspraak is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ten Kate kan hebben bedoeld dat binnen de studie van de grammatica over het onderdeel spelling het meest wordt gesproken. Het citaat kan er eveneens op wijzen dat spelling voor Ten Kate niet tot het ‘Grammaticael’ gerekend diende te worden: over spelling wordt meer van gedachten gewisseld dan over grammaticale kwesties.
16Geciteerd naar WB II: 629; vgl. Moller 1908: 107.
17Vgl. 1730: 289: ‘'t is de moeite niet waardig, te twisten wat beter zy, blydschap of blyschap’; vgl. 1730: 644: ‘Groot is, sint eenige jaaren, de onkunde in een stuk, dat zo gering is, als dit’ [t.w. het gebruik van i, y, ij en ie]. Deze uitlating weerhoudt hem er overigens niet van de kwestie uitvoering aan de orde stellen, want ‘ook in het geringe verdient de waarheid te worden gekend’.
18Zie hiervoor ook 4.3.1.
19Daar staat tegenover dat hij fouten tegen de spelling doorgaans ziet als ‘tekenen van onkunde’ (1730: 317).
20Het zal dan ook geen toeval zijn dat dr. A. van der Linde zich juist achter het pseudoniem dr. B. Huydecoper verschool in de Aanteekeningen op het ‘Ontwerp der spelling voor het aanstaande woordenboek’ (1863). Met dank aan dr. J. Noordegraaf, die mij desgevraagd de identiteit van dr. B. Huydecoper meedeelde.
terug  begin  verder