terug  begin  verder
[p. 155]

7 Etymologia (woordsoortenleer)

7.1 Inleiding

In de Nederlandstalige spraakkunstige traditie is de etymologia doorgaans het omvangrijkste onderdeel.1 Onder etymologia verstaat men gedurende de zeventiende en in het begin van de achttiende eeuw de woordsoortenleer.2 Daarnaast krijgt de term etymologia in de loop van de achttiende eeuw de tegenwoordig nog gangbare betekenis van ‘woordafleidkunde’ (vgl. Knol 1977: 79). Aan deze betekenis zal in dit hoofdstuk worden voorbijgegaan; er wordt uitsluitend gesproken over etymologia als ‘woordsoortenleer’.

Welke woordsoorten werden er aan het begin van de achttiende eeuw door grammatici onderscheiden? Evenals een aantal voorgangers heeft Moonen het aantal woordsoorten dat binnen het Nederlands bestaat, vastgesteld op negen; zij zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Ter vergelijking zijn tevens de Latijnse benamingen en de door Sewel en Ten Kate gehanteerde termen voor de woordsoorten vermeld.3

Latijn Moonen 1706 Sewel 1708 Ten Kate 1723
articulus Geslachtwoord Lédeken Naemlid / Leed-woordtje
nomen Naemwoord Naamwoord Naemwoord
pronomen Voornaemwoord Voornaamwoord Voornaemwoord
verbum Werkwoort Werkwoord Werk-woord
participium Deelwoort Deelwoord Deelwoord
adverbium Bywoort Bywoord By-werk-woord
coniunctio Voegwoort tZamenvoegsel Koppelwoord
prepositio Voorzetsel Voorzetsel Voorzetsel
interiectio Tusschenwerping Tusschenwerpsel Tussenwerpsel

Moonen heeft de negen door hem genoemde woordsoorten verdeeld in twee groepen: de ‘Veranderlyke’ en de ‘Onveranderlyke’. Tot de eerste categorie rekent hij de lidwoorden, naamwoorden, voornaamwoorden, werkwoorden en deelwoorden, terwijl de bijwoorden, voegwoorden, voorzetsels en tussenwerpsels voor hem ‘Onveranderlyk’ zijn (Moonen 1706: 45).4 Sewel komt tot dezelfde tweedeling als Moonen: de eerste vijf in de bovenstaande tabel opgenomen woordsoorten noemt hij ‘veranderlyk’, de laatste vier ervan ‘meerderdeels onveranderlyk’ (Sewel 1708: 37). Deze tweedeling komen we ook tegen bij Ten Kate, met dit verschil dat hij in tegenstelling tot zijn voorgangers niet spreekt van woordsoorten die ‘veranderlyk’ of ‘onveranderlyk’ zijn, maar van woordsoorten die ‘Verbuiglijk’ dan wel ‘Onverbuiglijk’ zijn (1723, I: 324).

[p. 156]

De negen woordsoorten of - zoals Ten Kate (1723, I: 321) ze aanduidt - ‘Algemeene Deelen eener Reden’ vormen het onderwerp van de tiende discussie tussen de gesprekspartners N. en L.N. noemt twee redenen waarom hij vindt dat de woordsoorten nader beschouwd dienen te worden. Ten eerste komen ‘die Taeldeelen’ - met uitzondering van de lidwoorden - voor in de talen van ‘alle Volkeren’, ten tweede is het voor N. buiten kijf dat in de woordsoorten ‘een Philosophische scheiding onzer Denkbeelden’ besloten ligt. Met behulp van de woordsoorten zijn we namelijk in staat al onze gedachten onder woorden te brengen. Nadat L. te kennen heeft gegeven dat hij dezelfde mening is toegedaan, zet hij zijn visie op de ‘Algemeene Deelen’ uiteen. Daarbij vermeldt hij onder andere dat wij naast het nomen, het verbum, het adjectivum en het adverbium - de ‘natuerlijke Deelen’ waaruit onze denkbeelden bestaan - verder de beschikking hebben over ‘het Pronomen, & Participium, de Praepositio, Conjunctio, Interjectio, & Articulus’. Deze zes woordsoorten worden door L. beschouwd als nuttige woordsoorten die in de loop der tijd zijn ingevoerd om onze gedachten gemakkelijk te verwoorden (1723, I: 322).

 

In dit hoofdstuk worden de negen woordsoorten besproken die Moonen, Sewel en Ten Kate in hun respectieve grammaticale geschriften hebben behandeld. Achtereenvolgens zullen de volgende woordsoorten worden besproken: lidwoord, naamwoord, voornaamwoord, werkwoord, deelwoord, voegwoord, bijwoord, voorzetsel, tussenwerpsel. De bespreking van deze negen woordsoorten verloopt steeds op dezelfde wijze. Nadat in de eerste paragraaf een definitie en een omschrijving van de betreffende woordsoort is gegeven, worden in de daaropvolgende paragrafen verschillende eigenschappen of - met een Latijnse term - accidentia van de betreffende woordsoort nader belicht. Deze informatie, bijeengebracht tegen de achtergrond van wat Huydecoper in de Proeve over de verschillende woordsoorten heeft opgemerkt, dient ter verklaring van Huydecopers taalkundige informatie op het gebied van etymologia. Duidelijk zal worden dat hij slechts een selectie van de ter beschikking staande grammaticale informatie in de Proeve heeft verwerkt. De - af en toe schaarse - opmerkingen die hij heeft gemaakt over één van de negen onderscheiden woordsoorten, worden geplaatst tegen de achtergrond van wat de grammatici Moonen, Sewel en Ten Kate erover hebben opgemerkt. Op basis hiervan kunnen er conclusies worden getrokken over traditionele en vernieuwende elementen in Huydecopers grammaticale opmerkingen ten opzichte van deze drie voorgangers.

1Vgl. Dibbets 1977b: 51 en Knol 1977: 81.
2Voor een grondig overzicht van de voorgeschiedenis en de terminologie van de daarin behandelde woordsoorten, zie Dibbets 1995.
3De meeste spraakkunsten uit de achttiende eeuw vermelden negen woordsoorten; aan het eind van de achttiende eeuw beschouwt men het bijvoeglijk naamwoord steeds vaker niet langer als een subcategorie van de naamwoorden maar als een afzonderlijke woordsoort. Het totale aantal woordsoorten bedraagt dan tien (Knol 1977: 87).
4Het lijkt erop dat voor Moonen het verschil tussen ‘Onveranderlyke’ en ‘Veranderlyke’ woorden niet zozeer ligt in het geslacht of in de naamval, maar in het getal. Deze conclusie zouden we kunnen trekken naar aanleiding van pagina 305 van Moonens spraakkunst waar hij voorzetsels omschrijft als ‘Woorden, die met andere geen Getal onderworpen zyn’.
terug  begin  verder