terug  begin  verder
[p. 142]

6.12 Medeklinkers

Na de klinkers worden in de volgende paragrafen de medeklinkers aan de orde gesteld. Daarbij zal ik eerst stilstaan bij het onderscheid tussen zachte en scherpe letters, een onderscheid dat bij de bespreking van de klinker i al terloops ter sprake is gebracht. Vervolgens bespreek ik alle medeklinkers waarover Huydecoper in de Proeve een expliciete uitspraak heeft gedaan.

6.12.1 Zacht-scherp

Op bladzijde 204 van de Proeve laat Huydecoper weten dat het voor hem vaststaat

dat onze letters, somtyds wat zachter, somtyds wat scherper, worden uitgesproken, naar maate van de zachtheid of scherpheid der Letteren, die haar naast zyn <er voor of achter staan>
(1730: 204)

Dit citaat laat zien dat Huydecoper inzag dat klanken onder invloed van naburige klanken kunnen veranderen en dat er aldus klankvarianten ontstaan, een verschijnsel dat in de fonetiek bekend staat als combinatorische variatie. Combinatorische variatie die in het Nederlands algemeen is, wordt door taalkundigen aangeduid met de term assimilatie. Huydecoper bespreekt in de Proeve een duidelijk geval van wat tegenwoordig progressieve assimilatie wordt genoemd.92 Naar aanleiding van de spelling ontfangen merkt Huydecoper op dat deze schrijfwijze het gevolg is van een verbasterde uitspraak. Hij geeft toe dat de letter v iets van haar ‘natuurelyke zachtheid’ verliest wanneer zij op een t volgt, maar hierdoor geenszins ‘de scherpheid van de F’ krijgt. Het levert eerder een klank op die tussen de v en de f inzit:

[degenen] die in ontfangen de F zo scherp uitspreeken, als in ontfermen en in ontfutselen, die spreeken, naar myn oordeel, niet wel.93
(1730: 204)

De v wordt volgens Huydecoper onder invloed van een voorafgaande t weliswaar iets ‘scherper’ uitgesproken, maar dit houdt niet in dat de v haar ‘zachtheid’ geheel verliest. Met andere woorden, in de uitspraak van het woord ontvangen is de v scherp in relatieve zin, in absolute zin wordt de v daarentegen nog steeds gekenmerkt door zachtheid.

Wordt het onderscheid zacht-scherp in het bovenstaande voornamelijk toegepast op twee varianten van één foneem - een zachte v en een minder zachte v -, de genoemde termen worden door Huydecoper eveneens gebruikt om twee verschillende fonemen tegenover elkaar te plaatsen. Hierboven hebben we al gezien dat Huydecoper zacht en scherp en daarvan afgeleide woorden hanteerde ten aanzien van de klinkers i en e. Dit verschil is niet alleen van toepassing op klinkers, maar ook op medeklinkers. Aan de ‘scherpheid’ van de f en de ‘zachtheid’ van de v is al aandacht geschonken. Een vergelijkbare tegenstelling valt ook waar te nemen bij de consonanten b en p, en d en t.94 Deze twee paren zullen

[p. 143]

achtereenvolgens worden besproken.

Er bestaat volgens Huydecoper slechts een gering verschil in uitspraak tussen de letters b en p. Dit verschil is in zijn ogen vergelijkbaar met de mate waarin de d en de t van elkaar afwijken. In de aantekening bij vers 278 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge - ‘Zyn kleet in bont en d'arm verkeert in pooten [...]’ - formuleert hij dit als volgt:

daar is geen minder onderscheid tusschen God en Got, als 'er is tusschen heb en hep.
(1730: 31)

Nemen we in aanmerking dat Huydecoper op bladzijde 33 van de Proeve ‘zachtheid’ noemt als eigenschap van de d en ‘scherpheid’ als kenmerk van de t, dan kunnen we analoog daaraan opmaken dat voor hem de b ‘zacht’ en de p ‘scherp’ is.95

Huydecoper zegt dat de zinnen ik vind dat niet en hy vindt dat niet worden uitgesproken alsof er geschreven stond: ik vin dat niet en hy vint dat niet. Hieruit blijkt volgens hem ‘oogschynelyk’ <duidelijk> de zachtheid van de d en de scherpheid van de t,96 ‘want daardoor wordt de eerste aan 't eind der woorden somtyds geheel uitgelaaten, de tweede noit’ (1730: 33). Om het in moderne bewoordingen te zeggen: wordt een woord gespeld met een opeenvolging van een stemhebbende occlusief - d - en een stemloze occlusief - t - dan spreken we slechts de laatste uit.

Het wegvallen van de d in de uitspraak heeft volgens Huydecoper niet alleen plaats bij werkwoordsvormen, maar ook bij bijvoeglijke naamwoorden. Zo hoeft de d aan het eind van kwaad, goed, snood ‘om haare zachtheid’ niet uitgesproken te worden: kwaa, goe, snoo.97 De t daarentegen bezit deze mogelijkheid ‘mids <wegens> haar scherpheid’ niet (1730: 33).98

Het onderscheid dat Huydecoper heeft gemaakt tussen ‘zachte’ en ‘scherpe’ medeklinkers, lijkt overeen te stemmen met het tegenwoordige onderscheid in ‘stemhebbend’ en ‘stemloos’. Voorzichtigheid is echter geboden: onduidelijk is namelijk of Huydecoper de essentie van het onderscheid stemhebbend-stemloos - te weten: het wel of niet trillen van de stembanden - heeft gezien of dat hij alleen de ‘week’ heid van de spanning van de lippen heeft vastgesteld.

6.12.2 B

Het onderscheid dat Huydecoper maakt tussen de ‘zachte’ b en de ‘scherpe’ t is aan de orde gesteld in de vorige paragraaf. Deze nauwe overeenkomst in klank tussen de b en de p zal er naar Huydecopers overtuiging de oorzaak van zijn geweest dat veel mensen ampten

[p. 144]

- met een p - schreven.99 Deze spelling was hem een doorn in het oog en zij gaf hem dan ook aanleiding in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ het woord Ampten, dat hij op bladzijde 301 van de Proeve had gebezigd, te wijzigen in Ambten (1730: 632). Huydecoper beroept zich hierbij op de regel van de etymologie, want ‘ons Duitsch woord Ambt (niet Ampt100 of Amt101)’ is naar zijn zeggen afgeleid van het ‘Celtische’ amb (1730: 585).102

6.12.3 C

Huydecoper biedt in de Proeve geen expliciete informatie over het gebruik van de letter c.

6.12.4 D

Bij de bespreking van het werkwoord zal in de paragraaf die handelt over het accidens vervoeging, worden ingegaan op de spelling van de werkwoordsvormen en op de regels voor het gebruik van -d, -t, -dt (zie 7.4.10).

Naar aanleiding van vers 278 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge - ‘Zyn kleet in bont en d'arm verkeert in pooten [...]’ - gaat Huydecoper in op de vraag wanneer men aan het eind van naamwoorden en deelwoorden -d dan wel -t moet spellen. Op pagina 31 van de Proeve stelt hij daarvoor de volgende regel op:

de Zelfstandige en Byvoegelyke Naamwoorden, als mede de Deelwoorden, die in 't Meerv. getal, of in 't Vrouwl. geslachte, Den of De hebben, moeten ook in 't Eenv. getal met eene D geschreeven zyn, als god, goden; snood, snoode; verkeerd, verkeerde.
(1730: 31)

Zonder nadere toelichting zullen de meeste lezers de bovenstaande regel zo uitleggen, dat men God, snood en verkeerd in het enkelvoud met een d moet schrijven, omdat men deze letter in het meervoud en in verbogen vormen eveneens met een d noteert. Deze opvatting is volgens Huydecoper niet correct:

die zo redeneeren, dien moeten de herssens dwars in 't hoofd leggen, dewylze een bewys, dat uit zich zelf klaar is, door omkeering verduisteren. want men schryft niet brood en noot, omdatmen zegt brooden en nooten: maar integendeel, men zegt brooden en nooten, omdatmen in 't eenvoudige zegt brood en noot.
(1730: 32)

waaraan hij in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ toevoegt:

want in geen taale wordt het Eenv. van 't Meerv. maar dit altyd van dat, afgeleid.103
(1730: 619)

Huydecoper beweert dat hij brood met een d besluit en aan het eind van noot een t schrijft, omdat hij deze klanken hoorde, niet omdat het meervoud van deze woorden brooden respectievelijk nooten is. Anders gezegd, Huydecoper hanteerde bij deze woorden niet de regel van de analogie, maar de regel van de (beschaafde) uitspraak.

[p. 145]

Wat dit aangaat, beroept Huydecoper zich op hetzelfde principe als Moonen, met dit verschil dat de laatste aan het eind van een woord als brood in de uitspraak een t hoort. Moonen acht het raadzaam om zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden als lant, hant, goet in onverbogen vorm te laten eindigen op een t, ook al worden deze woorden in de verbuiging - waaronder de meervoudsvorming valt - met een d gespeld. Aan het eind van een woord is de d ‘om haeren zachten klank’ namelijk amper hoorbaar. Om die reden dient zij haar plaats volgens Moonen af te staan aan de verwante maar ‘scherper en sterker’ klinkende t (1706: 32).104 Door land en blind met een d te spellen, houdt men volgens Moonen weliswaar rekening met ‘de afkomste en verwantschap der woorden’ maar veronachtzaamt men ‘de welluidendheit’ (1706: 33).105 Moonen verdedigt zijn spellingopvatting onder meer met de opmerking dat niet alleen in het Nederlands maar ook in andere talen ‘letters van het zelve werktuig’ - zoals de d en de t - vaak met elkaar worden verwisseld (1706: 34-35).

Hoewel sommige grammatici van mening zijn dat een spelling als lant meer in overeenstemming is met de ‘welluydendheyd’ dan land, vindt Sewel (1708: 9) dat men zelfstandige naamwoorden als God, stad, lid, land met een d moet spellen, ‘omdat men zégt, Goden, steden, leden, landen’.106

Overigens vraagt Sewel (1708: 10) zich af of de spelling lant nader aan ‘de eygentlyke uytspraak’ komt dan land, want als men spreekt over ‘'s Lands welvaaren, dan wordt daarin meer van de D dan van de T gehoord’. Maar ook al zou de spelling van Gód, stad, land in strijd zijn met de uitspraak, dan nog zou het volgens hem niet wenselijk zijn deze en vergelijkbare woorden met een t op het eind te schrijven. De ‘gelykluydendheyd van sommige woorden, die veel in betekenisse verscheelen’ - rad, rat; wand, want; lood, loot; nood, noot - zou tot grote verwarring aanleiding kunnen geven. In de schrijfwijze God, hand, land vindt Sewel zich bovendien gesterkt door de identieke woordvormen in het Engels, een taal die ‘voor een groot gedeelte oud Duytsch’ is (Sewel 1708: 10-11).

Zoals we hebben gezien wil Huydecoper aan het eind van naamwoorden en deelwoorden op grond van de uitspraak een d spellen. Het bezwaar dat Moonen in zijn Nederduitsche spraekkunst tegen een dergelijke spelling had geopperd, wordt door Huydecoper resoluut van de hand gewezen:

De voornaamste tegenwerping, diemen hiertegen inbrengt, is de uitspraak, dewyl, zegtmen, de T aan het einde van alle die woorden gehoord wordt: 't welk ik ontken waar te zyn.107
(1730: 31)

Naar eigen zeggen nam Huydecoper een verschil waar tussen de d en de t aan het eind van een woord. Aan degenen die niet in het bezit zijn van ‘fyne Tongen, en gezuiverde Ooren’, zal dit onderscheid in gesproken taal volgens hem ontgaan. Dit geeft hun evenwel allerminst het recht om het verschil in geschreven Nederlands te doen verdwijnen:

die God (Deus) uitspreeken als Got (een volknaam) en nood (gevaar) als noot (een boomvrucht) konnen met het zelfde recht beweeren, datmen moet schryven ik hep, voor ik heb: want daar is
[p. 146]
geen minder onderscheid tusschen God en Got, als 'er is tusschen heb en hep. doch al sprakmen zo, wat gevolg, dat een bedorven uitspraak ook de schryfwys bederven moet?
(1730: 31)

Uit de Latijnse benamingen Hollandia en Brabantia blijkt volgens Huydecoper duidelijk ‘dat de ouden die letteren [t.w. d en t] wel <goed> onderscheidden, en verschil bemerkten tusschen Holland en Brabant: en zo in anderen’ (1730: 33).108

Huydecoper beroept zich bij het onderscheid in spelling tussen zelfstandige woorden als nood en noot dus niet - zoals Sewel vóór hem had gedaan - op de regel van de gelijkvormigheid maar op de regel van de beschaafde uitspraak.

Voor Huydecoper speelde ook de regel van de differentiatie een rol. Op pagina 634 en 635 van de Proeve benadrukt Huydecoper dat het ten einde dubbelzinnigheden te vermijden van belang is in de spelling onderscheid te maken tussen enerzijds hard en anderzijds hart. Zo betekent volgens hem de uitdrukking 't hard onder de zoolen hebben ‘vaste grond onder de voeten hebben’, maar het hart onder de zoolen hebben ‘geen moed hebben’.109

Een bijzonder geval vormt de spelling van zelfstandige naamwoorden die zijn ontstaan door toevoeging van het suffix -heid. Hoewel sommige ‘nette schryvers’ de uitgang -heid met een -t spellen, wijst Huydecoper deze notatie zonder opgaaf van redenen van de hand (1730: 35).110 Waarschijnlijk zou hij beweerd hebben een -d te horen en te zeggen.

Bij het spellen van deelwoorden staat Huydecoper uitvoerig stil, omdat hij had bemerkt dat er talloze auteurs zijn die daarin ‘mistasten’. Huydecoper drukt hun op het hart de ‘Lydende Deelwoorden’ (1730: 34) ‘verkeerd, bemind, en diergelyke’ te laten eindigen op een d, niet op een t.111 Dat de spelwijze met een d de enig juiste is, volgt daaruit dat deze woorden ‘zo in 't vrouwelyk geslachte, als in 't meervoudig getal’ verkeerde respectievelijk beminden luiden.112 Ook de ‘werkende deelwoorden’ - verkeerend, beminnend, loopend, strydend - moeten met een d geschreven worden, ‘gelyk ten eersten blykt, als men de E daar achter aan voegt’ (1730: 36). Deze manier om te bepalen of een deelwoord met een d dan wel een t moet worden geschreven, wekt verbazing. Enige pagina's tevoren had het argument om brood met een d te spellen omdat het meervoud ervan brooden luidt, voor Huydecoper namelijk geen geldigheid. Waarom hij zich bij de deelwoorden niet beroept op de regel van de beschaafde uitspraak maar op die van de gelijkvormigheid, is voor ons onduidelijk. Wellicht hoorde of sprak Huydecoper in deze woorden geen -d en nam hij, nu zijn eerste - en belangrijkste - regel niet opging, zijn toevlucht tot een niet onbekende tweede.

Een op zichzelf staande opmerking heeft betrekking op de spelling wentelen. Huydecoper deelt mee dat de door Kiliaen en enkele Nieuwen gebezigde spelling wendtelen onjuist is,

[p. 147]

‘want de D verwandelt hier in een T’ (1730: 582).113

In de Proeve staat Huydecoper langdurig stil bij de spellingvarianten God en Godt. Hij verbaast zich erover ‘datmen tegenwoordig, en eenige jaaren herwaarts, het woord god zo algemeen geschreeven vindt met DT, godt; zelfs ook van hun, die deeze Spelling in geen een ander zelfstandig woord aanneemen’ (1730: 32). Tot de auteurs die Huydecoper voor ogen stonden toen hij deze woorden neerschreef, zou Arnold Moonen gerekend kunnen worden. Zo schrijft Moonen in zijn Nederlandse grammatica dat zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden in het enkelvoud nooit op een d maar altijd op een t moeten eindigen, zelfs al komt er in het meervoud een d voor: Lant - Landen. Omdat het opperwezen in de derde naamval enkelvoud de vorm Gode heeft - en het meervoud ‘naer der Heidenen oordeel’ Goden luidt - zou men verwachten dat Moonen overeenkomstig de door hem opgestelde regel Got spelt. Deze spelling stuit bij hem echter op onoverkomelijke bezwaren, omdat op grond van de schrijfwijze Got niet valt uit te maken of men van doen heeft met ‘het Opperste Weezen’ of met ‘eenen inboorling uit Gotlant’. Derhalve staat Moonen één uitzondering op zijn spellingregel toe en spelt hij in het vervolg Godt wanneer hij het heeft over de Allerhoogste (Moonen 1706: 35), zodat er ook in het Nederlands een tetragrammaton ontstaat.114

De notatie godt vindt volgens Huydecoper haar oorsprong bij ‘Vader Vondel’,115 waarna zij bij een groot aantal auteurs ingang heeft gevonden: ‘deeze doen zulks, omdat hy 't gedaan heeft’.116 Met deze waarneming stelt Huydecoper zich niet tevreden, hij wil ook achterhalen waarom Vondel het opperwezen met vier letters heeft uitgedrukt. Voor Huydecoper staat het vast dat Vondel noch ‘om de spelling van 't woord, noch om de eigenschap van de taal’ Godt spelt. Zou dat het geval geweest zijn, dan had hij tevens aerdt, bloedt en kleedt hebben moeten spellen. Huydecoper vermoedt dat de spelling Godt de zeventiende-eeuwse literator was ingegeven door ‘[e]ene zekere bygeloovigheid, die hem een geheim deedt vinden in de vier letteren, waarmede dees Naam in [meest] alle taalen uitgedrukt wordt’,117 waarna hij uit Vondels Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst de volgende versregels citeert:

 
De Duitsch is dan gewoon den rycksten schat der schatten
 
Als andre volcken, in Vier letteren te vatten,
 
En Godt te noemen 't geen noit teken noch geluit
 
Voluit heeft afgebeelt.
 
(1730: 32)

Met deze uitspraak is Huydecoper het niet eens.118 Hij wijst erop dat in het Italiaans en in

[p. 148]

het Engels het opperwezen met een woord van drie letters wordt aangeduidt: Dio respectievelijk God, ‘ons eigen woord’ (1730: 32). Een andere reden waarom Huydecoper ervoor kiest om God te spellen is dat men ‘in geene Oude Duitsche boeken, die geschreeven zyn voor den tyd der Nederlandsche Beroerten, deezen naam anders, dan met drie Letteren, God, geschreeven vinden’ (1730: 32; vgl. 4.3.4).

In de tweede druk van de Proeve maakt de tekstbezorger Van Lelyveld een brief van Pieter Boddaert (1694-1760) aan Huydecoper wereldkundig, waarin deze stichtelijke dichter naar aanleiding van pagina 32 en 33 van de Proeve uiteenzet, waarom hij gekozen heeft voor de schrijfwijze Godt:

Ik schrijf dan Godt, en niet God, om aan dat woord het vermogen te benemen om ene meervoudige buiging te ontfangen; dan namelijk als ik 'er den Enigen Waerachtigen Godt mede bedoel; omdat die in zijn wezen geen meervoudig getal lijd of lyden kan; dus kan ik ook geen Godten zeggen. Doch wanneer ik van andere onderwerpen spreek, die mede dien eernaam dragen, als Engelen, of Joodsche overheden, of Afgoden, dan schryf ik God zonder T
(1782: 85)

In later werk heeft Boddaert de spelling Godt laten varen, aldus Van Lelyveld (1782: 86). Had Van Lelyveld het derde deel van Boddaerts Stichtelyke gedichten ingezien, dan zou hij gelezen hebben dat de Zeeuwse poëet hiertoe besloten had na Huydecopers antwoord op de zojuist genoemde brief. Aanvankelijk - zo schreef Huydecoper op 22 november 1731 aan Boddaert - keurde hij de door Boddaert opgegeven reden goed. Dit veranderde echter toen hij in de gedichten van Boddaert als tweede naamval Godes en als derde naamval Gode las. Wanneer die verbogen vormen kennelijk zonder enig bezwaar gebruikt worden, mag men volgens Huydecoper met evenveel recht Goden beschouwen als het in de taal bestaande meervoud van Godt. Boddaert is het met deze bewijsvoering eens en besluit ‘om my liever aan de reden, dan aan myne zinlykheid te willen houden’ door voortaan God te spellen.119

 

Op verschillende plaatsen in de Proeve biedt Huydecoper informatie die betrekking heeft op de epenthetische d. Zo luidt het meervoud van het zelfstandig naamwoord gebaar volgens Huydecoper gebaaren. De bij Isaac le Long en Lambert ten Kate aangetroffen meervoudsvorm gebaerden bij het zelfstandig naamwoord gebaer wordt door Huydecoper van de hand gewezen. De letter d is in dit woord, ‘welke D in de uitspraak nu ook veeltyds gehoord wordt’, niet op haar plaats:

de Letter D, die elders haar' post niet heeft konnen bewaaren, heeft zich hier ingedrongen tegen alle recht en reden120
(1730: 291)

Uit een andere aantekening blijkt dat Huydecoper het toevoegen van een d niet in alle gevallen van de hand wijst. Strikt genomen wordt - volgens de regel van de etymologie - uit het zelfstandig naamwoord leeven door toevoeging van de uitgang -ig het bijvoeglijk naamwoord leevenig gevormd, maar vanuit het oogpunt van de welluidendheid wordt tussen het substantief en het suffix een d geplaatst: leevendig (1730: 118).121

[p. 149]

6.12.5 F

De informatie die Huydecoper over de letter f biedt, is reeds besproken in 6.12.1 en zal verder behandeld worden in 6.12.18.

6.12.6 G

Over het gebruik van de letter g zijn in de Proeve geen expliciete uitspraken te vinden.

6.12.7 H

Huydecoper stelt dat de woorden offerande en offerhande zowel bij de Ouden als bij de Nieuwen voorkomen. De eerste vorm, die onder andere bij Kiliaen wordt aangetroffen, staat volgens hem dichter bij de oorsprong van het woord ‘want de Franschen schryven mede offrande. het welk zy afleiden van het basterdlatyn Offerenda’ (1730: 449).122 Niettemin worden beide vormen door Huydecoper afgekeurd, want ‘in goed Duitsch zegtmen Offer’. Hij weet zich hierin gesteund door Hooft, die in een heruitgave van de in 1611 voor het eerst verschenen Minnezinnebeelden in de voorrede tweemaal het woord offerand heeft vervangen door offerwerk respectievelijk offer (1730: 449).

6.12.8 J

Hoewel zij naar de uiterlijke vorm van elkaar verschillen, zijn de i, de j en de y volgens Huydecoper slechts één letter. Dit is ‘zo klaar als de dag, indien men wat bladeren wil in Oudduitsche boeken, 't zij geschreeven, het zij gedrukt’ (1730: 644; zie verder 6.10.6).

6.12.9 K

Aan de spelling van de letter k schenkt Huydecoper in de Proeve alleen aandacht met betrekking tot het afleiden van woorden. Op bladzijde 66 deelt hij mede dat de verandering van ch in k ‘gemeen’ is. Het zelfstandig naamwoord lak is volgens Huydecoper dan ook afgeleid van het ‘grondwoord’ lachteren.123

6.12.10 L

Volgens Huydecoper stemt de spelling van het woord boelin - en van andere woorden die bestaan uit een op de letter -l eindigend zelfstandig naamwoord waaraan de uitgang -in is gehecht - niet geheel overeen met de natuurlijke uitspraak ervan:

zo zegtmen niet boel-in, noch eigelyk boe-lin: maar de l verdubbelt zich op de tong, niet op 't papier, en schoonmen schryft boelin, men spreekt byna of 'er stondt boellin, gemaallin. Wy zouden dierhalve de letter, die den uitgang voortreedt, en zich in de uitspraake aan den zelven mededeelt, schoonze eigelyk behoore tot het voorgaande gedeelte des woords, mogen noemen een vliegende letter, dewylze, als zweevende tusschen het woord en den uitgang, byna zelf niet schynt te weeten, aan welken kant zy zich voegen zal.
(1730: 603)
[p. 150]

De reden waarom Huydecoper in een woord als boelin de l ‘op 't papier’ niet wenst te verdubbelen, laat zich eenvoudig raden: de spelling boellin zou de regel van de etymologie geweld aandoen.

Met betrekking tot de uitgang -elen merkt Huydecoper op dat de l daarin dikwijls wordt verwisseld met een r, als in stamelen en stameren,124 bobbelen en bobberen (1730: 412).

6.12.11 M

In vers 26 van het veertiende boek van de Herscheppinge - ‘ik schaeme u myn gebeen [...] op te haelen’ - heeft Vondel volgens Huydecoper my vergeten, omdat men altijd spreekt van zich schaamen:

Doch de misslag is zo groot niet als hy schynt; en bestaat, geloof ik, alleen in de Spelling.
(1730: 538-539)

Bij de bespreking van het principe van de etymologie (zie 6.8.1) hebben we gezien dat Vondel in plaats van bijvoorbeeld zielloos doorgaans zieloos schrijft. Huydecoper is van mening dat Vondel in het hierboven geciteerde vers een vergelijkbare deletie heeft toegepast door schaeme in plaats van schaemme te schrijven, ‘ten minste <in elk geval>, het kan op die wyze, en op geene andere, verdeedigd worden’ (1730: 539).125

6.12.12 N

De aantekeningen in de Proeve waarin wordt gesproken over het gebruik van de n, hebben alle betrekking op het toevoegen van deze letter.

Huydecoper heeft vastgesteld dat in Plantijns Thesaurus theutonicae linguae uit 1573 behalve het woord rasery ook raserny als lemma is opgenomen. Naar aanleiding van deze constatering stelt hij de volgende vragen:

Moetmen nu de n zo maar onverschillig in dit woord invoegen of uitlaaten, zo als 't ons uit de pen rolt? of moetmen onderscheid zoeken tusschen Raazerny, en raazery?
(1730: 104)

Op pagina 319 van de Proeve geeft Huydecoper de volgende verklaring voor het naast elkaar voorkomen van dergelijke vormen:

Dees Uitgang Ry, is veel scherper dan een der voorgaanden [...] en kan in een vaars noit kort genomen worden, en vereischt in de uitspraak altyd een' byzonderen klemtoon: waarom 'er de Ouden somtyds noch eene N invoegden, als Toverny, voor Tovery
(1730: 319)

Het betekenisonderscheid dat Huydecoper denkt aan te kunnen brengen tussen de uitgangen -ry en -ny wordt besproken in 7.3.10.3.

Huydecoper merkt op dat ‘onze oude Blyspeldichters’ aan het begin van een woord voor een klinker doorgaans een n plaatsen. Zij wijzigen arm in narm, aars in naars, elleboog in nelleboog, Eglentier in Neglentier (1730: 586). Een waardeoordeel over deze vormen geeft hij niet.

In het door Vondel veelvuldig gebruikte woord spans(s)eeren vindt Huydecoper de eerste n een ‘onnoodig byvoegsel’. Vondels schrijfwijze heeft Huydecoper alleen aangetroffen in

[p. 151]

Lodewijk Meyers Woordenschat, waar het woord - naar de mening van Huydecoper terecht - onder de bastaardwoorden wordt gerekend (1730: 155); de Ouden schreven altijd spaceren, waardoor de herkomst van het woord - het Latijnse spatiari - duidelijk naar voren komt (1730: 623). De door Vondel gebezigde spelling spansseeren wordt door Huydecoper afgekeurd omdat deze schrijfwijze in strijd is met de regel van de etymologie.

Hoewel Huydecoper de spelling honing ‘zeer dikwils’ tegenkomt, keurt hij alleen de schrijfwijze honig goed.126 Hij volstaat met het geven van één voorbeeld van de spelling honig, dat afkomstig is uit een geschrift van Willeramus. Vermoedelijk wilde Huydecoper hiermee aangeven dat honig een zeer oude en daarom oorspronkelijke vorm is (1730: 287).127

6.12.13 P

In het treurspel Rodd'rick ende Alphonsus spelde Bredero dreuts en dreutsheyt in plaats van preuts en preutsheyt. Huydecoper merkt naar aanleiding van Bredero's spelwijze slechts op:

de p is hier kwaalyk veranderd in d.
(1730: 437)

6.12.14 Q

Huydecoper laat zich in de Proeve niet expliciet uit over het gebruik van de letter q.128

6.12.15 R

Op pagina 206 en 207 van de Proeve gaat Huydecoper in op een taalkundig verschijnsel dat hij ‘Letterverzetting’ noemt en dat heden ten dage in het algemeen met de term metathesis129 wordt aangeduid:130

ondertusschen schynt het, dat de R, die ten tyde van Plantyn en Kiliaen de U131 of O volgde, daar zy nu by ons voorgaat,132 ook lang voorheenen plag voor te gaan, want zo schryft Willeramus zelf in zyne Uitbreiding p. 17. heylbrunno, daar vertaald heylborn, waarvoor nu weer gezeid zou worden heilbron. zo veranderlyk is het gebruik.
[p. 152]

Verderop in de Proeve merkt Huydecoper op dat het ‘verzetten der Letteren’ niet ongewoon is, waarna hij daarvan de volgende voorbeelden geeft:

zo zeggen wy Ros voor ors133 [...] Tros voor tors, van torssen; Vorst voor vrost, van vriezen: beide Bron en Born. voor Borsten zeiden de Ouden Brusten. enz.
(1730: 512)

Hoewel ‘Letterverzetting’ volgens Huydecoper voornamelijk optreedt bij de letters r en o, maakt hij in de Proeve ook gewag van gevallen waarbij de r en de a van plaats verwisselen134 en de r en de e worden omgedraaid.135

6.12.16 S

Bij de behandeling van de letter r is gesproken over metathesis of - zoals Huydecoper het verschijnsel benoemt - ‘Letterverzetting’. Deze grammatische figuur komt ook voor bij de letters s en t: ‘dit Leits is, door letterverzetting, nu veranderd in Leist’ (1730: 204).

6.12.17 T

Op de ‘drieërleie Spellinge van D, T, en DT’ (1730: 31), waaronder ook de spelling van de werkwoordsvormen valt, zal ingegaan worden in 7.4.10. Hieronder zullen enkele andere opmerkingen over de spelling van de t aan de orde worden gesteld.

Huydecoper verbaast zich over de aanwezigheid van de t in de uitdrukking om uwent wil:136

wat heeft toch de T, in uwent, te zeggen? en waarom niet, om uwen wil?
(1730: 354)

Hij is van mening dat ‘de bedorven uitspraak’ er de oorzaak van is dat de spelling ‘bedorven’ is.

De t is ook in het woord ordentelyk niet op zijn plaats. Huydecoper wijst de genoemde spelling af op grond van de regel van de etymologie, zoals de volgende afleiding laat zien:137

Van orde of orden, komt ordelyk of ordenlyk.
(1730: 357)

Ook in de woorden naamentlyk en gezaamentlyk vormt de t een overbodige letter (1730: 357). Met het oog op de regel van de etymologie moet deze letter dan ook achterwege gelaten worden, wat we ook hebben gezien bij de behandeling van de letter n (zie 6.12.12).

[p. 153]

6.12.18 V

Huydecoper vraagt zich af waarom nagenoeg alle dichters in het woord ontfangen de f verkiezen, ook al schrijven ze in soortgelijke woorden als ontvouwen, ontvallen, ontvreemden een v.138 De uitspraak kan daaraan volgens Huydecoper zeker niet ten grondslag liggen, omdat anders ook de drie laatstgenoemde voorbeelden met een f zouden moeten worden gespeld:

schoon de V, na de T komende, in de uitspraak, zweemt naar de F [...] daarom moeten wy die, en andere diergelyke veranderingen, niet aanstonds in onze schriften invoeren. want, zo doende, haaltmen de verwarring met opene deuren in, en geeft zelfs voet, om de uitspraak meer en meer te verbasteren. die in ontfangen de F zo scherp uitspreeken, als in ontfermen en in ontfutselen, die spreeken, naar myn oordeel, niet wel.139
(1730: 204)

Het is naar aanleiding van deze aanmerking dat Huydecoper spreekt over de regel van Wachterus dat de spelling van woorden afhankelijk is van hun herkomst (zie 6.12.1):

schryf eens, vangen, en zet 'er ont voor: wat zal het uitleveren? ontfangen of ontvangen? dat best is, en waar, is altyd het eenvoudigste.140
(1730: 205)

6.12.19 W

Expliciete opmerkingen over het gebruik van de letter w komen in de Proeve niet voor.

6.12.20 X

Bij de bespreking van Huydecopers spellingprincipes hebben we gezien dat Huydecoper bliksem als de enig schrijfwijze erkende; de spelling blixem kon in zijn ogen geen genade vinden, omdat zij strijdig is met de regel van de etymologie.141

6.12.21 Z

Bijvoeglijke naamwoorden die ‘een vermogen en bekwaamheid om iets te doen’ uitdrukken, eindigen volgens Huydecoper op de uitgang -zaam of -saam (1730: 623).142 Uit de voorbeelden die Huydecoper van dergelijke adjectieven geeft, blijkt dat het hem om het even is welke van de twee manieren van schrijven men gebruikt. In de Proeve komen

[p. 154]

we naast voedzaam (1730: 596) de spelling voedsaam (1730: 624) tegen, en leefzaam (1730: 596) naast leefsaam (1730: 624).143

De vraag werpt zich op waarom Huydecoper de uitgangen -zaam en -saam willekeurig naast elkaar gebruikte. In elk geval keurt hij de spelling van de twee suffixen niet goed op het voorbeeld van Moonen en Sewel. Zij maken in hun respectieve grammatica's enkel melding van de uitgang -zaam. Dat Huydecoper tussen de s en de z geen verschil in uitspraak hoorde, lijkt gezien zijn opmerkingen over het onderscheid tussen de f en de v en tussen de t en de d niet waarschijnlijk. Bovendien zal hij bij het bestuderen van Nederlandse grammatica's zeker een en ander over het verschil in uitspraak tussen de f en de z hebben gelezen.144

92Zie voor een bespreking van deze termen en voorbeelden, Van den Toorn 1980: 110.
93Vgl. Moonen 1706: 6: ‘De F, die met eene sterker beweeginge de onderste lip tegens de bovenste tanden trekt, dan de V, heeft in den klank eenige gemeenschap met de V, zo dat de F als eene scherpe V, en de V als eene zachte F wordt aengemerkt’; vgl. Moonen 1706: 13-14: ‘De V heeft in den klank (als boven by de F is aengemerkt) eenige gelykheit met de F, en gelyk de F eene scherpe V is, zoo is de V als eene zachte F’.
94Reeds in de Twe-spraack (1584) wordt erop gewezen dat er tussen de klank van sommige consonanten onderling grote overeenkomst bestaat, waarbij onder andere de paren b en p, d en t, en f en v worden vermeldt (Dibbets 1985: 417-419). Sewel maakt in zijn Nederduytsche spraakkonst geen gebruik van het begrippenpaar zacht en scherp. Wel wijst hij er aan het eind van het hoofdstuk over de spelling op dat er bepaalde letters zijn ‘die met andere eenige gemeenschap hebben, maar daarom echter niet onder malkanderen behooren verward te worden’ (1708: 32), waartoe onder meer de b en de p, de d en de t, en de f en de v behoren.
95Moonen (1706: 4) merkt op dat de b in de uitspraak een grote mate van overeenkomst vertoont met ‘haere gebuurletter’ de p. De b zouden we daarom min of meer gelijk kunnen stellen aan een ‘zachte P’ en de p aan een ‘scherpe B’. Het enige verschil tussen de twee medeklinkers is daarin gelegen dat de lippen bij het realiseren van de b ‘wat slapper’ worden geopend dan bij de p.
96Eerder al had Moonen (1706: 6) erop gewezen dat de d op nagenoeg identieke wijze wordt voortgebracht als de t ‘als beide de tong tegens de tanden slaende, en ras weder te rugge trekkende, doch de D slapper, dan de T. En dus is de D zachter van geluit’; vgl. 1706: 12: ‘De T heeft eenige gelykheit in het geluit met de D, doch is scherper van klank, dan de D’.
97Op de vraag of de spelling blydschap beter is dan blyschap antwoordt Huydecoper dat ‘blydschap misschien beter is: omdat in bly en blyschap, de D, mids haare zachtheid, schynt weg te smelten’ (1730: 290).
98De zachtheid van de d ten opzichte van de t blijkt volgens Van Lelyveld ook uit ‘de menigvuldige verkortingen, welke wy in onze taal hebben, door uitlating van de D’ (1782: 87). Daarbij denkt hij aan woorden als vader, bloeden, bieden, geboden, weder, vergaderen en dergelijke.

99Uit de geschriften van ‘Otfridus, Notkerus, en andere Duitsche of Frank-Teutsche schryvers van dien tyd’ kunnen we volgens Huydecoper opmaken dat zij de b en de p ‘byna zonder eenig onderscheid’ gebruikt hebben (1730: 439).
100Sewel (1708: 25) merkt op dat de p ‘by eenige weynigen in Ampt, amptenaar, als overtóllig, verworpen wordt: onaangezien men in 't Latyn, alleenlyk euphoniae gratiâ, en niet om de eygenschap des woords, Emptum, sumptum te schryven gewoon is’.
101Deze spelling stond Moonen (1706: 11) voor.
102Het is mogelijk dat voor dit gegeven Ten Kates Aenleiding als bron heeft gediend. In het tweede deel ervan staat dat het Latijnse woord ambactus volgens Julius Caesar is ontleend aan het oude Gallisch (1723,II: 631), één van de loten aan de Keltische taalboom (1723,I: 61).

103Vgl. Ten Kate 1723: II, 32-33 waar wordt gezegd dat het onjuist is om te stellen dat de ‘de Pluralis eerder als de Singularis’ zou zijn ontstaan.
104De enige uitzondering op deze regel vormen eigennamen ‘die uit andere taelen oirspronkelyk zyn’ als David, en ‘Wortelwoorden’ als wend, schud (1706: 32).
105Vgl. Schaars 1988: 90-91, 93.
106Hoewel Sewel het in het hoofdstuk over de spelling niet expliciet vermeldt, hanteert hij dit - wat wij noemen - gelijkvormigheidsprincipe niet alleen bij de spelling van zelfstandige naamwoorden maar getuige de voorbeelden ook bij de spelling van bijvoeglijke naamwoorden (1708: 111).
107Het is mogelijk dat deze bewering het gevolg is van spellinguitspraak, maar het kan ook zijn dat Huydecoper deze woorden schreef naar aanleiding van een nu niet meer bestaand verschil in uitspraak. Caron (1972: 53) bespreekt een aantal regels die Van Heule in De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst (1625) heeft geformuleerd omtrent de verandering van t in d aan het eind van woorden.
108Bij Sewel (1708: 11) treffen we woorden van gelijke strekking aan: ‘Wyders indien onze voorvaders geoordeeld hadden, dat Lant beter geschreeven was dan Land, waarom zouden zy tóch ons Hólland in 't Latyn genoemd hebben Hollandia, en waarom niet Hollantia, zo wel als Brabantia’.
109Vóór hem had Sewel (1708: 33) er door middel van het voorbeeldzinnetje ‘Zy heeft een hard hart’ op gewezen dat het verschil in betekenis tussen hard en hart in de spelling tot uitdrukking moet worden gebracht.
110Moonen (1706: 118) spelt dit suffix als -heit. Sewel (1708: 58) schrijft daarvoor heyd, terwijl Ten Kate (1723: II, 81) zowel de vormen heid als heyd erkent.
111Voor Moonen (1706: 36) was de t de ‘merkletter’ van alle ‘Deelwoorden’.
112Om vast te kunnen stellen of ‘lydende Deelwoorden’ eindigen op een t of op een d, raadt Sewel (1708: 9-10) aan om het deelwoord adjectivisch te gebruiken in combinatie met een vrouwelijk naamwoord en te letten op de verbogen vorm. Zo behoort men bekend te spellen, omdat men Eene bekende vrouw zegt. Sewel houdt zich in dezen dus aan de regel van de gelijkvormigheid.
113Vgl. 1730: 411: ‘het woord Wendelen, nu Wentelen’.
114Zie ook Schaars 1988: 88 en 91.
115Van Lelyveld (1782: 82-83) wijst er in een voetnoot bij de tweede druk van de Proeve op dat de spelling Godt niet, zoals Huydecoper beweert, door Vondel in het Nederlands is geïntroduceerd: ‘Plantyn schreef het reeds zoo in zijn schat der Nederduytscher sprake 1573, en zoo vinden wy het ook by Aldegonde, Biënkorf 1569. waarbywe Moerman, Peeter Heyns, Jan van den Dale, Jeronimus van der Voort, Willem van Haecht, en een menigte andere Schryvers van de zestiende eeuw zouden kunnen voegen, als ook de Vertalers van onzen Staten Bybel, van welken men niet zeggen kan, dat zy Vondel gevolgd zijn’.
116Opmerkelijk genoeg vermeldt Huydecoper niet dat Vondel tot circa 1640 - tenminste in zijn dramateksten - vrijwel uitsluitend god schreef (zie Salemans & Schaars 1990).
117Moller (1908: 129) noemt het onjuist te menen dat Vondel om deze mystieke betekenis God opzettelijk heeft aangeduid met Godt. Vondel hield zich gewoon aan de regel die Moller elders in het onderhavige artikel opgeeft: ‘Onmiddelik na een korte of onvolkomen klinker schrijft Vondel standvastig dt: dus bedt, stadt, hy redt, Godt; na lange of volkomen klinkers of na medeklinkers, alleen t, weerelt, hant, de uitgang -heit, wort, gout, stryt, leitsmans, wyt, enz.’ (1908: 114).
118Volgens Huydecoper zal aan deze uitspraak hooguit door ‘eenen Roomsgezinden’ geloof worden gehecht. Een duidelijk voorbeeld van kritiek op het rooms-katholicisme treffen we aan op bladzijde 344 en 345 van de Proeve: ‘wy heeten Jupyn, Mars, enz. Goden; en den Paus, zyn Heiligheid. niet, omdatze zulks zyn; maar, omdatze daarvoor van het blinde Heidendom, en 't misleide volk, gehouden zyn, of noch worden gehouden’.
119Zie Boddaert 1738: *7v-*8v. Vgl. ook Post 1995: 100.
120Op pagina 641 van de Proeve deelt Huydecoper mede dat van het werkwoord boelen het zelfstandig naamwoord boeler wordt afgeleid. De d in de spellingvariant boelder, die hij uit Bredero's Griane heeft aangetekend, is volgens hem een overbodige letter.
121Deze afleiding strookt niet met de hedendaagse opvatting. Tegenwoordig beschouwen we het bijvoeglijk naamwoord levendig als een afleiding van het deelwoord levend en het achtervoegsel -ig.

122Sewel (1708: 21) vraagt zich af ‘wat nut zy [t.w. de letter h] in 't woord Offerande doet’.

123Het is mij niet bekend of Huydecoper deze etymologie zelf heeft bedacht of dat hij haar heeft ontleend aan een andere taalkundige.

124De Jager (1875-1878, II: 619) merkt op dat stamelen hetzelfde is als stameren. De vorm met een r komt nog niet voor in het Middelhoogduits, maar wel in het Middelnederlands. De Jager heeft hem aangetroffen in de uit 1477 daterende Delftse bijbel.

125Michels (1935: 74) noemt Huydecopers verklaring ‘onaannemelik’. Hij vermoedt dat Vondel my bewust heeft weggelaten om een opeenstapeling van pronomina te vermijden.

126Van Lelyveld (1784: 200) is van mening dat men te kies zou zijn ‘indien men den Dichter de vryheid wilde betwisten, nu of dan honing te schryven, om te rymen op koning, wooning, belooning’.
127Van Lelyveld (1784: 200) merkt op dat de vorm honich ‘[n]iet alleen by alle onze oude, en by de beste onzer nieuwe Schryvers [...] maar ook by onze Taalverwanten’ te vinden is. Sassen (1980: 239) zegt dat de Oudgermaanse dialecten - het Gotisch uitgezonderd - zo goed als alleen maar de vorm zonder de tweede n hebben. Het Middelnederlands kent alleen de spellingen honich en hönich. Pas in het laat-Middelnederlands is de vorm honinc voor het eerst geattesteerd.

128Uit de spellingpraktijk van de Proeve blijkt dat Huydecoper - in tegenstelling tot Nylöe, Moonen en Sewel, maar in navolging van Ten Kate - de lettercombinatie kw gebruikt in plaats van qu.

129Moonen (1706: 351-352) noemt metathesis of - zoals hij het verschijnsel noemt - ‘Omzetting’ een middel voor poëten om aan de eisen die de dichtkunst aan hen stelt te kunnen voldoen. Ook Ten Kate (1723, II: 30) besteedt aandacht aan ‘Letterverzetting of plaets-ruiling van Consonanten’.
130Strikt genomen behoort metathesis niet tot het onderdeel spelling. De reden waarom ik het verschijnsel hier toch bespreek is dat Huydecoper zijn lezers met deze opmerking inzicht verschaft in de spelling van zijn tijd.
131In de oorspronkelijke tekst staat N, maar Huydecoper heeft deze fout op pagina 626 van de Proeve verbeterd.
132Vgl. 1730: 626: ‘het is zeker, datmen eer born gezeid heeft dan bron. zeer wel wordt het van Becanus verklaard, aqua Nascens: want born is eene spruit van Baaren, waarvan Geboren’.
133Vgl. 1730: 485: ‘van dit ors hebben wy nu ros’.
134Vgl. 1730: 487: ‘branden en barnen is één’.
135Vgl. 1730: 354: ‘de uitgang Ro was by de Oude Nederduitschen Re, nu Er, alsof wy in oud Duitsch wilden zeggen, met eener Yzerener garde. zo was myner, te vooren mynre, allereerst minro. enz.’. Vgl. 1730: 629: ‘terdt, is treedt; gelykmen by de ouden ook dikwils terden voor treeden, ontmoet’.

136Vgl. Sewel 1708: 193: ‘Men zegt ook [...] Om onzent wille; Om haarent wille’; Ten Kate (1723: II, 89) merkt naar aanleiding van de uitgangen wegen, halven en wille op dat ze ‘bij wijze van Adverbia's, agter de Pronom: Possessiva met T tusschen in, of ook wel agter de Subst: met S tusschen in, geschikt worden’.
137Vgl. Van Lelyveld 1784: 351: ‘Het is klaar te zien, dat in het woord Ordenlijk, eerst de T is ingevoegd, om de stevigheid der uitsprake; naderhand heeft men, ter wegneminge van de hardheid, door de drie op een volgende consonanten veroorzaakt, eene E tusschen beide gebracht, en dit heeft aanleiding gegeven, om dit woord uittespreken ordentelijk; geen schryver van waarde behoort dit te volgen’.
138Vgl. 1730: 601: de rijmwoorden ‘Vangen en Ontfangen, waarvoormen behoort te schryven, ontvangen [...] komen by allen voor, zelfs ook by de zulken, die het naauwkeurig in andere woorden vermyden; en die ons zelfs zouden veroordeelen, indien wy vonken rymden op ontfonken, of vouwen op ontfouwen’.
139Vgl. Ten Kate 1723, II: 469: ‘Ontvangen, of liever (na de ware Euphonie en gebruikelijke uitspraek, vermits 'er de scherpe T, voorgaet) Ontfangen’.
140Vgl. Sewel 1708: 19: ‘Men speldt in 't gemeen Ontfangen, dóch liever zag ik dat men spelde ontvangen, gelyk men schryft, ontvonken, ontvouwen; omdat zulks met de eygenschap van 't woord beter overeenkomt’.

141Met het oog op buitenlanders die Nederlands leren, acht Moonen (1706: 14) het gebruik van x in plaats ks in woorden als zulx, schrix, blyx, ryx ‘ondienstigh’, want ‘schryft men, de staet des ryx, zoo zal een vreemdeling zoo licht niet verstaen, dat ryx koomt van ryk, dan of men ryks schreef. Dus zal ook een uitlander lichter zien, dat schriks komt van schrik, en blyks van blyk, dan of 'er schrix en blyx stond. Derhalve is best, dat men Ks in het spellen van zulke woorden, die ze uit hunnen aart vereischen, behoude’. Moonen doet hier een beroep op het ‘oirsprongkelykheitsprincipe’ (zie Schaars 1988: 85-87).

142In de ‘Eerste bladwijzer, van woorden en zaaken’ zijn beide suffixen opgenomen onder het lemma ‘uitgang’ (1730: 665).
143Vergelijk verder: duurzaam, gehoorzaam, heelzaam, leerzaam (1730: 596, 623-624) en zeldsaam (1730: 207), toefsaam (1730: 637).
144Vgl. Moonen 1706: 16-17; Sewel 1708: 26; Ten Kate 1723, II: 87.
terug  begin  verder