terug  begin  verder

7.2 Lidwoord

7.2.1 Definitie en omschrijving

Van de negen door Moonen onderscheiden woordsoorten heeft hij - in het tiende kapittel - de lidwoorden als eerste besproken. Moonen heeft deze zogeheten ‘Geslachtwoorden’ als volgt gedefinieerd:

De Geslachtwoorden5 zyn Woordekens,6 die, in onze spraeke vooraengezet, het Geslacht des volgenden Naemwoorts of Deelwoorts bekent maeken.
(1706: 45)
[p. 157]

Het bovenstaande blijkt - wat voor bijna het gehele hoofdstuk over de lidwoorden geldt - letterlijk vertaald te zijn uit Schottelius' Ausführliche Arbeit Von der Teutschen HaubtSprache uit 1663 (Schaars 1988: 137). Het lidwoord wordt in deze definitie niet beschouwd als een zelfstandige syntactische eenheid, maar - en dat was niet ongebruikelijk in Duitse spraakkunsten uit de zestiende en de zeventiende eeuw - verbonden met een eigenschap van het zelfstandig naamwoord (en van het deelwoord). Het voornaamste kenmerk van ‘Geslachtwoorden’, besloten in de technische term zelf, is namelijk het aanduiden van het genus van de afzonderlijke woorden van de lidwoorden.

Het Latijnse begrip ‘Articuli’ is door Sewel vertaald met ‘Lédekens’ (1708: 37).7 Een definitie ervan wordt in zijn Nederduytsche spraakkonst niet aangetroffen. Wel heeft Sewel opgemerkt:

De Lédekens dienen om een onderscheyd te maaken in de Geslachten, en de Naamvallen, en zyn De, Het, Een.
(1708: 37)

Lidwoorden zijn voor Sewel dus niet alleen noodzakelijk om het geslacht kenbaar te maken - zoals Moonen in zijn definitie had aangegeven - maar de onderscheiden vormen ervan dienen tevens als kenteken van verschillende naamvallen. Ook in Sewels grammatica wordt het lidwoord gerelateerd aan eigenschappen van het zelfstandig naamwoord.

Naast het Latijnse woord ‘Articuli’ heeft Ten Kate in het eerste deel van zijn Aenleiding drie Nederlandse termen gebezigd om te verwijzen naar de woordsoort die wij aanduiden als lidwoorden. Op bladzijde 333 spreekt hij van ‘Voorleden’,8 vijf pagina's eerder van ‘Naem-leden’ en van ‘Leed-woordtjes’ (1723, I: 328).9 Lidwoorden zijn door Ten Kate gekarakteriseerd als:

een soort van Pronomina10 die men bij Oude Talen zelden vind, dog die thans bij de meeste spraken van Europa gebruikt worden.11
(1723, I: 323)

Het antwoord op de vraag waarom Ten Kate de lidwoorden heeft opgevat als een soort voornaamwoorden, is te vinden op bladzijde 354 waar hij bij monde van L. over de oorsprong van de lidwoorden opmerkt:

't Is zoo, dat ze [t.w. de ‘Articuli EEN en DE’, RdB] zo wel bij de Anderen, als bij Ons en onze vermaegtschapte <verwante> Talen, van het Pronomen Numerale, en het Demonstrativum ontleent zijn.12

Doordat lidwoorden gesproten zijn uit voornaamwoorden, gedragen zij zich in bepaalde opzichten als zodanig. Zo blijkt het voor de verbuiging van (bijvoeglijke en zelfstandige) naamwoorden geen verschil te maken of de nomina door een bepaald lidwoord of door een

[p. 158]

bezittelijk voornaamwoord voorafgegaan worden.13 Een verschil tussen het bepaald artikel en het aanwijzend voornaamwoord - ‘Die of Dat’ - is, dat bij het lidwoord het accent ligt op het naamwoord dat erop volgt, terwijl ‘de nadruk van de gedagten, en tevens ook van de stem’ altijd valt op het aanwijzend voornaamwoord (1723, I: 342).14

Welke functie lidwoorden vervullen, heeft Ten Kate uitgelegd op pagina 323 van het eerste deel van de Aenleiding:

Deze strekken om den netten zin <precieze betekenis> en opzigt op <aandacht voor> de min- of meer-bepaeltheid der woorden duidelijk te onderscheiden;15 terwijle zulks in 't Latijn, vermits <omdat> de Articuli aldaer geen plaets hebben,16 uit de Omstandigheden moet gegist worden.
(1723,I: 323)

De bovenstaande aanhaling leert dat voor Ten Kate de lidwoorden niet zozeer dienen om het geslacht of de naamval van een volgend zelfstandig naamwoord kenbaar te maken, als wel om aan te geven dat substantiva hetzij in een bepaalde hetzij in een onbepaalde betekenis opgevat moeten worden.17

Huydecoper heeft in de Proeve drie termen gebezigd om te verwijzen naar de woordsoort die wij tegenwoordig lidwoorden noemen. Vier maal treffen we daarvoor ‘Ledeken’ of ‘ledeken’ aan,18 een term die hij vermoedelijk in navolging van Sewels Nederduytsche spraakkonst gebruikt heeft.

Het woord Ledeken heeft in de Proeve niet alleen de betekenis ‘lidwoord’ maar kan ook ‘klein woord’ beduiden,19 getuige de woorden: ‘Voorzetsel, Voorvoegsel, Tusschenwerpsel, enz. dat Ledekens zyn, alleen gebruikelyk om voor of tusschen andere woorden gezet, gevoegd, en geworpen te worden’ (1730: 412) en ‘het Ledeken Te’ (1730: 558).20

Vaker dan ‘Ledeken’ treffen we in de Proeve de nog altijd gangbare benaming ‘Lidwoord’21 aan, een term die aan het eind van de zeventiende eeuw in gebruik is gekomen, maar pas in de jaren negentig van de achttiende eeuw nagenoeg algemeen is aanvaard (Dibbets 1974: 128). Expliciet heeft Huydecoper drie woorden als zodanig aangeduid: de,22

[p. 159]

het23 en een.24

De term ‘Artikel’ wordt in de Proeve driemaal gevonden, alle keren in een aantekening bij vers 1102 van het zevende boek van Vondels Herscheppinge - ‘Eerst oorsprong en begin van alle mynen rouwe’. Daarin heeft Huydecoper een gedeelte uit Hoofts negende ‘Waerneming op de Hollandsche tael’ aangehaald: ‘AL voor 't Artikel schynt niet gedeclineert te willen zyn, want Hy deed Alle den arbeidt, wordt niet gezeidt, maar, Hy deed Al den arbeidt, enz.’ (1730: 364), waarna Huydecoper het woord ‘Artikel’ nog twee keer geschreven heeft (zie 7.3.9.6).

In die zelfde aantekening heeft Huydecoper gesteld dat het voor de verbuiging van een bijvoeglijk naamwoord geen verschil maakt of het voorafgegaan wordt door of volgt op een lidwoord dan wel een voornaamwoord (zie 7.3.9.6):

Het voornaamwoord, Myn, Uw, enz. heeft hier de zelfde uitwerking, als het Lidwoord of Artikel, De, Een
(1730: 364)

Voornaamwoorden hebben niet alleen dezelfde ‘uitwerking’ op adjectiva als lidwoorden, ze kunnen ook dezelfde plaats in een substantiefgroep innemen.25 Zo heeft Huydecoper bij vers 191 van het zevende boek van de Herscheppinge - ‘Gelyk het kint, in 't lyf der moeder uur op uur’ - aangetekend dat Vondel tijdens het dichten veelvuldig van deze eigenschap gebruik gemaakt heeft:

zo gebruikt Vondel honderdmaalen het lidwoord De, in plaatse van het Betrekkelyke Voornaamwoord Zyn, Haar, enz. doorgaands, gelyk hier, met bevalligheid; maar ook wel een enkele reis met verduistering van den zin.26
(1730: 344)

Wanneer er sprake is van zelfstandige naamwoorden die een familierelatie tot uitdrukking brengen - Huydecoper spreekt van ‘benaamingen van maagschap’ - mag het lidwoord alleen in de derde persoon gebruikt worden:

noit zal iemand, zelf spreekende van Zyn Vader, Moeder, Zuster, enz. zeggen, DE Vader; altyd MYN Vader, of enkelyk, Vader. Alsmen tot iemand spreekt, zegtmen noch Vader, noch DE Vader; maar altyd UW Vader. Alsmen van iemand spreekt, zegtmen onverschillig <zonder dat het verschil maakt> of ZYN Vader, of DE Vader
(1730: 420)

De gegevens uit dit citaat kunnen als volgt schematisch worden weergegeven:

  Persoon    
eerste (‘zelf’) * de vader myn vader vader
tweede (‘tot’) * de vader uw vader * vader
derde (‘van’) de vader zyn vader ?

7.2.2 Aantal; Bepaald - Onbepaald

Moonen heeft onderscheid gemaakt tussen het ‘Bepaelende of Eigentlyke’ en het ‘Nietbepaelende of Oneigentlyke’ lidwoord (1706: 45). Als bepaald lidwoord, ‘door wiens voorzetting een gemeen Naemwoort op een zeker ding of persoon geduidt, en dus iet zekers

[p. 160]

benoemt wordt’ worden de en het aangemerkt. Wordt een dergelijk naamwoord voorafgegaan door een onbepaald lidwoord, dan wordt ‘het gemeene Naemwoort by zyne ruime beduidenis gelaeten’, dan blijft het met andere woorden ‘onbepaelt’ (1706: 45). Over de lidwoorden die tot deze laatste categorie gerekend dienen te worden, verschaft Moonens spraakkunst weinig duidelijkheid. Op bladzijde 45 heeft Moonen er drie vermeld: ‘Een, Eene, Een’. Deze indeling is gebaseerd op de functie van het lidwoord om het woordgeslacht van het erop volgend zelfstandig naamwoord aan te duiden.27 Omdat aan deze functie, waarbinnen drie genera onderscheiden worden, geen drie verschillende vormen beantwoorden, heeft Moonen elders in zijn spraakkunst slechts twee ‘Nietbepaelende’ lidwoorden genoemd: ‘Een’ en ‘Eene’.28

 

Sewel heeft in zijn grammatica voor het Nederlands drie lidwoorden onderkend: ‘De, Het, Een’ (1708: 37). In tegenstelling tot Moonen heeft hij het onderscheid tussen bepaalde en onbepaalde artikelen onbesproken gelaten.

 

Evenals Sewel is Ten Kate tot een totaal van drie lidwoorden gekomen. Daarvan zijn de en het ‘Bepalend’ en wordt een aangeduid als ‘het Onbepaelende Voorlid’.29 De ‘Articulus EEN’ wordt gebruikt om ‘slegts zoodanig een zaek, of één van die in 't bijzonder aen te duiden, zonder nogtans deze of die te bepalen; hoewel met eenen den nadruk der gedagten willende gevest hebben op de benaemde zaek, en niet op de eenheid <en niet op het feit dat er slechts één van bestaat>, schoon in 't enkele getal gesproken word’, terwijl de ‘Articulus DE in Masc: en Foem: of HET in Neutr:’ dient om ‘deze of die zaek zelf aen te wijzen; zonder nogtans des toehoorders of Lezers aendagt te dringen op het onderscheid van deze of die, dog in tegendeel den nadruk overlatende voor de benaemde zaek’ (1723, I: 342).30

 

Zoals in de vorige paragraaf bleek, bestond de categorie lidwoorden voor Huydecoper uit de, het en een. De eerste twee zijn door hem gekenschetst als ‘bepaalende’ lidwoorden.31 Huydecoper heeft veel waarde gehecht aan een correct gebruik daarvan. Om die reden heeft hij zich gestoord aan de wijze waarop Vondel er in de Herscheppinge mee omgesprongen is:

Het gebruik der bepaalende Lidwoorden, het en de, is van grooten nadruk <bijzonder krachtig>, zo zy wel <correct> geplaatst zyn. doch in dit werk zyn zy zeer achteloos, nu kwaalyk uitgelaaten, dan weder kwaalyk uitgedrukt.
(1730: 69)

7.2.3 Geslacht

Gegevens over deze eigenschap van het lidwoord komen aan de orde bij de bespreking van het zelfstandig naamwoord (zie 7.3.5.3).

[p. 161]

7.2.4 Getal

Moonen heeft vijf regels opgesteld die betrekking hebben op lidwoorden. In de tweede ervan heeft hij gewezen op het ontbreken van een meervoud bij het onbepaald lidwoord: ‘Het Nietbepaelende Geslachtwoort heeft geen Meervouwigh Getal’ (1706: 45),32 dit in tegenstelling tot het ‘Bepaelende Geslachtwoort’.

Deze opmerking is eveneens te vinden in Sewels grammatica: ‘Het Lédeken Een is alleen van het Eenvoudig getal’ (1708: 39).

Ten Kate heeft de volgende verklaring gegeven voor het ontbreken van een meervoud bij het lidwoord een:

De gantsche Pluralis ontbreekt hier [...] uit de natuer der zake, aengezien de volstrekte meerderheid bij den Articulus EEN word uitgesloten, hoewel de Eenheid niet met nadruk gemeent word.33
(1723, I: 337)

Over het accidens getal doet Huydecoper met betrekking tot het lidwoord geen expliciete uitspraak.

7.2.5 Naamval

In het tiende hoofdstuk van zijn Nederduitsche spraekkunst heeft Moonen paradigma's geleverd van de verbuiging van het bepaald lidwoord. Op pagina 46 wordt eerst de declinatie van het enkelvoud getoond:

  Enkelvoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. de de het
2. des der des
3. den de / der het / den
4. den de het
5. o o o
6. van den van de / der van het / den

Hierna volgen de onderling nagenoeg identieke rijtjes voor het meervoud:

  Meervoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. de de de
2. der der der
3. den de den
4. de de de
5. o o o
6. van den van de van den

Op één punt wijkt de bovenstaande informatie af van de paradigma's die Moonen geeft in het twaalfde kapittel - lidwoord met bijvoeglijk naamwoord - en in het achttiende kapittel

[p. 162]

- lidwoord met bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord. Het betreft de zesde naamval meervoud. Is van de op bladzijde 46 voorbehouden aan het vrouwelijk geslacht,34 verderop in de Nederduitsche spraekkunst wordt die vorm ook voor de andere twee genera voorgeschreven (1706: 54 en 1706: 113-114).

Het tiende hoofdstuk wordt op pagina 47 besloten met schema's van de declinatie van het onbepaald lidwoord:

  Onbepaald lidwoord    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. een eene een
2. eens eener eens
3. eenen eene / eener een / eenen
4. eenen eene een
5. o o o
6. van eenen van eene / eener van een / eenen

waarbij aangetekend kan worden dat Moonen op bladzijde 114 in de tweede naamval enkelvoud van het onzijdig geslacht naast ‘eens’ ook ‘van een’ toestaat.35

De ‘Lédekens’, aldus Sewel (1708: 38): ‘zyn onderworpen aan de Buyginge, welke eene verandering is van den uytgang eens woords, in zekere Naamvallen, die de Latynsche Spraakmeesters in zessen verdeeld’ hebben. Hoe de lidwoorden in deze zes naamvallen worden verbogen, kunnen degenen die Sewels Nederduytsche spraakkonst raadplegen, aflezen uit de op pagina 38 en 39 afgedrukte paradigma's. Voor het enkelvoud luiden die als volgt:

  Enkelvoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. de de het
2. des / van den der / van de des
3. den / aan den der / aan de het / den
4. den de het
5. o de o de o het
6. van den van de van het / van den

In deze schema's zijn niet alle mogelijke verbuigingen van het bepaald lidwoord vervat. Zo blijkt uit het paradigma van het in combinatie met een onzijdig zelfstandig naamwoord dat in de tweede naamval niet alleen des maar ook van 't gebruikt mag worden: ‘Gen. Des Gelds óf Van 't Geld’ (1708: 97)36 en dat naast het / den in de derde naamval enkelvoud ook de vorm aan 't mogelijk is.37

Voor het meervoud gelden de volgende verbuigingen:

[p. 163]

  Meervoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. de de de
2. der der der
3. den / aan de aan de den
4. de de de
5. o de o de o de
6. van de van de van de

Met deze paradigma's heeft Sewel opnieuw niet alle mogelijkheden vermeld. Bij de verbuiging van het bepaald lidwoord met een vrouwelijk zelfstandig naamwoord heeft hij in de derde naamval meervoud naast aan de - de enige op pagina 39 genoemde vorm - den toegestaan.38 Onzijdige zelfstandige naamwoorden kunnen in de derde naamval voorafgegaan worden door den of door de alternatieve vorm aan de (1708: 39 en 97).39

Het onbepaald lidwoord behoort volgens Sewel op de volgende wijze verbogen te worden:

  Onbepaald lidwoord    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1. een eene een
2. eens eener eens
3. eenen eene een / eenen
4. eenen eene een
5. o een o eene o een
6. van eenen van eene van een / eenen

Als nevenvorm voor de derde naamval mannelijk enkelvoud - eenen - heeft Sewel in het paradigma van lidwoord met zelfstandig naamwoord aan eenen opgenomen,40 terwijl we voor deze naamval in het vrouwelijk enkelvoud in het paradigma van lidwoord en bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord aan eene in plaats van eene aantreffen.41

Vergelijken we de paradigma's van het lidwoord op bladzijde 38 en 39 met de verbuiging van het lidwoord gevolgd door een (bijvoeglijk en een) zelfstandig naamwoord, dan treedt als opvallendste verschil voor het voetlicht dat Sewel in de vocativus of vijfde naamval - ongeacht geslacht of getal - in het eerste geval wèl een vorm van het lidwoord gegeven heeft maar deze in het tweede geval achterwege gelaten heeft.42

In de elfde dialoog tussen N. en L. heeft Ten Kate de twee sprekers uit de Aenleiding van gedachten laten wisselen over de lidwoorden, in het bijzonder over de verbuiging ervan. Deze verbuiging blijkt verschillend te zijn voor elk van de drie door Ten Kate onderscheiden stijlen: de ‘Hoogdravende of Verhevene’, de ‘Deftige of Statige’ en de ‘Gemeenzame Stijl’; deze stijlen worden op de volgende wijze omschreven:

De Eerste zweemt na 't oude gebruik, als vervattende iet ongemeens <ongewoons>, dat niet dan bij Geleerden te regt <op de juiste wijze> behandelt, hoewel van minder geoeffenden, mits in
[p. 164]
Letterstoffe <grammatica, taalkennis> niet ten eenemael onbedreven zijnde, nog wel verstaen kan worden.
De Tweede komt iets nader aen de daeglijkse gewoonte, dog houd zig egter aen de volledige en regelmatige orde <volgorde> en deftigheid <statigheid> des gezegs <van de wijze van uitdrukken>, zonder zig veelvoudig van Metaplasmata (Afpadigheden <afwijkingen ten opzichte van het normale taalgebruik>) en inkortende wijzen <uitdrukkingswijzen waarbij een gedeelte is weggelaten> te bedienen.
De Laetste bekreunt zig niet zeer met <bekommert zich niet om> de voorgaende opmerkingen, maer voegt zig, op een vrijer voet, na de daeglijksche Taelvoering <wijze van spreken> en Spreektrant, zonder te schroomen voor Inkortingen <weglatingen>, zo de Euphonie (Welluidendheid) zulks verkiest; en zonder te naeuw gezet te zijn op de uiterste gere[ge]ldheid <alle grammaticale regels> en opschik <opsmuk>; verre nogtans van zoo los en ongeschikt <onverzorgd> te loopen, als die platte Spreek- en Straet-tael, die met de bewoordingen omspringt, even als een dozijnwerker met zijne waren, die ze goed genoeg agt, zo ze slegts aan den man willen, en gangbaer zijn voor 't onkundigste gemeen.
(1723,I: 334)

L. heeft er bij zijn gesprekspartner N. op aangedrongen dit onderscheid niet al te strikt te hanteren, want in de ‘Hoogdravende’ stijl kan men zich bijvoorbeeld ‘met goede bevalligheid’ van elementen uit de ‘Deftige’ stijl bedienen. Sterker nog, ‘zij beiden konnen door inkortinge de gedaente van den Gemeenzamen aennemen, zo wanneer of de Verandering, of 't Vermogen van den Adem, of de Toonsluiting <ritme> (cadence), die in 't leiden van de Stem moet waergenomen worden, zulks vereischen mogte’. De aanduidingen ‘Hoogdravend’, ‘Deftig’ en ‘Gemeenzaem’ hebben daarom alleen betrekking op ‘dien trant en behandeling die in 't werk allermeest doorspeelt en heerschende is’ (1723, I: 335), met andere woorden het verschil is niet absoluut maar gradueel.

 

Vervolgens heeft L. uit ‘het Gebruik van Spreken en Schrijven zo als ik het bij de gemanierdsten en besten, naar eisch van ijders Stijl heb nagespeurt’ (1723, I: 335) voorbeelden gegeven van de verbuiging van ‘een Bepalend Voorlid’ of ‘een Pronomen Possessivum (Bezittelijk Voornaemwoord)’ met een bijvoeglijk en een zelfstandig naamwoord.43 Daaruit kunnen de volgende paradigma's van de bepaalde lidwoorden de en het afgeleid worden:44

  Mannelijk    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. de de de
2. des van den van den
3. aen den / den aen den / den aen den / den
4. den den den
5.      
6. van den van den van den

[p. 165]

  Vrouwelijk    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. de de de
2. der / van de van de van de
3. der / aen de / de aen de / de aen de / de
4. de de de
5.      
6. der / van de / van de van de
  van der    

  Onzijdig    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. het het het
2. des van het van het
3. aen het / het / den aen het / het aen het / het
4. het het het
5.      
6. van het / den van het van het

Met betrekking tot de derde naamval enkelvoud (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig) heeft Ten Kate opgemerkt dat het voorzetsel aan vandaag de dag altijd geschreven dient te worden wanneer ‘de Dativus voor een waerlijke <daadwerkelijke> aenhechting gebruikt word’, zoals in ‘Het hangt aen den spyker’. Is dat niet het geval - Ten Kate spreekt dan van een zogeheten ‘Dativus Absolutus’ of ‘ongebondene Dativus’ - dan hoeft aan niet per se geschreven te worden (1723, I: 340).

In het meervoud hoeft het bepaald lidwoord niet uitgesplitst te worden naar mannelijk, vrouwelijk en onzijdig; voor alle geslachten geldt dezelfde verbuiging.45

  Meervoud    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. de de de
2. der / van de der / van de van de
3. aen de46 aen de aen de
4. de de de
5.      
6. van de van de van de

Het spreken en schrijven van de ‘gemanierdsten en besten’ heeft ook model gestaan voor Ten Kates voorbeelden van verbuiging van ‘het Onbepaelende Voorlid EEN’ gevolgd door een bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord. Uitgesplitst naar stijl kunnen we op grond daarvan de volgende paradigma's destilleren:

  Mannelijk    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. een een een
2. eenes van eenen van een
3. aen eenen aen eenen aen een
4. eenen eenen een
5.      
6. van eenen van eenen van een

[p. 166]

  Vrouwelijk    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. eene eene een'
2. eener van eene van een'
3. eener / aen eene aen eene aen een'
4. eene eene een'
5.      
6. eener / van eene van eene van een'

  Onzijdig    
naamval Hoogdravend Deftig Gemeenzaem
1. een een een
2. eenes van een van een
3. eenen / aen een eenen / aen een aen een
4. een een een
5.      
6. eenen / van een eenen van een van een

Bij de verbuiging van lidwoorden heeft Huydecoper in de Proeve niet vaak stilgestaan. Enerzijds omdat hij zich in grote lijnen zal hebben kunnen vinden in de paradigma's die geboden werden in het werk van ‘Taalmeesters’ en ‘Spraakkunstschryvers’, anderzijds omdat Vondels vertaling van Ovidius' Herscheppinge hem daartoe slechts een enkele maal aanleiding gaf, zoals vers 945 van het tweede boek: ‘Een eer des ommegangs en van haer feestgenooten’. In de aantekening bij deze versregel schrijft Huydecoper dat men ‘in den gemeenen styl’ doorgaans een omschrijving met van gebruikt ‘om den tweeden naamval, of Genitivus, uit te drukken’. Voor deze gewone taal liep hij niet warm, zijn belangstelling ging primair uit naar ‘de taale der Dichteren, die zekerlyk een' andren styl eischt, dan de dagelyksche spreektrant’ (1730: 169-170). Wie de Parnassus wilde bestijgen, moest volgens Huydecoper niet van de, van myne, van uwen, van alle schrijven maar ‘liever’ naamvalsvormen als der, myner, uwes, aller gebruiken, ‘dat veel deftiger is dan het ander. het welk mede van den Hr. Ten Kate aangemerkt is’ (1730: 170).

Over de derde naamval van het lidwoord maakt Huydecoper een opmerking naar aanleiding van het eerste gedeelte van vers 602 van het achtste boek van Vondels Herscheppinge, dat als volgt luidt: ‘z'Ontweldigen de maeght den jaghtprys’. Om dubbelzinnigheid te vermijden,47 had Vondel er volgens Huydecoper beter aan gedaan der maeght te schrijven in plaats van de maeght,

gelyk ook volgens de eigenschap der Taale hadt dienen te geschieden. want het Vrouwl. Lidwoord DE,48 heeft in den Derden Naamval, AAN DE, of DER; niet alleen DE.49
(1730: 379)

Huydecoper heeft er zijn verbazing over uitgesproken dat slechts weinig schrijvers zich in de derde naamval vrouwelijk enkelvoud bedienen van der, temeer ‘daar het reeds van

[p. 167]

onze Spraakkunstschryvers aangemerkt en geleeraard <onderwezen> is’ (1730: 379). Om het gebruik van die vorm te bevorderen, heeft hij navolgenswaardige voorbeelden ervan geleverd uit geschriften van Ouden - ‘de Ouden namen dit beter in acht’ (1730: 379)50 - en van Nieuwen, ‘die dit mede, hoewel spaarzaamer, hier en daar in hunne werken ingevoegd hebben’ (1730: 379).

Vers 745 van het twaalfde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Hy spreekt Apol aen: ô de liefste van myn Neven’ - bood Huydecoper gelegenheid om te spreken over de vijfde naamval van het bepaald lidwoord. Met de taalkundigen die Huydecoper hierover had nageslagen, was hij het roerend eens:

alle onze Taalmeesters zeggen, dat het Lidwoord de den Vyfden Naamval ontbeert: 't welk waar is.51
(1730: 513)

Gelet op de voorbeeldzin uit de Herscheppinge zal Huydecopers uitspraak alleen van toepassing zijn op enkelvoudige zelfstandige naamwoorden van het mannelijk geslacht, in casu ‘Neef’. Maar het zal hem bij het raadplegen van ‘Taalmeesters’ als Moonen, Sewel en Ten Kate niet zijn ontgaan dat het lidwoord in de vijfde naamval volgens hen een vijfde-naamvalsvorm ontbeert. Hoewel het gemelde vers van Vondel in tegenspraak lijkt te zijn met de hierboven geciteerde taalregel, heeft Huydecoper diens vers niet afgekeurd. In Vondels woorden is volgens de taalgeleerde namelijk sprake van ‘een Ellipsis, of Uitlaating’. Deze ellips heeft Huydecoper stapsgewijs vervolledigd:

1. Hy spreekt Apol aen: ô de liefste van myn Neven
2. Hy spreekt Apol aen: ô Neef, de liefste van myn Neven
3. Hy spreekt Apol aen: ô Neef, (gy) die zyt de liefste van myn Neven

Over het gebruik van dergelijke ellipsen is Huydecoper gematigd positief: ‘zulke uitlaatingen zyn zeer gemeen, en brengen ook somtyds haare bevalligheid <aangenaamheid> mede’ (1730: 513), daarbij verwijzend naar een identieke opmerking die hij had gemaakt bij vers 232 van het twaalfde boek van Vondels Herscheppinge.52

Naar aanleiding van de verzen 230 en 231 van het vierde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Uit groote onsteltenisse ontschoten zyne hant De tang en hamer, en de herssens het verstant’ - heeft Huydecoper op bladzijde 221 van de Proeve opgemerkt: ‘liever zag ik hier, den herssenen 't verstant: als staande in den Derden Naamval’. Omdat het woord hersenen een plurale tantum is, valt niet uit te maken of het eraan voorafgaande lidwoord den de derde naamval meervoud is van het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig geslacht - zoals bij Sewels grammatica het geval is - of alleen van het mannelijk en onzijdig - waarvoor Moonen en Ten Kate tot voorbeeld gestrekt kunnen hebben.

Als we de mededelingen die Huydecoper in de Proeve over de verbuiging van het bepaald lidwoord heeft gedaan, in een schema verwerken, wordt goed zichtbaar dat hij vergeleken bij zijn voorgangers lang niet volledig is. Deze onvolledigheid hangt nauw samen met het

[p. 168]

doel dat Huydecoper met het schrijven van zijn boek voor ogen stond. Het ging hem er niet om een complete grammatica te schrijven, maar om aan de hand van Vondels Herscheppinge taalkundige kwesties aan de orde te stellen waarover bij taalgebruikers geen eenstemmigheid bestond.

  Enkelvoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1.      
2. des    
3.   der / aan de  
4.      
5. -    
6.   der [?]  

  Meervoud    
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1.      
2.      
3. den [?] den [?] den [?]
4.      
5.      
6.   der [?]  

7.2.6 Lidwoord versus telwoord

Deze paragraaf is gewijd aan de wijze waarop enkele taalkundigen het lidwoord een van het telwoord een hebben willen onderscheiden.

Binnen de klassieke grammatica werden telwoorden tot de (bijvoeglijke) naamwoorden gerekend. Om die reden hebben Nederlandse grammatici, die zich spiegelden aan hun Latijnse voorgangers, tot aan het begin van de negentiende eeuw deze woorden niet als een afzonderlijke woordsoort aangemerkt. Pieter Weiland heeft in zijn Nederduitsche spraakkunst (1805) als eerste het telwoord als een op zich zelf staand ‘rededeel’ behandeld, waarbij Adelungs spraakkunst hem waarschijnlijk tot gids gediend heeft.53

Een telwoord is volgens het WNT een ‘woord dat bij het tellen wordt gebezigd’.54 Volgens dit woordenboek is telwoord in deze algemene zin ongewoon. De enige bewijsplaats die vermeld wordt, is afkomstig uit de Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdeelen, en zinteekenen van de Nederduitsche taal (1776) van Klaas Stijl en Lambertus van Bolhuis.55 In deze betekenis heeft ook Huydecoper ongeveer een halve eeuw eerder de term telwoord, dat in de Proeve slechts één keer voorkomt, gebezigd:

Al 't lichaem was een wonde. 't welk krachtiger en nadrukkelyker zou weezen aldus, Al 't lyf was ééne wonde: omdat een hier een telwoord, geen Ledeken, is.
(1730: 280)

Uit dit citaat blijkt dat het woord een zowel een telwoord als een lidwoord kan zijn. Huydecoper heeft het verschil in de spelling tot uitdrukking willen brengen door een van accenten

[p. 169]

te voorzien wanneer het een getal aanduidt: één. Op diverse plaatsen in de Proeve heeft hij deze spelling in praktijk gebracht.56

Huydecoper is zeker niet de eerste geweest die in de spelling onderscheid heeft willen maken tussen een als telwoord en een als lidwoord. Hij heeft dit mogelijk ontleend aan de door hem bewonderde Andries Pels, die in de voorrede tot zijn Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tyden, én zéden gepast (1677) had geschreven:

En omdat 'er dikmaalen twyfel valt, waar het woord een maar een lédeken is, óf waar het een getal beduidt, schryf ik altyd één, wanneer het iets anders beteikent, als het lédeken, alwaar men beide de ee, als óf het maar eene doffe e was, klinken hoort, wélk onderscheid ik in andere diergelijke klanken, om de onnoodzaakelykheid, nalaat.57

Sewels Nederduytsche spraakkonst kan eveneens als bron hebben gediend: ‘Dóch dat men één, als 't het getal betekent, met klanktekens merkt, tót onderscheydinge van 't Lédeken een, keur ik goed’ (1708: 12). Ook de Aenleiding (1723) van Ten Kate komt als bron in aanmerking. Naar aanleiding van nummer 37 van de door hem uitgegeven Waernemingen op de Hollandsche tael van P.C. Hooft,58 heeft Ten Kate in een noot opgemerkt: ‘Bij EEN, Articulus zijnde, kan ik niet zien dat een accentus gravis te passe komt, vermits snel over de tong loopende, dus zouden ik EEN (numerum) alleenlijk bovenstrepen, als EEN (articulus) en één (unus)’ (1723, I: 726).59

7.2.7 Besluit

In de Proeve gebruikt Huydecoper drie termen om de lidwoorden aan te duiden: ‘Ledeken’, ‘Artikel’ en ‘Lidwoord’. Tot deze woordsoort rekent hij de ‘bepaalende’ lidwoorden de en het, en het lidwoord een; het laatstgenoemde lidwoord wordt in tegenstelling tot het gelijkluidende telwoord een zonder accenten op de e gespeld.

Evenals Ten Kate merkt Huydecoper op dat er sprake is van duidelijke overeenkomsten tussen lidwoorden en bepaalde categorieën voornaamwoorden. Zo blijken bezittelijke voornaamwoorden op de verbuiging van een eropvolgend adjectief eenzelfde uitwerking te hebben als lidwoorden en kunnen lidwoorden binnen substantiefgroepen zonder bezwaar de plaats innemen van de voornaamwoorden zijn en haar.

Het is niet mogelijk op basis van gegevens uit de Proeve volledige paradigma's voor de lidwoorden op te stellen. Expliciete uitspraken over de verbuiging van lidwoorden doet Huydecoper slechts voor een beperkt aantal naamvallen. Daaruit blijkt dat hij de voorkeur geeft aan verbogen vormen als des (genitief enkelvoud mannelijk en onzijdig) en der (datief enkelvoud vrouwelijk) boven omschrijving met een voorzetsel en een lidwoord als van de

[p. 170]

respectievelijk aan de. Eerstgenoemde vormen zijn namelijk deftiger en daardoor beter geschikt om te gebruiken in de taal van dichters.

5De benaming ‘Geslachtwoort’ had Moonen eerder gebezigd in een brief van 20 april 1703 aan David van Hoogstraten (Dibbets 1974: 129).
6Alleen in de definitie van de lidwoorden heeft Moonen zich bediend van de diminutiefvorm ‘Woordekens’; de overige acht categorieën worden omschreven als ‘Woorden’.
7Deze benaming was al bij de auteurs van de Twe-spraack (1584) in zwang en bleef dat tot in de negentiende eeuw (Dibbets 1974: 128).
8De enkelvoudige vormen ‘Voorlid’ en ‘voorlid’ zijn onder andere te vinden op pagina 335.
9Vgl. Ten Kate 1723, I: 342: ‘Naemleden, of Leedwoordtjes, of Articuli, ofte Voorleden ('t verschilt mij niet hoe men 't gelieve te noemen)’.
10Vgl. Ten Kate 1723, I: 328: ‘de Articuli die een soort van Pronomina uitmaken’.
11Eerder al had de Friese taalkundige Hilarides zich op nagenoeg hetzelfde standpunt geplaatst. In zijn Niewe Taalgronden (1705) had hij - wellicht in navolging van Varro - zowel de lidwoorden als de voornaamwoorden tot een zelfde woordsoort gerekend: de zogeheten voorledekens (Dibbets 1974: 128).
12Vgl. de woorden van N. die hieraan voorafgaan: ‘Ik heb al gemerkt, dat onze Articuli EEN en DE ontleent zijn van ons Talwoord Eén, en 't Pronomen Die; even gelijk ook van 't Latijnsche unus, una, & ille, illa gemaekt zijn die Articuli, die thans in Italiën, Spanje, en Vrankrijk in zwang gaen’ (1723, I: 354). Over de herkomst van het bepaald lidwoord het worden geen mededelingen gedaan.
13Zie de voorbeelden bij de ‘Wijze van Naembuiging <declinatie> met een Bepalend Voorlid, of met een Pronomen Possessivum (Bezittelijk Voornaemwoord)’ (Ten Kate 1723, I: 338).
14Vgl. Ten Kate 1723, I: 343: ‘De laetste beteekenis van dit Leedwoordtje [t.w. de, RdB] verschilt van het Voornaemwoord Die alleenlijk daer in, dat 'er gants geen nadruk op den Articulus valt, dog een zeer kragtige op het Pronomen’.
15Vgl. Ten Kate 1723, I: 342: waar Ten Kate zegt dat lidwoorden dienen ‘tot Voorloopers, welken, op zig zelf niets beteekende, nogtans aen andere bewoordingen zulk eene tedere <verfijnde> onderscheiding' van zin bijzetten, die bezwaerlijk, zelf door omschrijving', is uit te drukken; terwijl hunne voortogt <positie voorafgaand aan substantieven> den toehoorder verwittigt <informeert> in welken opzigt hij zijn aendagt over de zaek, die genoemt staet te worden, te vesten <vestigen> heeft’.
16Vgl. Van Hoogstraten 1700: *2v: ‘de artikelen of lidtwoorden, daer ze [t.w. de Nederlandse tael, RdB] boven de Latynsche mede voorzien is’.
17Vgl. ANS 1984: 113-120.
18Zie 1730: 181, 192, 280, 574.
19Dibbets (1974: 129) heeft op grond van uitlatingen in zeventiende- en achttiende-eeuwse taalkundige geschriften - waaronder Huydecopers Proeve - gemeend te mogen concluderen ‘dat lid, ledeke, lidwoord ook gebruikt werd in de betekenis “klein (onopvallend) woord”’. Aan de door hem opgegeven bewijsplaatsen kan de volgende uit Sewels Nederduytsche spraakkonst toegevoegd worden: ‘De Ledekens Het en Dat worden dikwils in 't meervoudig getal gebruykt’ (1708: 193).
20Het is niet duidelijk of Huydecoper de term ‘Ledeken’ die op pagina 13 van de Proeve voorkomt onder verwijzing naar bladzijde 175 van Sewels Nederduytsche spraakkonst, als ‘lidwoord’ of als ‘klein woord’ geïnterpreteerd heeft.
21Ook: ‘lidwoord’, ‘Lidwoorden’, ‘Lid-woorden’.
22Zie 1730: 36, 37, 57, 69, 88, 90, 293, 298, 344, 364, 420, 429, 525.
23Zie 1730: 69, 89.
24Zie 1730: 364, 525.
25Van den Toorn (1982: 270) rekent zowel lidwoorden als (aanwijzende en bezittelijke) voornaamwoorden tot de zogenaamde ‘tertiaire voorbepalingen’.
26Vgl. 1730: 420: ‘Het Lidwoord DE, 't welk onze Dichter dikwils keurelyk bezigt in plaats van Zyn of Haar, gelykwe kortelyk aanroerden VII. 191. maakt hier dubbelzinnig, aan welker Zuster gedacht moet worden’ en ‘zodat hier de voeten van Hector, moesten aangeduid worden door DES ZELFS voeten; of, met het Lidwoord de, DE voeten, volgens 't aangetekende VII. 191. en in 't begin deezer Aanmerkinge’ (1730: 429).

27Vgl. Moonen 1706: 257: ‘het Bepaelende [Geslachtwoort], De, Het, als het Nietbepaelende, Een, Eene, Een’. Vgl. echter 1706: 258: ‘De en Eene, Het en Een, Geslachtwoorden van het Vroulyke en Onzydige Geslachte’.
28Vgl. Moonen 1706: 47: ‘En hier voor kunnen de Geslachtwoorden Een, Eene, De, Het worden gezet’ en 1706: 48: ‘de Geslachtwoorden Een en Eene, die Nietbepaelende zyn’.
29Vgl. Ten Kate 1723,I: 333: ‘Articulus Indefinitivus EEN en Definitivus DE en HET’.
30Met deze uitspraak over het bepaald lidwoord bedoelt Ten Kate dat in de combinatie bepaald lidwoord-zelfstandig naamwoord het hoofdaccent ligt op het zelfstandig naamwoord. Zoals we hebben gezien geldt dit niet voor de opeenvolging aanwijzend voornaamwoord-zelfstandig naamwoord. In dat geval valt het hoofdaccent namelijk niet op het substantivum maar op het pronomen.
31Vgl. 1730: 57: ‘het bepaalende lidwoord, De’.

32Vgl. Moonen 1706: 47: ‘Het Nietbepaelende Geslachtwoort, dat alleen Eenvouwigh van Getal is’ en 1706: 52: ‘het Niet bepaelende Geslachtwoort, dat alleen het Eenvouwige Getal heeft’.
33Vgl. Ten Kate 1723, I: 356 waar Ten Kate met betrekking tot het lidwoord in het ‘Moeso-gottisch’ en het ‘Frankduitsch’ opmerkt: ‘De Pluralis ontbreekt 'er uit de natuer der zake’; 1723, I: 481: ‘gelijk onze Articul: EEN geenen Plur: heeft’.

34Vgl. Moonen 1706: 45: ‘Het Bepaelende Geslachtwoort is in het Meervouwige Getal in alle drie Geslachten gelyk, uitgezondert den Geever en Neemer van het Vroulyke’.
35Vgl. Moonen 1706: 114: ‘T. Eens of Des Jongen Kints, of Van Een Jong of Het Jonge Kint’.
36Vgl. 1708: 114: ‘Gen. Des Vruchtbaaren Lands, óf Van 't Vruchtbaar Land’.
37Vgl. Sewel 1708: 97: ‘Dat. Aan 't Geld’. Vgl. ook 1708: 114: ‘Dat. Den Vruchtbaaren Lande, óf Aan 't Vruchtbaar Land’.
38Vgl. Sewel 708: 86: ‘Dat. Den óf Aan de Vrouwen’. Vgl. ook 1708: 113: ‘D. Den Goede, óf aan de Goede Vrouwen’.
39Vgl. Sewel 1708: 97: ‘D. Aan de Gelden’. Vgl. ook 1708: 114: ‘D. Den Vruchtbaaren, óf Aan de Vruchtbaare Landen’.
40Vgl. Sewel 1708: 77: ‘Dat. Eenen óf Aan eenen Vrind’.
41Vgl. Sewel 1708: 113: ‘Dat. Aan eene [...] Goede Vrouwe’.
42Vgl. Sewel 1708: 38-39; 75-106; 112-116.
43Vgl. Ten Kate 1723, I: 328: waar Ten Kate zegt dat ‘de Articuli die een soort van Pronomina uitmaken, [...] dezelfde beschouwingen, en gevolglijk dezelfde gevallen van verbuigingen onderworpen zijn, van wegen de gelijkheid van aert’.
44Vgl. de onderstaande rijtjes met de twaalf ‘Ael-oude algemeene Regelen wegens de Verbuiging' en Gedaente der Artic: Definit:’ die Ten Kate op bladzijde 361 opgesomd heeft.
45Vgl. Ten Kate 1723, I: 340: ‘Pluralis door alle de Geslagten’.
46Vgl. Ten Kate 1723, I: 340: ‘Dog bij den Dat: Absol: in Hoogdr: en Deft: Stijl bij 't Mascul: & Neutr: DEN GROOTE Mannen (oulinks ook DEN GROOTEN Mannen), maer in Gemeenz: DE in steê van DEN’.
47Vgl. 1730: 378: ‘Een Leezer die alles averechts opneemt, zou konnen zeggen, dat in deeze woorden, z'ontweldigen de maagd den jagtprys, duister waare, ofze den jagtprys aan de maagd, of de maagd aan den jagtprys ontweldigden’.
48De ‘Bijvoegsels en verbeteringen’ maken duidelijk dat volgens Huydecoper het lidwoord zèlf niet vrouwelijk kan zijn. Naar aanleiding van een soortgelijke passage op bladzijde 298 van de Proeve - ‘het vrouwelyke lidwoord de’ - heeft Huydecoper namelijk opgemerkt: ‘neem hier noodzaakelyk het woord vrouwelyke uit’ (1730: 632). Lidwoorden functioneren alleen - om met Dibbets (1995: 55) te spreken - als ‘genus-aanduider’ van het erop volgende substantivum.
49Michels (1934: 681) noemt Huydecopers aantekening bij dit vers ‘typerend voor zijn logicisme’.
50Vgl. 1730: 379: ‘Doch wy willen nu de Ouden laaten berusten, dewyl het by hen algemeen is’.
51Vgl. Moonen 1706: 46: ‘De Roepende Naemval ontbreekt in alle drie Geslachten en in beide Getallen; waer voor de Roepletter O met of zonder Gy gebruikt wordt’; vgl. ook de hierboven gegeven paradigma's van Moonen, Sewel en Ten Kate.
52Op de gemelde plaats heeft Huydecoper naar aanleiding van de woorden o welspreekende oude vader, de wysheit van onze eeu opgemerkt: ‘verstaa hier, die zyt, of gy die zyt De wysheit, enz. Anders hadt hy dienen te zeggen, O wysheit van onze eeu’ (1730: 501).

53WNT XVI, 1453, s.v. telwoord, 2.
54WNT XVI, 1453, s.v. telwoord, 1.
55Op pagina 79 van de gemelde spraakkunst lezen we: ‘Het onbepaalende Voorlid, ook als Telwoord, [Een,] Eene, Een’.
56Hieronder volgen daarvan enkele voorbeelden: ‘En om alles met één woord te zeggen’ (p. **2r), ‘Spiegel heeft dit met één woord verscheiden maalen gezocht’ (p. 58), ‘indien, in 't begin van een' voet, geplaatst wordt een woord van ééne greep’ (p. 151), ‘zeer wel neemt Vondel alleman als één woord’ (p. 203), ‘dat drie zulke hoofdzaakelyke veranderingen en misslagen in de Spelling, waarvan, in duizenden van andere woorden, niet één voorbeeld te vinden is, allen zo ongelukkiglyk in dit ééne woord zouden te saamen gevloeid zyn’ (p. 319).
57Geciteerd naar Schenkeveld-van der Dussen 1973: 53.
58‘Hoe zullen wij EEN, articulum, ende EEN, numerum, onderscheiden? Misschien met bovenstelling van den accent, te weeten boven het Artikel den accentum gravem te zetten, [...] boven 't EEN numerum den accentum acutum’ (1723, I: 726).
59Vgl. Ten Kate 1723, I: 342: ‘op den Articulus EEN [moet] geen klemtoon [...] vallen, in tegenstelling' van het getalwoord Één, dat altijd en overal een kennelijken Accent vereischt te hebben’ en 1723, I: 343: ‘De zinbeteekenis van de eerste dezer drie [t.w. een, Rdb] verschilt van ons getalwoord Een alleenlijk daer in, dat bij den Articulus geen nadruk op de eenheid valt, dog bij 't getalwoord een zeer sterke’.

terug  begin  verder