terug  begin  verder

6.8 De spellingprincipes van Huydecoper

Vanaf het moment dat men in de volkstaal is gaan schrijven tot op de dag van vandaag zijn er met betrekking tot het spellen verscheidene principes werkzaam geweest.21 In de navolgende paragrafen zal worden ingegaan op de principes waardoor Huydecoper zich bij het spellen heeft laten leiden. Er zal ook aandacht worden geschonken aan de spelling van buitenlandse eigennamen.

6.8.1 De regel van de etymologie

Voor Huydecoper vormde de regel van de etymologie het belangrijkste richtsnoer bij het bepalen van de juiste spelling van een woord:

't Is een onveranderlyk axioma, of zekere grondregel, dien de Hr. J.G. Wachterus stelt als den laatsten zyner Regelen van Afleiding, voor het Glossarium Germanicum geplaatst, Orthographia pendet ab Etymologia: dat is, de Spelling der woorden hangt af van hunnen oorsprong.22
(1730: 205)

Op diverse plaatsen in de Proeve heeft Huydecoper zich van deze spellingregel bediend. Zo kan het door Vondel gebezigde woord heiloos volgens Huydecoper strikt genomen

[p. 125]

niets anders betekenen dan ‘zonder hei’. De uitgang -loos wordt namelijk altijd achter een zelfstandig naamwoord, in dit geval hei, geplaatst. Vondel bedoelde echter uit te drukken dat iets ‘zonder heil’ was en daarom had hij dienen te spellen heilloos. Overigens schrijft Vondel vergelijkbare woorden ‘doorgaands’ met één l: zieloos voor zielloos en breideloos voor breidelloos (1730: 269; 539).23 De wijze waarop Vondel het woord vroedgodin spelt - vroetgodin -, keurt Huydecoper eveneens af op basis van de regel van de etymologie: vroedvrouw is namelijk ‘niet anders, dan vroede vrouw (op sommige plaatsen noch wyze vrouw genoemd)’ (1730: 466). Op grond van de regel van de etymologie verwerpt Huydecoper ook de spelling blixem. Door dit woord met een x te schrijven is namelijk niet in één oogopslag te zien dat het bestaat uit de ‘vier letteren Blik’, waarachter de uitgang -sem is gehecht (1730: 377).24

 

Traditiegetrouw behandelde men vanaf de eerste grammatica van de volkstaal - de Twe-spraack (1584) - in het grammaticaonderdeel etymologia de leer van de woordsoorten. Huydecoper heeft in zijn vertaling van Wachterus' stelregel het woord etymologia echter weergegeven met ‘oorsprong’. De betekenis van etymologia als ‘woordafleidkunde’ heeft vermoedelijk zijn beslag gekregen in de loop van de achttiende eeuw (Knol 1977: 79). Huydecoper geeft de volgende omschrijving van het begrip etymologie:

De eigelyke kracht en betekenis der woorden te verstaan, is noodzaakelyk, niet alleen om wel te schryven, maar ook om wel te spreeken. dit leert ons de Etymologie25
(1730: 315)

Overigens gebruikt Huydecoper het woord etymologie niet alleen om te verwijzen naar de tak van wetenschap die de herkomst van woorden onderzoekt, maar ook om één bepaalde woordafleiding aan te duiden.26 Het aantal etymologieën, waarvoor Huydecoper vaak zijn licht opstak bij Ten Kate, is in de Proeve beperkt gebleven, want

Dit deel van onze spraakkunst, t.w. dat der afleidinge, is wel buiten 't bestek van deeze Aanmerkingen
(1730: 78)

Huydecoper maakt in de Proeve meermalen gewag van woorden die weliswaar een grote mate van overeenkomst bezitten in letters en in klank, maar voor het overige sterk van elkaar verschillen. Dit heeft tot gevolg dat deze woorden ‘somtyds ja meestentyds ondereengemengd en verward worden’ (1730: 20; vgl. 1730: 121, 219). Dergelijke fouten zijn volgens Huydecoper eenvoudig te vermijden: het onderscheid tussen twee naar de vorm en uitspraak nagenoeg identieke woorden komt namelijk scherp naar voren als men acht geeft op ‘de rechte spelling’. De woorden amagtig en aemachtigh worden bijvoorbeeld onnodig vaak verwisseld: het woord a-magtig is een volstrekt verouderde variant van on-magtig, terwijl aemachtigh een verkorte vorm is van adem-achtig (1730: 20). Huydecoper is voorts van oordeel dat ‘Bal-daadig, d.i. boos- of kwaad-daadig, en Bald-daadig, d.i. stout of roekeloos’ als afzonderlijke woorden dienen te worden aangemerkt, omdat zij afgeleid zijn van bal respectievelijk bald, twee woorden die zowel in spelling als in betekenis van elkaar verschillen (1730: 21).

[p. 126]

Hoewel Huydecoper bij het spellen grote waarde toekende aan Wachterus' axioma, heeft hij zich niet uitsluitend door de etymologie van een woord laten leiden. In de volgende paragrafen zal blijken dat ook andere principes voor Huydecoper daarbij een rol spelen.

6.8.2 De regel van de differentiatie

De regel van de differentiatie kwam op in de tijd van de humanisten.27 Dit spellingprincipe wordt ook wel aangeduid met de benaming homonymievrees. Moonen is in de Nederduitsche spraekkunst van mening dat ‘tweezinnige woorden’ - homoniemen - zoveel mogelijk door middel van verschillen in spelling van elkaar onderscheiden moeten worden. Om deze reden wil hij bijvoorbeeld een dubbele klinker noteren aan het eind van wat wij open lettergrepen noemen in woorden ‘die, met eenen Klinker geschreeven, dubbelzinnigh zouden zyn, en iet anders kunnen betekenen, dan men daer mede wil te kennen geeven’ (1706: 30). Als voorbeelden van woordparen die zonder verschil in spelling aanleiding zouden kunnen geven tot verwarring, noemt Moonen bedelen en bedeelen, beteren en beteeren, en beeving en beving.

Hoewel Sewel in zijn Nederduytsche spraakkonst verkondigt dat men in het spellen altijd ‘de eygenschap der Letteren’ behoort waar te nemen, bestaan er gevallen waarbij men ‘tót onderscheydinge van de betékenisse der woorden, wel een letter in de spellinge mag, ja, om de eygenschap van 't woord, moet veranderen’ (1708: 33). Op grond van deze overweging maakt hij bijvoorbeeld onderscheid in spelling tussen het zelfstandig naamwoord licht en het bijvoeglijk naamwoord ligt, tussen toren (‘bouwsel’) en toorn (‘woede’), tussen gaern (‘graag’) en garen (‘draad’).

Het principe van differentiatie blijkt - al dan niet in combinatie met het etymologisch principe - ook voor Huydecoper enkele malen van doorslaggevend belang te zijn bij het bepalen van de correcte schrijfwijze van woorden.28 Zo moet het verschil in betekenis tussen wassen en wasschen door het verschil in spelling volgens Huydecoper duidelijk tot uitdrukking worden gebracht:29

Wassen en Wasschen verschillen veel: het eerste is, groeien; het tweede, reinigen.30
(1730: 201)

Dat wassen in de betekenis ‘groeien’ de enig juiste spelling is, bewijst Huydecoper vervolgens met citaten uit het werk van Willeramus, uit diverse geschriften van de ‘Ouden’ en uit die van enkele ‘Nieuwe’ auteurs.

6.8.3 De regel van de beschaafde uitspraak

Op bladzijde 33 van de Proeve beklemtoont Huydecoper dat hij gesproken taal als spellingprincipe niet op voorhand van de hand wijst. Deze gesproken taal dient dan wèl ‘aan regelen’ onderworpen te zijn en niet de taal te zijn van een bepaalde stad of van ongeletterden. De uitspraak van één stad kan onmogelijk richtinggevend zijn voor de Nederlandse spelling, omdat dit alleen maar tot gekrakeel aanleiding zou geven:31

[p. 127]
het [is] zeker [...] dat ieder stad een byzondere uitspraak heeft, ja dat de burgers der zelfde stad het dikwils niet eens zyn. waarom men, zo ieder zyne uitspraak blyft volgen, noodzaakelyk altyd met zyne buuren moet overhoop leggen32
(1730: 33)

Tegen het eind van dezelfde pagina blijkt dat Huydecoper bij geschillen op het terrein van de orthografie alleen gezag toekent aan de taal die gesproken wordt in ‘de Vergadering van fyne Tongen, en gezuiverde Ooren’.33 Hij houdt zich - om met Te Winkel te spreken - aan wat de ‘Regel der Beschaafde Uitspraak’ wordt genoemd.34

6.8.4 De spelling van buitenlandse namen

Bij het vertalen van Ovidius' Metamorphosen werd Vondel geconfronteerd met de vraag hoe hij de daarin voorkomende eigennamen moest weergeven in het Nederlands. Uit zijn vertaling blijkt dat hij ervoor gekozen heeft deze zoveel mogelijk te schrijven volgens de Nederlandse uitspraak.35

Over de spelling van uit andere talen afkomstige eigennamen merkt Huydecoper op dat Vondel gewoon was ‘overal de oe en ae door onze enkele e’ weer te geven, ‘de ph en th door f en t’ uit te drukken en ‘de y door i’ te vervangen.36 Huydecoper laat hierop volgen dat wij - in tegenstelling tot de spellingpraktijk van Vondel - de th en de y ‘in het Duitsch zeer wel konnen behouden’ (1730: 252).37 Deze uitspraak suggereert dat Huydecoper de letters ph wèl altijd wil veranderen in een f. Niets is echter minder waar. In de ‘Eerste bladwijzer, van woorden en zaaken’ lezen we namelijk ‘PH, i. F: doch kan voegelijk in vreemde Naamen behouden worden’ (1730: 660).

Moonen is een andere mening toegedaan dan Huydecoper. In navolging van het Latijn wilde deze grammaticus ‘uitheemsche’ woorden waarin een ph voorkwam - hij beperkte zich dus niet tot eigennamen - met een f spellen, zoals farao, filosoof en Stefanus (Moonen 1706: 7). Ook Sewel vindt het beter om vreemde woorden die in het Nederlands zijn ingeburgerd, met een f te schrijven dan om de ph te handhaven. Daar komt bij dat de Italianen en Spanjaarden in dergelijke woorden eveneens de f spellen (1708: 25).

Hierboven hebben we gezien dat Huydecoper het niet nodig achtte de y in buitenlandse eigennamen te vervangen door een i. In het ‘Bericht wegens de letter y’ betoogt hij dat de ‘Duitsche y’ niets anders is dan een ‘misvormde j’, om welke reden hij de y uit het Nederlandse alfabet wenst te schrappen en in plaats van deze letter overal een ij wil schrijven. Alleen in ‘Eigen Naamen van vreemden oorsprong’ mag de y behouden blijven (1730: 644).38

[p. 128]

Over het weergeven van Griekse, Latijnse en andere buitenlandse eigennamen in het Nederlands bestond volgens Huydecoper grote onenigheid tussen taalkundigen.39 De taalkundigen die zich over deze kwestie hebben uitgelaten, worden door Huydecoper in twee groepen ingedeeld:

Sommigen willen aan de zelven eenen Duitschen uitgang gegeeven hebben; Anderen, datmenze uitdrukke, gelykze in hunne eige taale uitgedrukt werden.
(1730: 501)

Als Huydecoper zich voor één van de twee alternatieven zou moeten uitspreken, dan zou hij voor de tweede mogelijkheid kiezen: ‘zelfs oordeelen wy, datmen, daaraan, noit kwaalyk doet’ (1730: 501). Toch kan ook het weergeven van buitenlandse namen met Nederlandse uitgangen zijn goedkeuring wegdragen. Het is in dat geval wel zaak dat ‘de klemtoon zyn plaats bewaare’ (1730: 501).

Huydecoper acht het raadzaam de oorspronkelijke vorm te handhaven bij eigennamen van vrouwen die eindigen op -ia en waarvan de i voor de a kort is, zoals Lucretia.40 Besluit men om achter een naam als Lucretia een Nederlandse uitgang te plaatsen, dan zou dit aanleiding kunnen geven tot de ‘belagchelyke mistastingen’ die we in het Frans aantreffen. De Fransen duiden namelijk zowel de dichter Lucretius als Lucretia aan met de naam Lucrece (1730: 501-502), wat aanleiding zou kunnen geven tot verwarring.41 Naar de mening van Huydecoper worden mannelijke eigennamen als Virgilius, Homerus en Zoïlus ‘niet kwaalyk’ verkort tot Virgyl, Homeer en Zoyl ‘schoon [...] dit laatste wat hard is’ (1730: 502).42

De algemene stelregel die Huydecoper zijn lezers voorhoudt met betrekking tot het weergeven van vreemde eigennamen in het Nederlands, luidt: ‘datmen hierin moet achtgeeven op den klank; en veiligst doet wat meest gebruikelyk is’ (1730: 502).

21Al deze beginselen zijn volgens Hermkens (1969: 13) terug te voeren op één hoofdprincipe: doelmatigheid. Voor een uitgebreide bespreking van de voorstellen die taalkundigen in de loop der eeuwen hebben geopperd, zie Hermkens 1969: 15-33.

22Dit axioma is door Hermkens (1969: 24) - ten onrechte - toegeschreven aan Huydecoper.
23Vgl. Moller 1908: 115-116.
24Vgl. Sewel (1708: 30): ‘X komt by ons niet zonderling te passe, dan in Grieksche en Latynsche benaamingen [...]; want hoewel sommige schryven Zulx, blixem, nógtans wordt het met recht by onze beste spellers verworpen’.
25De ‘Taalminneren’ die zich bezighouden met de studie van de etymologie worden door Huydecoper aangeduid met de benaming ‘Etymologisten’ (1730: 328, 394), een benaming die we ook bij Ten Kate (1723, II: 6) aantreffen.
26Vgl. 1730: 357: ‘Wy zullen ons nu niet inlaaten om de Etymologie van dit woord naar te spooren’; vgl. 1730: 397: ‘zie daar in 't kort de Etymologie van dit woord aangeweezen’.

27Zie Hermkens 1969: 14.
28Voor het onderscheid tussen het telwoord één en het lidwoord een, zie 7.2.6.
29Sewel laat het verschil in betekenis tussen deze werkwoorden in zijn Nederduytsche Spraakkonst (1708) zien door middel van de voorbeeldzinnen ‘De handen wasschen’ en ‘De Zon doet het koorn wassen’ (1708: 33). Ook Ten Kate (1723, II: 501-502) maakt onderscheid tussen wassen (‘crescere’) en wasschen (‘lavare’).
30Vgl. 1730: 477: ‘Wassen, is Groeien: [...]. maar Wasschen, is Reinigen’. Vgl. ook 1730: 453 waar Huydecoper Verwer berispt over de spelling ontwasschen in plaats van ontwassen.

31Vgl. 4.3.2.
32Volgens Daan (1992: 149) heeft het woord uitspraak in dit verband voor Huydecoper onmiskenbaar dezelfde betekenis als dialect voor Ten Kate.
33Vgl. 1730: 215: ‘keurige ooren’.
34Vgl. Te Winkel 1863: 8: ‘Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, wanneer het door beschaafde lieden zuiver uitgesproken wordt; en kies in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet voorgesteld kan worden, het naast bijkomende letterteeken’.

35Vondel heeft dit besluit omstreeks 1644 genomen (Moller 1908: 123).
36Vgl. Moller 1908: 123.
37Vgl. 1730: 664: ‘TH, by Vondel altijd T; doch kan voegelijk in EigenNaamen behouden worden’. Vgl. 1730: 254: ‘Ciane, of beter Cyane’.
38Volgens Moonen (1706: 15) moet men de y gebruiken bij het weergeven van Griekse eigennamen: ‘De Y plagh van outs by de Grieken gebruikt te worden voor eene enkele U; en dient men zich van haer in het schryven van oude Grieksche naemen, Pyrrhus, Phrygië; alwaer zy dan de Grieksche uitspraek behoudt’.
39Vermoedelijk doelt Huydecoper hiermee op de informatie die geboden wordt in de taalkundige geschriften van Ampzing (1628: 3-4), Vollenhove (1686: 573) en Nylöe (1703: 35).
40Vgl. 1730: 502: ‘schoon Lukresi, voor Lucretia [...] ook goed waare, wie heeft immer Korneli, voor Cornelia, of Antoni, voor Antonia, gezeid?’.
41Met betrekking tot de Latijnse uitgang -tia schreef Sewel (1708: 27): ‘veele Latynsche woorden, die in tia uytgaan, en welke zy [de “Franschen” en “Engelschen”, RdB] met een kleyne verandering in hunne taalen hebben overgebragt, hebben in plaats van de ti [...] eene C aangenomen, als blykt in Patience, sapience, concupiscence, enz.’.
42Vgl. 1730: 609: ‘Maar Kapitoliom, voor Kapitolium (beter schryft hy v.1066. Kapitool) kan dat bestaan? wy oordeelen neen’.
terug  begin  verder