Moonen heeft bij de bespreking van de woordsoorten de voorrang gegeven aan de ‘Veranderlyke’ categorieën in het algemeen en aan de zelfstandige naamwoorden in het bijzonder. Deze klasse heeft hij als volgt gedefinieerd:
De Naemwoorden60 zyn Veranderlyke Woorden, waer mede men alle dingen en hunne hoedaenigheden benoemt
(1706: 47)
waarna hij twaalf voorbeelden geeft; de eerste zes ervan komen - in dezelfde volgorde - al voor in Van Heules De Nederduytsche Spraec-konst (1633).61
Op het eerste gezicht lijkt Sewels definitie van de woordsoort die in een voetnoot ‘Nomina’ wordt genoemd, nagenoeg woordelijk overeen te stemmen met de omschrijving van Moonen:
Naamwoorden zyn woorden waarmede men alle dingen en hoedaanigheden benoemt en onderscheydt
(1708: 40)
Vergelijken we deze definitie met die van Moonen, dan blijkt dat Sewel in zijn omschrijving niet vermeldt dat naamwoorden ‘Veranderlyke’ woorden zijn, maar wel aangeeft dat naamwoorden ‘dingen en hoedaanigheden’ niet alleen benoemen maar ook onderscheiden. Bovendien zijn bij Sewel de ‘hoedaanigheden’ gelijkwaardig aan de ‘dingen’ en niet, zoals bij Moonen (via ‘hunne’), eraan ondergeschikt.
Ten Kate heeft de zelfstandige en de bijvoeglijke naamwoorden als twee categorieën van één woordsoort beschouwd en ze afzonderlijk besproken. De term ‘Naemwoord’ heeft bij Ten Kate uitsluitend betrekking op de categorie van de naamwoorden die door hem met de aan de Latijnse grammatica ontleende term ‘Nomen Substantivum’ wordt aangeduid. Voor het onder woorden brengen van gedachten is dit ‘tael-deel’ onontbeerlijk. Het is in zijn ogen namelijk niet mogelijk zonder zelfstandige naamwoorden een ‘verstaenbaere reden’ voort te brengen. Zij geven
een zekere Zaek [te kennen], het zij eene wezendlijke of waerlijk <concrete> zelfstandige (als Mensch, &c.) het zij eene denk-kundige of beschouwlijke <abstracte>, en even of die zelfstandig ware, bij de Spraek en de gedagten ingevoert, als Geregtigheid, enz.
(1723, I: 321)
waarbij ‘Mensch’ in margine is aangeduid als Nomen Substantivum Reale en ‘Gerechtigheid’ als Nomen Substantivum Mentale sive Formale.62
Geven ‘Naemwoorden’ ‘de eigene zelfstandigheid der dingen’ aan, de ‘Adjectiva’ of ‘Bijnamen’ - over welke term aanstonds meer - bieden informatie over de ‘Hoedanigheid der zaken’:
De Hoedanigheid <bijzondere aard> der zaken vind men verbeeld in de Bijnamen (Adjectiva:) het zij opzigt hebbende op <betrekking hebbend op> de Gedaente en de Gestalte (Figura & Forma),
ofte op de Soort en 't Geslagt (Species & Genus), of op de Hoegrootheid en de Hoezwaerheid (quantitas & gravitas), of op de Waerde en Deugd (Dignitas & Virtus)
(1723, I: 322)
Voor een definitie van het naamwoord zijn we bij Huydecoper, die zich meer met praktische taaladviezen dan met theoretische beschouwingen over taal heeft ingelaten, aan het verkeerde adres. Wel kunnen we op basis van de voorbeelden die hij heeft geboden, opmaken of Huydecoper de in de Proeve voorkomende term naamwoord heeft gebezigd in de beperkte betekenis van Ten Kate of in de meer algemene zin van Moonen en Sewel.
Zonder de nadere bepalingen ‘Zelfstandig’ of ‘Byvoegelyk’ heb ik de term ‘Naamwoord’ - met inbegrip van de spellingvariant ‘naamwoord’ en de meervoudsvorm ‘Naamwoorden’ - in de Proeve vierentwintig maal aangetroffen. De woorden waarnaar door middel van ‘Naamwoord’ wordt verwezen, maken duidelijk dat Huydecoper met de term allereerst het zelfstandig naamwoord heeft aangeduid. De enige plaats waar ‘Naamwoord’ op zowel zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden doelt, is te vinden op bladzijde 543. Daar heeft Huydecoper namelijk ‘Kryg’, ‘Vry’, ‘Bly’ en ‘Nyd’ genoemd als voorbeelden van een naamwoord. Het Latijnse nomen bezigt hij alleen in de combinatie ‘Nomina Collectiva’ (1730: 451; zie 7.3.6.1).
Hoewel Huydecoper het woord ‘naam’ in de Proeve doorgaans heeft gebruikt in de betekenis van ‘eigennaam’, treffen we het sporadisch ook aan ter aanduiding van andere zelfstandige naamwoorden. In dergelijke gevallen lijkt het Huydecoper vooral te gaan om het benoemen van zaken en begrippen en niet zozeer om het aan de orde stellen van morfologische of syntactische eigenschappen van die woorden. Een voorbeeld van ‘naam’ in de laatstgenoemde betekenis treffen we mijns inziens aan in de volgende aanhaling:
Zo vindenwe woorden ja persoonen zelfs van 't manl. geslachte benoemd met vrouwl. en onzydige naamen.63
(1730: 94-95)
Opgemerkt dient te worden dat het woord naamen hier evenwel niet ondubbelzinnig substantief betekent.
Aan het eind van het elfde kapittel van zijn Nederduitsche Spraekkunst heeft Moonen acht ‘Toevallen <eigenschappen, accidentia> der Naemwoorden’ opgesomd die in de negen daaropvolgende hoofdstukken behandeld zullen worden: ‘de Veranderinge, Vergrootinge, het Geslachte, het Getal, de Naemvallen, de Buiginge, Afleidinge, Koppelinge’ (1706: 50).
Een dergelijke opsomming heeft Sewel in zijn grammatica niet geboden. Nadat hij in een algemene inleiding het onderscheid tussen zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden en de mogelijkheid van deze woorden om samenstellingen te vormen ter sprake gebracht had, heeft Sewel eerst de zelfstandige en daarna de bijvoeglijke naamwoorden in afzonderlijke hoofdstukken aan de orde gesteld. Bij de substantieven heeft hij het verschil behandeld tussen ‘Eygene’ en ‘Gemeene’ (zie 7.3.3.4), en tussen ‘Oorsprongklyk[e]’ en ‘Afgeleyde’ naamwoorden (zie 7.3.3.1), waarna hij in de drie daaropvolgende paragrafen is ingegaan op de eigenschappen ‘Geslacht’, ‘Getal’ en ‘Buyging’. In tegenstelling tot Moonen heeft Sewel het kenmerk ‘Naamval’ geen afzonderlijke plaats gegund: hij heeft het ondergebracht bij de verbuiging van de (zelfstandige) naamwoorden.
Aan het onderscheid oorspronkelijk-afgeleid heeft Sewel ook bij de bespreking van de adjectieven aandacht besteed. Aparte paragrafen heeft hij daar gewijd aan de accidentia ‘Geslacht’ en ‘Buyging’. Als kenmerk van bijvoeglijke naamwoorden heeft Sewel ‘Getal’ niet bij name genoemd, wel heeft hij in plaats daarvan in een paragraaf de eigenschap ‘Vergelyking’ ter sprake gebracht.
Ten Kate heeft op bladzijde 324 van het eerste deel van zijn Aenleiding vier eigenschappen genoemd die kenmerkend zijn voor het zelfstandig en het bijvoeglijk naamwoord: ‘Getal’ (numerus), ‘Geval’ (casus), ‘Geslagt’ (genus) en ‘Verbuiging’ (declinatio); deze accidentia zijn ook eigen aan lidwoorden, voornaamwoorden en deelwoorden. Een vijfde ‘toevalligheid’, die uitsluitend op bijvoeglijke naamwoorden betrekking heeft, is ‘de Vergelijking of Vergrooting’ (1723, I: 328).
De kenmerken die door Moonen, Sewel en Ten Kate in hun respectieve taalkundige geschriften expliciet zijn genoemd, laten zich als volgt weergeven; in de eerste kolom staan de Latijnse benamingen voor deze eigenschappen.
| Moonen | Sewel | Ten Kate | |
|---|---|---|---|
| numerus | Getal | Getal | Getal |
| casus | Naemval | Geval | |
| genus | Geslachte | Geslacht | Geslagt |
| declinatio | Buiginge | Buyginge | Verbuiging |
| comparatio | Vergrootinge | Vergelyking | Vergelijking/Vergrooting |
| mutatio | Veranderinge | ||
| derivatio | Afleidinge | ||
| compositio | Koppelinge |
In de nu volgende paragrafen zullen zeven eigenschappen van het naamwoord worden besproken: hoedanigheid, vergelijking, geslacht, aard, getal, naamval en verbuiging. Voor een bespreking van juist deze eigenschappen is gekozen omdat zij van belang zijn ter verklaring van Huydecopers taalkundige informatie op het gebied van de woordsoortenleer.
Ten aanzien van de eigenschap hoedanigheid - het accidens qualitas - worden de naamwoorden op twee verschillende manieren onderscheiden. Op de eerste plaats kunnen naamwoorden verdeeld worden in zelfstandige en in bijvoeglijke naamwoorden (substantiva respectievelijk adjectiva), op de tweede plaats kunnen de naamwoorden worden verdeeld in ‘eigen’ en in ‘gemene’ naamwoorden (nomina propria respectievelijk en nomina appellativa).64 Aan beide onderverdelingen zal hieronder aandacht worden geschonken.
Nadat Moonen vermeld had dat naamwoorden tot de ‘Veranderlyke Woorden’ gerekend dienen te worden, heeft hij ze met behulp van de termen ‘Zelfstandigh’ en ‘Byvoeglyk’ in twee categorieën gesplitst. De eerste categorie heeft hij als volgt omschreven:
Een Zelfstandigh Naemwoort is, dat, alleen staende en zonder hulpwoort, het Weezen eener Zelfstandige zaeke, die men noemt, volkoomelyk betekent
(1706: 47)
Deze definitie bevat informatie op tweeërlei gebied. Semantisch gezien geven zelfstandige naamwoorden altijd uitdrukking aan ‘het Weezen eener Zelfstandige zaeke’ of, zoals hij elders in hetzelfde hoofdstuk schreef, aan ‘dingen’ (1706: 47) of een ‘zaek’ (1706: 49). Een syntactisch kenmerk van zelfstandige naamwoorden is dat ze niet per se met andere woorden verbonden hoeven te worden om hun betekenis volledig tot uitdrukking te brengen. Het is niet mogelijk de term ‘hulpwoort’ uit de bovenstaande definitie nader te duiden, aangezien dit de enige plaats is waar het woord in Moonens grammatica voorkomt.
Afgezien van de morfologische opmerking dat bijvoeglijke naamwoorden tot de ‘Veranderlyke Woorden’ behoren, is de omschrijving die Moonen van deze woordklasse heeft gegeven, semantisch van aard:
De Byvoeglyke Naemwoorden zyn Veranderlyke Woorden, die de hoedanigheit en gedaente eener zaeke, niet de zaek zelve, uitdrukken
(1706: 49)
In de twee daaropvolgende alinea's heeft Moonen informatie geboden over de syntactische verbindbaarheid van deze woorden. Bijvoeglijke naamwoorden kunnen volgens hem wèl altijd met zelfstandige naamwoorden worden verbonden, ‘zonder welke zy [t.w. bijvoeglijke naamwoorden, RdB] geene volkoome betekenis eens dings uitdrukken’, maar niet met een ‘Bepaelend of Niet bepaelend Geslachtwoort, als De en Het, Een en Eene’ (1706: 49-50). Op de laatste regel bestaan twee uitzonderingen. Wanneer een bijvoeglijk naamwoord wordt gevolgd door een zelfstandig naamwoord, zoals in ‘Een Blint Man’, dan kan er wel een lidwoord aan voorafgaan (1706: 49-50). Daarvan is ook sprake ‘wanneer de Byvoeglyke Naemwoorden in de betekenis der Zelfstandige overgaen, en op zich zelfs en zonder byvoeginge van een Zelfstandigh Naemwoort worden gebruikt’ (1706: 115), zoals uit de geleverde voorbeelden blijkt (zie 7.3.3.3).
Het eerste gedeelte van Sewels omschrijving van de zelfstandige naamwoorden vertoont een duidelijke parallel met die van Moonen, maar in het slot ervan verschilt hij van zijn voorganger:
Een zelfstandig Naamwoord bestaat op zichzelven, en betékent de zaaken zonder behulp van een ander woord [...], zo dat het met byvoeginge van een Werkwoord eenen volkomen zin kan uytmaaken, als, Het paerd loopt, het kind schreyt, de Zon schynt.
(1708: 40)
In tegenstelling tot Moonen heeft Sewel niet expliciet onder woorden gebracht dat een zelfstandig naamwoord met een lidwoord kan worden verbonden, maar uit de bovenstaande voorbeeldzinnen blijkt dat die syntactische eigenschap aan hem wel bekend was.
Bij de behandeling van de adjectieven heeft Sewel er nadrukkelijker dan Moonen op gewezen dat die categorie naamwoorden - om in zijn woorden te spreken - slechts betekenis krijgt ‘met behulp van een ander woord’, meer specifiek een zelfstandig naamwoord:
Een Byvoegelyk Naamwoord, dat de hoedaanigheyd eener zaake betekent [...] kan alleen niet gebruykt worden, als hebbende geen volkomene betékenis, 't en zy men 'er een Zelfstandig Naamwoord byvoege
(1708: 40)
Wat Ten Kate over het onderscheid tussen zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden had geschreven, hebben we in 7.3.1 al besproken.
Huydecoper heeft noch van de zelfstandige noch van de bijvoeglijke naamwoorden een omschrijving gegeven. Ik zal me in deze paragraaf beperken tot de benamingen die hij heeft gebezigd om te verwijzen naar beide categorieën naamwoorden. De mededelingen die Huydecoper met betrekking tot deze woorden heeft geboden, zullen aan bod komen bij de behandeling van de overige eigenschappen van het naamwoord.
Zojuist (zie 7.3.1) hebben we gezien dat Huydecoper doorgaans de term ‘Naamwoord’ heeft gebruikt ter aanduiding van wat in de Latijnse grammatica als nomen substantivum bekend stond. Behalve deze algemene benaming heb ik in de Proeve ook de tegenwoordig nog gangbare en meer precieze term ‘Zelfstandig Naamwoord’65 aangetroffen. In plaats daarvan komen ook ‘Zelfstandig woord’66 en het meervoudige ‘Zelfstandigen’67 voor. Naast de Nederlandse heeft Huydecoper ook de Latijnse technische term substantivum gebruikt.68
Een zelfde verscheidenheid aan termen vinden we ook ten aanzien van de woorden die wij aanduiden met de term bijvoeglijke naamwoorden. Het meest heeft Huydecoper gebruik gemaakt van de term ‘Bynaamwoord’,69 gevolgd door ‘Byvoegelyk Naamwoord’70 en ‘Byvoegelyk woord’.71 Op bladzijde 191 van de Proeve heeft Huydecoper eenmaal de term ‘Byvoegelyken’ laten vallen. Een vijfde Nederlandse term voor het adjectief waarvan Huydecoper zich heeft bediend is ‘bynaam’,72 een woord dat in de zin van adjectief voor het eerst in De Huberts ‘Noodige waarschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale' uit (1624) is aangetroffen.73 Het woord bynaam betekent in de Proeve niet alleen ‘bijvoeglijk naamwoord’, het heeft ook de betekenissen ‘cognomen’ of ‘familienaam’ - in een citaat uit Hoofts Rampzaaligheden der verheffinge van den Huize Medicis - (1730: 136) en ‘toenaam’ (1730: 567). Aan de Latijnse grammaticale traditie heeft Huydecoper de technische term ‘Adjectivum’ ontleend.74 Opgemerkt dient te worden dat Huydecoper onder de adjectieven niet alleen woorden heeft verstaan die wij nog steeds tot deze woordsoort rekenen - maghtig, ryk, groot en als adjectief gebruikte deelwoorden als levend, gewyd - maar ook woorden die tegenwoordig taalkundig benoemd zouden worden als onbepaalde voornaamwoorden, zoals ander en al.75
Moonen heeft erop gewezen dat een infinitief waar een lidwoord voor wordt geplaatst, moet worden beschouwd als een onzijdig substantief:
De Geslachtwoorden Het en Een worden ook voor de Onbepaelde Werkwoorden of van de Eindigende Wyze gezet, maer die dan in Zelfstandige Naemwoorden van het Onzydige Geslachte verandert zyn76
(1706: 258)
Ook Sewel heeft hiervan gewag gemaakt:
dit is ééne van de eygenschappen onzer taale, dat veele Werkwoorden ook gebruykt worden als Naamwoorden
(1708: 13)
Uit de drie daaropvolgende voorbeelden - ‘Het eeten smaakt my niet[.] Het gaan vermoeit haar. Het luyd spreeken verveelt hem’ - blijkt dat aan het werkwoord in dat geval het bepaald lidwoord het moet voorafgaan. Dusdanig gebruikte werkwoorden gedragen zich volgens Sewel namelijk zoals ‘andere Naamwoorden van 't Onzydig geslacht’.77 Aan het woord andere mogen we de conclusie verbinden dat Sewel evenals Moonen deze werkwoorden tot de naamwoorden rekent.
Ten Kate heeft eveneens vermeld dat infinitieven kunnen overgaan tot substantieven. In tegenstelling tot zijn twee voorgangers heeft hij onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde infinitivus obliquus of ‘verbogen onbepaalde wijs’ - herkenbaar aan het eraan voorafgaande woord te - en de infinitivus rectus of ‘onverbogen onbepaalde wijs’:
Men maekt ook onzen Infinitivus Obliquus tot een Substantivum Indefinitivum, als NIET TE WILLEN is Strafbaer, NIET TE KUNNEN Verschoonlyk; even gelijk onze Infinitiv: Rectus een Substant: Definitivum word met HET (of 'T) daer voor, als, HET WILLEN.
(1723, I: 530)
Huydecoper heeft de aantekening bij de verzen 863 en 864 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘[...] myn spelling en voorzien was noit zoo groot dat ik dees groote straf verdien'’ - geopend met een zin waarvan het eerste gedeelte aan Sewels en het tweede aan Moonens grammatica ontleend zou kunnen zijn:
het is eene eigenschap onzer Taale, dat zy de Onbepaalende Wyzen der Werkwoorden gebruikt even als Zelfstandige Naamwoorden.
(1730: 163)
Hoewel Huydecoper heeft erkend dat infinitieven als substantieven kunnen worden gebruikt, heeft hij ze - zoals hierboven en in het navolgende citaat naar voren komt - niet tot de substantieven gerekend:
maar de zinnelykheid <schoonheid> der Taale, dunkt my, eischt, dat, wanneermen meer zaaken in het zelfde verband der redeneeringe meldt, wy de uitdrukkingen <uitdrukkingswijzen> niet ondereen mengen, maar alles, of met Naamwoorden, of met Werkwoorden, benoemen.
(1730: 163)
Daarom verwierp Huydecoper in het gemelde vers Vondels formulering ‘myn spelling en voorzien’ en stelde hij voor deze woorden te wijzigen in ‘myn spellen en voorzien’. Niet de functie maar de vorm lijkt voor hem te hebben bepaald dat infinitieven tot de werkwoorden dienen te worden gerekend.78
Werkwoorden vormen niet de enige categorie woorden die gesubstantiveerd kunnen worden. Huydecoper heeft er in de Proeve op gewezen dat ook bijvoeglijke naamwoorden als zelfstandig naamwoord kunnen worden opgevat. Bij vers 583 van het negende boek van Vondels Herscheppinge - ‘Op dat de jonge zoons bereiken manbre dagen’ - heeft hij gesteld dat het achtervoegsel -baar de betekenis ‘dragende’ heeft wanneer het achter een zelfstandig naamwoord wordt geplaatst. Naar aanleiding van het woord nutbaar - één van
de tien daar geboden voorbeelden - heeft Huydecoper in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ opgemerkt:79
zo moet Nut dan zyn een Substant. schoon het inderdaad <in feite> een Adjectivum is. Doch hierop antwoordenwe, dat, gelyk Het Goed, Kwaad, Recht, en meer andere Adjectiva, onberispelyk gebruikt worden alsof 't Substantiva waaren, zo ook het Nut, voegelyk op de zelfde wyze kan en mag genomen worden.
(1730: 639)
Dat bepaalde adjectieven, waaronder zij die een taal uitdrukken, substantivisch gebruikt konden worden, was eerder al door Moonen bij de bespreking van het accidens genus onder de aandacht gebracht:
Byvoeglyke Naemwoorden, voor Zelfstandige genoomen, zyn van het Onzydige Geslachte
(1706: 79)
Dit stemt overeen met wat Sewel op bladzijde 62 van zijn spraakkunst ten aanzien van het geslacht van naamwoorden heeft opgemerkt, al heeft deze zich voorzichtiger (‘Eenige’, ‘somtyds’) uitgedrukt dan Moonen:
Eenige Byvoeglyke Naamwoorden, somtyds voor Zelfstandige gebruykt, zyn van 't Onzydig geslacht
(1708: 62)
waarna hij net als Moonen onder andere de namen van talen als voorbeelden heeft gegeven.
Ook bij Ten Kate treffen we de opmerking aan dat adjectieven gebruikt kunnen worden als substantieven. Gesubstantiveerde bijvoeglijke naamwoorden zijn echter niet - zoals Moonen en Sewel beweren - per se onzijdig; hun geslacht is namelijk volgens Ten Kate semantisch bepaald:
Onze Adjectiva voor Substant: genomen zijnde, worden Neutra, zo ze voor een algemeene zaek dienen; en Masc: of Foem: zo ze een Persoon beduiden.
(1723, I: 403)
Nadat Moonen de naamwoorden in zelfstandige en bijvoeglijke had verdeeld, heeft hij de substantieven verder onderscheiden met behulp van de begrippen ‘Eigen’ en ‘Gemeen’. Het verschil tussen deze twee soorten zelfstandige naamwoorden is in de eerste plaats semantisch bepaald. De ‘eigen’ zelfstandige naamwoorden heeft Moonen bijvoorbeeld als volgt gedefinieerd:
Een Eigen Zelfstandigh Naemwoort is, dat alleen een eenigh Zelfstandigh ding betekent, en daer aen met uitsluitinge van anderen eigen is.
(1706: 48)
Tot deze soort behoren volgens Moonen namen van landen, steden, bergen, stromen, mannen en vrouwen. De zelfstandige naamwoorden die bekend staan als ‘gemeene’, beschikken daarentegen niet over het vermogen om individuele personen of objecten van elkaar te onderscheiden; zij zijn echter wel in staat een bepaalde groep mensen of dingen af te bakenen ten opzichte van een andere groep:
Een Zelfstandigh Gemeen Naemwoort is, dat aen veele Zelfstandige dingen, die van een en het zelve Weezen zyn, gemeen is, en de Geslachtwoorden Een, Eene, De, Het voor zich kan ontfangen
(1706: 49)
In deze aanhaling heeft Moonen gewezen op de syntactische verbindbaarheid van ‘gemeene’ zelfstandige naamwoorden met lidwoorden. Daarin is het tweede verschil gelegen met de ‘eigen’ zelfstandige naamwoorden. Kunnen de eerste namelijk in principe altijd een bepaald dan wel onbepaald lidwoord voor zich krijgen, de laatste kunnen uitsluitend in zekere, door Moonen nauwkeurig omschreven, gevallen met een bepaald lidwoord worden gecombineerd (1706: 48-49); de ‘eigen’ zelfstandige naamwoorden verwijzen namelijk steeds naar een unieke zaak of persoon en het spreekt daarom vanzelf dat - behoudens een enkele uitzondering - ‘de Geslachtwoorden Een en Eene, die Nietbepaelende zyn, voor geene van deeze gestelt worden’ (1706: 48).
Evenals Moonen heeft Sewel in zijn spraakkunst de zelfstandige naamwoorden verdeeld in ‘Eygene’ en ‘Gemeene’, twee woorden die hij heeft gebezigd om de in een voetnoot vermelde Latijnse termen ‘Propria’ en ‘Appellativa’ weer te geven. Op zichzelf hebben de omschrijvingen die Sewel van beide groepen zelfstandige naamwoorden heeft gegeven, weinig om het lijf:
Een Eygen Naam is die aan één ding alleen gegeeven wordt
(1708: 42)
en
Een Gemeen zelfstandig Naamwoord is aan veele dingen gemeen
(1708: 43)
Aan de onduidelijkheid die na lezing van bovenstaande karakteriseringen mogelijkerwijs zou kunnen ontstaan, is Sewel tegemoetgekomen door tien voorbeelden te leveren van de eerste groep en twaalf voorbeelden van de tweede. Over de verbindbaarheid van substantieven met lidwoorden heeft hij geen mededelingen gedaan, al kan een oplettende lezer uit de voorbeelden bij de ‘Eygen’ zelfstandige naamwoorden afleiden dat namen van rivieren - in tegenstelling tot namen van personen, steden en landen - worden voorafgegaan door een bepaald lidwoord: ‘het Y, de Amstel, de Maaze’ (1708: 43).
Ten Kate heeft het onderscheid eigen-gemeen bij de bespreking van de ‘Algemeene Deelen eener Reden’ in het tiende gesprek tussen N. en L. niet aan de orde gesteld. Dat dit verschil hem niet onbekend zal zijn geweest, blijkt in de daaropvolgende dialoog waar met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van het lidwoord wordt gesproken over
de Eigennamen, die andersints van nature gants bepaeldelijk iet uitbeelden, en gevolglijk geen Articulus van nooden hebben
(1723, I: 343)
Hebben Moonen en Sewel nomina propria in het Nederlands met twee woorden vertaald, Ten Kate heeft, zoals bovenstaand citaat laat zien, ter aanduiding van zulke zelfstandige naamwoorden de nog steeds in gebruik zijnde samenstelling ‘Eigennamen’ gebezigd.
Evenmin als Ten Kate heeft Huydecoper de tegenstelling tussen ‘eigen’ en ‘gemene’ zelfstandige naamwoorden uitdrukkelijk onder woorden gebracht. We treffen in de Proeve alleen opmerkingen aan over de eerste groep substantieven, die Huydecoper - door middel van twee woorden - heeft aangeduid met ‘eigen Naamen’.
Men dient er overigens rekening mee te houden dat ‘eigen naam’ in de Proeve niet in alle gevallen zonder meer te vervangen is door de hedendaagse term eigennaam. Zo lijkt Huydecoper in het onderstaande citaat met eigen naam eerder ‘eigenlijke naam’, ‘aan zijn naam beantwoordende naam’ dan ‘eigennaam’ te bedoelen:
uit dien hoofde zal dan Bruidleidster ook zo veel zeggen <evenveel betekenen> als Huwelykmaakster, en dan is het de eigen naam van Juno, om geene andere reden Pronuba genoemd, dan
omdatze de huwelyken maakte, gelyk 't Heidendom voorgaf.80
(1730: 281)
Opmerkelijk is de betekenis die Huydecoper in de ‘byvoegsels en verbeteringen’ aan ‘Eigen Naamen’ heeft toegekend. Daar moeten we er namelijk ‘term’ of ‘benaming’ onder verstaan.81
Huydecoper heeft er in een aantekening op vers 844 van het elfde boek van de Herscheppinge - ‘Inbeelding is zyn naem. hy kan zich loos versteeken’ - op gewezen dat Vondel in dit werk op diverse plaatsen de ‘eigene naamen’ uit het origineel van Ovidius heeft vertaald. Zo heeft Vondel de vier paarden van Apollo's zonnewagen - Pyrois, Eöus, Aethon en Phlegon (Michels 1934: 447) - aangeduid met de Nederlandse namen ‘Vierblaazer, Oosterling, Brander en Blaaker’ (1730: 494), terwijl hij de naam Hyale, letterlijk ‘glas, barnsteen, kristal’, heeft vertaald met Klaertje (1730: 202). Hoewel Vondel in de Herscheppinge er enkele malen in is geslaagd een correcte Nederlandse vertaling te leveren voor Latijnse eigennamen,82 heeft Huydecoper vastgesteld dat de zeventiende-eeuwse dichter in dit werk de plank soms volledig heeft misgeslagen, waarvoor hij auteurs die Vondel in alles slaafs navolgen, heeft willen waarschuwen:
Dat Vondel somtyds in de eigen naamen overtebrengen, mistast, zullenwe ook elders zien:83 dit kan ook anderen, die Vondel blindelings volgen, doen dwaalen, gelyk zulks getoond wordt beneden, B.IV. v.1.
(1730: 42)
Tegen het gebruik van vertaalde namen had Huydecoper geen uitgesproken bezwaren:84
wy keuren het [...] niet kwaad. evenwel zouden wy, voor onze verkiezing, zulke Duitsche naamen liever leezen in een Duitsch Dichtwerk van eige vinding [...] dan in eene Vertaaling.
(1730: 493)
Anders is het gesteld bij ‘de eigene naamen’ van bekende personen. In zijn opvatting nemen schrijvers ‘eene alte groote vryheid’ wanneer zij ook díe in het Nederlands zouden vertalen. Dit zou namelijk een goed begrip van de tekst in de weg staan:
Zoumen niet vreemd toehooren, als iemand begon te spreeken van de Treurspelen van Jan Wortel, en Pieter Kraai? die zelfs der Fransche taale magtig zyn, zouden mogelyk lang zoeken, eer zy in deeze naamen vonden Jean Racine, en Pierre Corneille.
(1730: 494)
Bij vers 660 van het vijftiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘Op my gestoort. zyn vrou, een ritsige aert, geboren’ - heeft Huydecoper opgemerkt dat ‘alle die naamen’ die op -aard eindigen en gebruikt worden ‘om den aard des persoons’ tot uitdrukking te brengen - zoals ‘Vroomaard, Goedaard, Eelaard, Dronkaard’ (1730: 592) - alleen aan mannen en nooit aan vrouwen worden gegeven. Niettemin is Huydecoper van oordeel dat woorden op -aard ‘in de taale der Zanggodinnen’ met evenveel recht op vrouwen betrekking mogen
hebben, ‘ja zelfs zouden wy zulks in onrym niet geheel verwerpen’. Een afwijkend standpunt heeft Huydecoper ingenomen ten aanzien van zelfstandige naamwoorden op -aard die als eigennaam functioneren:
alsmen 'er Eigene naamen van maakt, gelyk de Blyspeldichters en Arkadiaschryvers gewoon zyn, dienenze alleen aan Mans, niet aan Vrouwen, gegeeven te worden. hierin onderwerpen wy ons volkomen aan het Gebruik.
(1730: 592)
In het dertiende hoofdstuk van zijn spraakkunst heeft Moonen het accidens ‘Vergrooting’ aan de orde gesteld. Door deze eigenschap, die volgens hem ‘voor een gedeelte’ van toepassing is op de bijvoeglijke naamwoorden en verder op enkele deelwoorden en bijwoorden,85 is het mogelijk dat de betekenis van de gemelde woordsoorten ‘Trapswyze vergroot en verhoogt’ wordt (1706: 55). Uit de woorden ‘voor een gedeelte’ blijkt dat ‘vergrooting’ naar de mening van Moonen niet aan alle adjectieven eigen was: naast ‘Vergrootbaere’ heeft Moonen daarom ook ‘Onvergrootbaere’ bijvoeglijke naamwoorden onderscheiden. Eerstgenoemde groep wordt vergroot door middel van de zogenaamde ‘Trappen van Vergelykinge’. Daarvan zijn er volgens Moonen drie aan te wijzen:
De Gronttrap der Vergelykinge is ieder Vergrootbaer Woort, op zich zelf staende, waer van als op den Middeltrap eerst getreeden wordt
(1706: 55)
De ‘gronttrap’, door Moonen ook als ‘Stellende’ trap aangeduid, wordt gevolgd door de ‘Vergrootende’ of ‘Middeltrap’:
De Middeltrap is, waer door de Betekenis van eenigh Woort by Vergelyking vergroot wordt
(1706: 55)
Met betrekking tot de derde en laatste trap heeft Moonen opgemerkt:
De Boventrap, de Overschrydende, is, waer door de Woorden andere van den Middeltrap in de Vergrootinge overtreffen
(1706: 55)
Normaal gesproken vormt men de ‘Middeltrap’ door aan de nominativus van de ‘Gronttrap’ de uitgang -er toe te voegen. Van die vorm wordt ook de ‘Boventrap’ afgeleid en wel door aan de ‘Stellende’ trap -st te hechten (1706: 56). Dit geldt voor het vergroten van zowel bijvoeglijke naamwoorden als bijwoorden. Sommige adjectieven onttrekken zich aan deze regels en worden ‘op eene ongeregelde wyze vergroot’, wat Moonen met behulp van de trits ‘Goet, beter, best’ heeft geïllustreerd (1706: 56).
Van de ‘Onvergrootbaere Naemwoorden’, waartoe onder andere de stofadjectieven behoren, kunnen geen trappen van vergelijking worden gevormd. Het is evenmin mogelijk om achter deelwoorden ‘de uitgangen ER en ST’ te plaatsen, tenzij ze als bijvoeglijke naamwoorden worden gebruikt. Toch kunnen deelwoorden ‘in de Betekenisse’ vergroot worden ‘wanneer in de Vergelykinge door den Middel- en Boventrap by deeze Deelwoorden de Bywoorden Meer en Meest gevoegt worden’ (1706: 57).
Behalve de trappen van vergelijking en het toevoegen van meer en meest heeft Moonen nog een mogelijkheid genoemd om de betekenis van woorden te ‘vergrooten’. Bijvoeglijke naamwoorden en zodanig gebezigde deelwoorden kunnen een ‘kragtiger’ betekenis krijgen door vóór de stellende trap ‘Groot, Hoogh, Over, Door, Wel’ te plaatsen, terwijl de
betekenis van zelfstandige naamwoorden - die normaal gesproken niet vergroot kunnen worden - ‘verwydt en verhoogt’ kan worden door hen te verbinden met aerts (1706: 58).
Sewel heeft de laatste paragraaf van het hoofdstuk over de naamwoorden als titel ‘Van de Vergelykinge der Byvoegelyke Naamwoorden’ meegegeven, waarbij ‘vergelykinge’ blijkens een voetnoot een vertaling is van de Latijnse term ‘Comparatio’. Evenals Moonen maakt Sewel melding van drie trappen van vergelijking. Maar de Nederlandse termen die Sewel gebruikt heeft om de eveneens in voetnoten vermelde Latijnse woorden ‘Positivus’, ‘Comparativus’ en ‘Superlativus’ (1708: 116) te vertalen, vertonen geen overeenkomst met Moonens benamingen. De onderstaande omschrijvingen leggen daarvan getuigenis af:
De Stellige trap betekent de zaak enkelyk zo als zy is, zonder eenige byvoeginge [...]
De Vergelykende trap, by de Stellige vergeleeken, voert de hoedaanigheyd eene treede verder, en breydt de betékenis uyt, door het byvoegen van er [...]
De Overtreffende trap stelt de zaak op 't hoogst voor, door st óf ste achter 't Stellige woord te voegen [...] waarby nóg komt dat men tót verder opvyzelinge óf verlaaginge der zaake, het woordtje Aller veeltyds daarby voegt
(1708: 116)
Ter illustratie heeft Sewel van tien bijvoeglijke naamwoorden regelmatige trappen van vergelijking gepresenteerd, inclusief de ‘hyperovertreffende’ vormen met aller. Deze worden gevolgd door de onregelmatige vormen van de adjectieven goed, quaad, veel (1708: 117).
Ten Kate heeft aan de ‘Vergelijking of Vergrooting’ op bladzijde 328 van het eerste deel van zijn Aenleiding slechts terloops aandacht besteed. Als N. zijn leermeester L. in het tiende gesprek niet aan deze ‘toevalligheid’ had herinnerd, zou de laatste er waarschijnlijk aan voorbij zijn gegaan: ‘Waerlijk ik had dit bijna vergeten’.
Net als Moonen heeft Ten Kate expliciet aangegeven dat dit accidens kenmerkend is voor ‘sommige Nomina Adjectiva’, maar de vraag welke dat zijn laat hij onbeantwoord.
De benamingen die Ten Kate heeft gekozen ter vertaling van de Latijnse termen positivus, comparativus en superlativus, zijn in elk geval niet ontleend aan de grammatica van Moonen of aan die van Sewel. Ten Kate heeft het namelijk over ‘de trap van Stelling’, ‘[de trap] van Vergrooting’ en ‘de Oppertrap’. Een opvallend kenmerk van de comparativus is volgens hem dat ‘'t gebruik onzer Tale’ wil dat deze trap in alle geslachten en in beide getallen onverbogen blijft.86 Over verschillen in betekenis tussen de onderscheidene trappen heeft hij zich niet uitgelaten.
In de twaalfde dialoog tussen N. en L., die over de declinatie van substantieven en adjectieven handelt, heeft Ten Kate aan de orde gesteld hoe de trappen van vergelijking zich morfologisch tot elkaar verhouden. De positivus - en dat kan zowel een adjectief als een zodanig gebruikt participium passivum zijn - vormt voor hem de basisvorm, waarvan door ‘agterzetting [...] van -ER of -DER of -ST’ de comparativus en de superlativus worden afgeleid. Daarbij heeft Ten Kate aangemerkt dat het in bepaalde gevallen beter is om de vergrotende en de overtreffende trap van verleden deelwoorden te vormen door ‘voorzetting van 't Adverbium MEER of MEERDER en MEEST’ (1723, I: 377). Hij treedt hiermee in het voetspoor van Moonen, met dit verschil dat volgens de laatste blijkens de gegeven voorbeelden in ieder geval het bijwoord meer ook aan ‘Werkende’, dat wil zeggen tegenwoordige, deelwoorden kon voorafgaan: ‘Meer Hoorende, Leezende’ (1706: 57).
Van de drie trappen van vergelijking heeft Huydecoper er in de Proeve twee aan de orde gesteld: de comparativus en de superlativus. Om met de laatste te beginnen, de overtreffende
trap heeft hij alleen ter sprake gebracht in een aantekening op vers 900 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge: ‘Den allereersten vorm. de wyde mont wert kleen’. De hierin voorkomende vorm ‘allereersten’ vormde voor Huydecoper aanleiding te onderzoeken of er verschil bestaat tussen eerste en allereerste. Zoals we hebben gezien beweerde Sewel dat de overtreffende trap een zaak ‘op 't hoogst’ voorstelt en ‘Aller’ kon strekken ‘tot verder opvyzelinge óf verlaaginge der zaake’ (1708: 116). Met deze bewering was Huydecoper het volstrekt niet eens. Nadat hij uit Sewels grammatica bovengenoemde passage over de superlativus had geciteerd, heeft Huydecoper daarop de volgende kritiek geuit:
als de zaak Op 't hoogst voorgesteld is, hoe kanze dan Verder opgevyzeld worden? is 'er dan iets dat hooger is dan hoogst? dat is ongerymd.
(1730: 86)
Uit de wijze waarop Kiliaen de lemma's allerbeste, allerkleinste, allermeeste in zijn woordenboek heeft vertaald - ‘Omnium optimus, minimus, maximus, dat is, beste, kleinste, meeste of grootste Van allen’ (1730: 86) - zien we naar de mening van Huydecoper onmiddellijk dat aller- geen verdere ‘opvyzeling’, maar een ‘uitbreiding’ van de overtreffende trap is:
Een klein voorbeeldje zal hier weder de zaak in haar vollen dag konnen zetten. Stel eens een Hoog van 30. voet, en daarnevens een ander van 20. zo is 30. het Hoogste. om nu Allerhoogst te vinden, moet ik niet opklimmen tot 31. 32. 35. of 40. (want dat is de verdere opvyzeling van Sewel) maar ik moet het zoeken in de vermenigvuldiging der onderwerpen van 20. of ten minste van minder dan 30. voeten. zodat aller geen opvyzeling van hoogst is, maar eene uitbreiding, waardoor hoogst betrekkelyk wordt gemaakt op meer dan een voorwerp dat minder hoog is. want al wilde gy het Hoogste, 30. opvyzelen tot 50. tot 100. ja tot 1000. voeten, zo lang 'er maar Een minder hoog van 20. ja van 2. voeten nevens staat, kunt gy 'er geen Allerhoogst van maaken. gelyk ook een hoogte van 2. voet niet meerder Allerlaagst genoemd kan worden in betrekking op 1000. dan op 3. voeten. Van Twee zaaken kan 'er dan geen Allerhoogst, Allereerst, enz. genoemd worden.
(1730: 86-87)
Een taalkundige kwestie die nauw met het accidens vergelijking samenhangt is de vraag of we na een vergrotende trap dan of als moeten gebruiken. Huydecoper heeft maar liefst zes pagina's in de Proeve gewijd aan de beantwoording van deze vraag.
Vanaf de tweede zin van de aantekening op vers 560 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘Die meer bemint was van Diane, als deze alleen’ - is duidelijk dat Huydecoper als na een comparativus afwijst: ‘Het verwondert my zeer dat Vondel deezen misslag niet ontdekt heeft’ (1730: 128). Overigens is Huydecoper van mening dat Vondel deze ‘misslag’ niet al te zwaar aangerekend mag worden, want in de Herscheppinge heeft hij er slechts vijf bewijsplaatsen van aangetroffen ‘dat zekerlyk weinig is in vergelyking met meer dan, of diergel. die 'er misschien eenige honderdmaalen te vinden zyn’ (1730: 128). Bovendien kon Huydecoper voor elk van die vijf gevallen precies aangeven waarom Vondel daar voor als had gekozen.87
Het gebruik van dan na een comparatief is voor zover Huydecoper het kan overzien in de achttiende eeuw niet wijd verbreid:
Men zou onder de goede Schryvers van deezen tyd, die zekerlyk schaars zyn, mogelyk twee of drie konnen noemen, die hierin niet mistasten:88 doch ik kan daaromtrent met geen volle verzekerdheid
spreeken.
(1730: 129)
Huydecoper zegt: hoe verder men in de zeventiende eeuw teruggaat des te vaker ziet men als gebruikt worden. De opbouwers van de taal, die steeds verder vorderden en ‘dus’ later in de zeventiende eeuw werkzaam zijn, gebruiken in plaats van als steeds meer dan:
Hoe ouder de schryvers van de verleeden eeuw zyn, hoe menigvuldiger zy Als voor Dan gebruikt hebben. die de taal weder begonnen te beschaaven, voerden Dan meer en meer in
(1730: 129)
Voor de hogere frequentie in het gebruik van als in het begin van de ‘verleeden eeuw’ - de zeventiende eeuw - heeft Huydecoper de volgende verklaring gegeven:
Het geen wy meer gezeid hebben, dat de Spaansche geessel der Nederlanden, de Hertog van Alva, niet alleen de land- en Kerk-, maar ook ('t welk een noodzaakelyk gevolg was) de taal- wetten 't onderste boven smeet en verwarde, kan met geen voorbeeld klaarer aangetoond worden, dan met dit woord dan, in tegenstelling van als. Voor dien tyd, is niemand in staat my eene enkele plaats aan te toonen, daar als voor dan gezeid wordt,89 daar het integendeel onmiddelyk na dien tyd in een algemeen gebruik kwam.90
(1730: 130)
Vervolgens heeft Huydecoper aangegeven wanneer men in het Nederlands gebruik moet maken van dan. Maar voordat hij op die kwestie is ingegaan, heeft hij aangetekend dat al de te bespreken gevallen zijn terug te voeren op de volgende regel:
gelyk Als eene gelykheid stelt tusschen persoonen en zaaken, zo moet Dan altyd gebruikt worden wanneer 'er eenig onderscheid en ongelykheid tusschen beide betekend wordt.91
(1730: 131)
Het gebruik van dan heeft Huydecoper in drie gevallen verplicht gesteld:
vooreerst achter den vergrootenden trap, Gradus Comparativus [...]. Ten tweede, na Anders, of Ander [...] Ten derde, achter de woorden Niemand, Niet, Noit, Geen, Wie, enz. waarbymen Ander, Anders, Anderen, kan byvoegen of uitlaaten, zomen wil, moetende echter Dan blyven.92
(1730: 131-133)
Dit alles heeft Huydecoper gestaafd met voorbeelden uit geschriften van de Ouden, in het bijzonder uit de rijmkroniek van Melis Stoke.
Hoewel de bovenstaande regels aan duidelijkheid niets te wensen overlaten, heeft Huydecoper toch ook een ander middel aan de hand gedaan om het verschil in gebruik tussen als en dan uiteen te zetten:
om [...] het onderscheid tusschen Als en Dan te leeren kennen, kanmen toevlucht neemen tot een vertaaling met de Latynsche woorden quam en praeter; of, dat op 't zelfde uitkomt, tot eene omschryving of verwisseling met de Duitsche woorden Gelyk en Behalve (dit heeft evenwel in Dan, achter een' Comparativus, geen plaats, want de Latynen zeggen ook major quam: doch hieromtrent kanmen noit twyffelen, omdat 'er noit verschil is) want gelykmen Als, daar 't wel geplaatst is, kan veranderen in Gelyk: zo kanmen voor Dan, gesteld achter Anders, Niet, Niemand, Geen, Noit, Wie, ook zeggen Behalve of Buiten.
(1730: 133)
Ook Moonen heeft zich in zijn spraakkunst van het Nederlands bediend van het Latijn om de betekenis van als en dan te verduidelijken. Voor hem is als, dat hij tot de ‘Bywoorden der Gelykenisse’ rekent, synoniem aan het Latijnse ut, terwijl hij in hetzelfde hoofdstuk opmerkt dat enkele ‘Bywoorden van Verkiezinge’, zoals eer, meer, liever, ‘doorgaens met dan, dat het Latynsche quam uitdrukt, beantwoordt worden’ (1706: 248). Hiermee is overigens niet gezegd dat dan voor hem een bijwoord is.
Net als Moonen heeft Sewel als ingedeeld bij de bijwoorden ‘Van Gelykenisse’ (1708: 181). Daarnaast behoort het woord volgens hem eveneens tot de zogeheten ‘Verkiezende’ voegwoorden, ‘welke toonen dat het voorgaande beter te achten is, als, Dan, als, gelyk men zegt, Beter is een gerust gemoed dan rykdom. Ik had dit liever als 't ander’ (1708: 183). Uit deze twee voorbeeldzinnen valt op te maken dat het Sewel om het even was of er na een comparativus als of dan gebruikt moest worden. Deze mening was ook Ten Kate (1723, I: 380) toegedaan: ‘onze Comparativa, die [...] ons woordtje Als (of Dan) tot middelaer nemen’.
Had Huydecoper in de zojuist besproken aantekening drie regels opgesteld voor het gebruik van dan, bij vers 999 van het vijftiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘Zoo groot en goddelyk dan dat hy vader is’ - heeft hij beschreven wanneer men als behoort te schrijven:
Na Zoo kan onmogelyk Dan, maar moet altyd Als volgen
(1730: 606)
waarna hij een groot aantal voorbeelden heeft geboden ‘van 't misbruik [...] van Dan, voor Als’. Deze fout, die ‘veel spaarzaamer’ wordt aangetroffen dan het gebruik van als op plaatsen waar dan vereist zou zijn, is ‘[z]eer gemeen’ in Brandts biografie van Michiel de Ruiter.
In de tweede druk van de Proeve heeft Van Lelyveld in een voetnoot opgemerkt dat Huydecoper in deze aantekening na ruim zo voorschreef als te bezigen, maar dat deze in zijn uitgave van de rijmkroniek van Melis Stoke tot andere inzichten was gekomen:
willende, dat, als er voor ZO iets vermeerderends voorafgaat, en er dus eene ongelijkheid is, b.v. ruim zo, al zo, noch al zo, er in dat geval Dan moet volgen, even of er een comparativus vooraf ging: de eene is al ZO groot Dan de andere, dat is, iets grooter.93 En schoon hiertegen wel iets te zeggen zoude zijn, komt het my echter voor, dat hy het gebruik der Ouden op die wyze al vry wel bevestigd heeft, en men de zamenvoegingen met ruim zo, al zo, wel voor comparativi mag houden, en er Dan op laten volgen.
(1788: 395)
Het onderstaande overzicht doet uitkomen welke Nederlandse termen de vier besproken grammatici hebben gebruikt ter aanduiding van de Latijnse benamingen voor de drie trappen van vergelijking:
| positivus | comparativus | superlativus | |
|---|---|---|---|
| Moonen | Gronttrap | Middeltrap | Boventrap |
| Stellende | Vergrootende | Overschrydende | |
| Sewel | Stellige | Vergelykende | Overtreffende |
| Ten Kate | trap van | [trap] van | Oppertrap |
| Stelling | Vergrooting | ||
| Huydecoper | -- | vergrootende | overtreffende |
In diverse triviumgrammatica's zijn uitspraken te vinden die erop wijzen dat er ten aanzien van het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden op het taalgebruik van sommige auteurs wel het een en ander viel aan te merken (Dibbets 1995: 101-103). Dergelijke opmerkingen treffen we ook in het begin van de achttiende eeuw aan. David van Hoogstraten heeft zich er in zijn Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden (1700) over beklaagd dat er door de meeste schrijvers grote fouten werden begaan tegen het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden. In dit boek heeft Van Hoogstraten - voornamelijk op basis van het taalgebruik in het oeuvre van Hooft en Vondel - het geslacht vastgelegd van omstreeks 1200 zelfstandige naamwoorden.
Ten Kate heeft geconstateerd dat de geslachten van de zelfstandige naamwoorden vroeger (‘bij onze Voorouderen’) beter in acht werden genomen dan in zijn eigen tijd, ‘nu elk onbedrevene de pen in de hand neemt’ (1723, I: 402).94 Hoewel Ten Kate heeft aangeraden om zoveel mogelijk met het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden rekening te houden - van een schrijver ‘die 't op Goed Nederduitsch toeleit’ werd het min of meer geëist (1723, I: 402) -, heeft hij te kennen gegeven dat het voor hem weinig verschil uitmaakte, wanneer iemand niet altijd even zorgvuldig met de aanduiding van de geslachten omsprong. In zijn ogen was het belangrijker dat schrijvers in hun taalgebruik ‘de nette en duidelijke Onderscheiding der Denkbeelden’ behartigen, want
Die te kommerlijk <nauwgezet> met de Tael omgaen, slagten <lijken op> den Schoolkinderen, die wel net, gelijkdradig <in letters van gelijke dikte>, en zinnelijk <keurig> schrijven, dog tevens onvrij, laf, lam, en flaeuw, zonder spoed of vordering: een kloeke hand, schoon minder net, zo ze slegts vlug, vrij, geestig, vloeyend, en duidelijk genoeg zij, kan mij meerder behagen.
(1723, I: 410)
Huydecoper daarentegen hechtte wel grote waarde aan het onderscheiden van de geslachten van de zelfstandige naamwoorden. Verbazingwekkend vond hij het dat de auteurs die zich in het verleden hadden beijverd voor het beschaven van de Nederlandse taal, geen aandacht hebben geschonken aan het geslacht, ‘dit zo voortreffelyk deel der zelve’ (1730: 61).
Uitgaande van de informatie die het gebruik van lidwoorden hem bood, is Van Hoogstraten tot een viertal geslachten gekomen: ‘mannelyk’, ‘vrouwelyk’, ‘onzydig’ en ‘twyffelach-
tig’ of ‘gemeen’. Het laatste geslacht wordt ‘twyffelachtig’ of ‘gemeen’ genoemd, omdat de woorden die zo zijn ‘het mannelyk en vrouwelyk geslacht (want het onzydige blyft op zig zelf) aennemen, of om dat het niet zeker genoeg is, tot welk van beide zy behooren’ (1700: *3v).
Over het accidens geslacht - ‘eene Aenwyzing, die ons toont, van wat Stamme en Geslachte elk Naemwoort zy’ (1706: 58) - heeft Moonen opgemerkt:
En deeze Geslachten, waer van twee in de natuure, die door Man en Vrou de schepsels voortplant, haeren gront hebben, zyn drie; als het Manlyke, het Vroulyke, en het derde, dat, beide voorgaende uitsluitende, eigentlyk geen Geslacht is, het Onzydige.
(1706: 58)
Sewel heeft eveneens van drie geslachten gewag gemaakt: het ‘Manlyk’, het ‘Vrouwelyk’ en het ‘Onzydig’ geslacht (1708: 37). Voorzien van hun Latijnse equivalenten ontmoeten we deze drie termen ook bij Ten Kate. Naar hun geslacht zijn de zelfstandige naamwoorden ‘het zij als Manlijk (Mascul:, of als Vrouwlijk (Foemin:), het zij als Geenerlei (Neutrum)’ aan te merken (1723, I: 324).
Een steeds terugkerend criterium in de door mij onderzochte grammaticale geschriften om het woordgeslacht van een bepaald zelfstandig naamwoord vast te stellen, is acht geven op het lidwoord waarmee het is verbonden.95 Zo schreef Van Hoogstraten:
Deze lidtwoorden (...) zyn als kentekenen van de geslachten der naemwoorden, en by ons twee in getal, als de en het
(1700: *2v)
Van Hoogstraten vervolgde met de opmerking dat het lidwoord de alleen in verbogen naamvallen aanwijzingen geeft over het geslacht van het eropvolgende zelfstandige naamwoord, want ‘in den rechten [naamval] of Noemer <eerste naamval>’ bestaat er slechts één vorm van het lidwoord voor mannelijke en vrouwelijke woorden: de (1700: *2v-*3r). Onzijdige substantieven zijn, doordat ze worden voorafgegaan door het lidwoord het, in de nominativus wel duidelijk te herkennen. Van Hoogstraten heeft er verder op gewezen dat ook het woord een - dat volgens het bovenstaande citaat voor hem geen lidwoord is - inlichtingen kan verstrekken over het genus van zelfstandige naamwoorden, mits het in verbogen vorm voorkomt. De eerste naamval is namelijk volgens Van Hoogstraten voor alledrie de geslachten een: ‘Een man, een vrou, een paert’ (1700: *4v).
Om het woordgeslacht te bepalen kan men volgens Van Hoogstraten ook afgaan op de verbogen vormen van bijvoeglijke naamwoorden, want deze richten zich wat hun geslacht betreft naar de zelfstandige naamwoorden (1700: *5r).96
Moonen heeft in zijn grammatica verkondigd dat men voor het bepalen van het geslacht van een zelfstandig naamwoord acht behoort te slaan op de vorm die het lidwoord in de tweede en - met name - de vierde naamval aanneemt:
Om nu te weeten, wat Naemwoorden Manlyk, of Vroulyk, of Onzydigh van Geslachte zyn, let men, wat merkteken de Teeler <genitivus> of Aenklaeger <accusativus> (die hier voornaemelyk geldt) in hunne Buiginge hebben, Des of Der, Den, of De, of Het
(1706: 59)
Preciezer dan Van Hoogstraten heeft hij aangegeven welke verbogen naamvallen van belang zijn bij het vaststellen van het woordgeslacht.
Ten aanzien van het onbepaald lidwoord heeft Moonen aangegeven dat een voor het mannelijk en het onzijdig, en eene voor het vrouwelijk werd gebruikt.97
Sewel heeft te kennen gegeven dat het geslacht der naamwoorden voor een deel te bepalen is door te kijken naar de ‘Lédekens’ of lidwoorden:
De is van het Manlyk en Vrouwelyk, en Het van het Onzydig geslacht [...]. Een is van het manlyk, Eene van het vrouwelyk, en Een insgelyks van het onzydig geslacht
(1708: 37)
Hoewel deze regel aan duidelijkheid weinig te wensen lijkt over te laten, voorzag Sewel problemen bij het toepassen ervan in de praktijk, onder andere ‘doordien de gemeene spraak het onderscheyd tusschen Een en Eene niet in acht neemt’ (1708: 53). Om die reden heeft hij in zijn spraakkunst een duidelijker manier aan de hand gedaan om door middel van de lidwoorden het geslacht van zelfstandige naamwoorden te bepalen, een methode die - zoals we hierboven hebben gezien - ook door Moonen werd gehanteerd:
alle de Naamwoorden, welker Lédeken De in den Genitivus heeft des, en in den Accusativus, den, [zyn] van 't Manlyk geslacht [...] Maar als de Genitivus is Der, dat is een teken dat het Naamwoord van 't Vrouwelyk geslacht is [...] Belangende het onzydig geslacht, de Genitivus van 't Ledeken Het, is Des
(1708: 53-54)
Ten Kate heeft zich erover verwonderd dat het geslacht van zelfstandige naamwoorden ondanks ‘een tijd-slijting van zo veel eeuwen’ amper aan verandering onderhevig is geweest. Dat is volgens hem vooral opvallend ten aanzien van de mannelijke en de vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, omdat deze in de eerste naamval niet door middel van lidwoorden worden onderscheiden (1723, I: 401).
Het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden kan volgens de zojuist besproken grammatici worden opgemaakt uit de (verbogen) vorm van het eraan voorafgaande lidwoord (of bijvoeglijk naamwoord). Naast dit morfosyntactische criterium hebben de grammatici die hierboven aan bod zijn gekomen, ook regels geformuleerd die uitgaan van het substantief zelf. Deze zijn te verdelen in zogenaamde regulae generales, die de zelfstandige naamwoorden in semantische categorieën onderbrengen, en in regulae speciales, die betrekking hebben op de morfologische eigenschappen ervan.
Moonen heeft in zijn Nederduitsche spraekkunst vijftien genummerde ‘Algemeene Regels’ gepresenteerd. Zeven ervan hebben betrekking op het mannelijk geslacht, vier op het vrouwelijk en eenzelfde aantal op het onzijdig geslacht (1706: 59-61). Sewel is in zijn grammatica niet verder gekomen dan tien ‘algemeene régelen’ om de substantieven naar hun geslacht te onderscheiden: vier ervan gaan over mannelijke, twee over vrouwelijke en vier over onzijdige woorden (1708: 54-57); deze regels worden evenals bij Moonen door een hoofdtelwoord voorafgegaan. De voornaamste reden waarom er in Sewels Nederduytsche spraakkonst ten aanzien van het mannelijk en het vrouwelijk geslacht minder regels worden aangetroffen dan in Moonens grammatica, is dat Sewel enkele van Moonens regulae generales heeft gecombineerd tot één algemene regel.
In de dialoog tussen N. en L. op pagina 402 en 403 van het eerste deel van Ten Kates Aenleiding worden drie aanwijzingen gegeven om het woordgeslacht van naamwoorden vast te
stellen. De eerste ervan leert ons, aldus N., ‘dat sommigen haere Geslagt ontfangen, om dat ze den Persoon, of Menschelijke en Dierlijke Kunne, en ijders Bediening onderscheiden’. De derde, door L. te berde gebrachte methode is erop gericht ‘de Geslagten van sommigen uit den rang en de schole daer ze onder behooren’ af te leiden, waarna vier opmerkingen volgen.98 Opvallend hierbij is dat de eerste opmerking van L. een herhaling vormt van de zojuist geciteerde opmerking van N.99 Ten Kate heeft het niet nodig gevonden lang stil te blijven staan bij regels betreffende de geslachten van zelfstandige naamwoorden, aangezien hij vond dat Moonen en Verwer hieraan in hun respectieve spraakkunsten ruim voldoende aandacht hadden besteed; opvallend genoeg verwijst Ten Kate op deze plaats niet naar de geslachtlijst van Van Hoogstraten, een werk dat hij wel degelijk kende.
Zoals gezegd bestaan er naast deze regulae generales ook morfologische regels op grond waaruit men het geslacht van zelfstandige naamwoorden kan vaststellen: de regulae speciales. Deze zijn doorgaans gebaseerd op de uitgangen van substantieven.
Moonen heeft op de bladzijden 62-77 van zijn spraakkunst voor een groot aantal ‘Uitgangen’ aangegeven of de woorden die op één van deze ‘uitgangen’ eindigen mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Daarbij dient te worden aangetekend dat Moonen de term uitgang niet alleen heeft opgevat in de hedendaagse betekenis ‘achtervoegsel’. Voor hem waren ‘Uitgangen’ ook de ‘Klinkeren’, de ‘Twee- of Drieklanken’ en de ‘Medeklinkeren’ waarop zelfstandige naamwoorden eindigden. Aan het slot van het veertiende hoofdstuk heeft Moonen negen regels gegeven ‘die van de Zamenstellingen der Naemwoorden en elders genoomen zyn’ (1706: 77; vgl. 1706: 61-62). Vier ervan hebben betrekking op de suffixen -schap en -dom.100
Sewel heeft op pagina 58 van zijn grammatica meegedeeld dat hij bij het samenstellen van zijn Groot woordenboek der Nederduytsche en Engelsche taalen (1708) heeft geconstateerd dat er talrijke woorden zijn waarvan men het geslacht kan kennen ‘aan hunne uytgangen’.101 Maar anders dan Moonen heeft Sewel de term uytgangen wel uitsluitend opgevat in de hedendaagse betekenis van suffix.
Ook Ten Kate heeft er bij monde van N. op gewezen dat het geslacht van zelfstandige naamwoorden kan worden vastgesteld aan de hand van ‘de toegevoegde Terminatien’ (1723, I: 402-403).
Ondanks het grote aantal regulae generales en regulae speciales dat in bovengenoemde taalkundige geschriften naar voren is gebracht, blijven er nog talrijke zelfstandige naamwoorden over waarvan het geslacht op basis van deze regels niet kan worden vastgesteld. Van Hoogstraten heeft er in die gevallen voor gekozen zich te richten naar ‘het gebruik der beste schryveren’ (1700: *4r), waarbij de taal van Hooft en Vondel, ‘de twee beste schryvers onzer eewe’ (1700: **2r), de grootste bewijskracht heeft. Op dit punt vond hij weerklank bij Ten Kate, die stelde dat er vele substantieven waren ‘welker Geslagt, of bij gebrek van bekende Regelmaet, of om dat te veel en velerhande Regels te mets meer verwarren als helpen, best uit het Gebruik en de Agtbaerste Schrijvers te halen is’ (1723, I: 410), waarna hij enkele titels noemt van boeken waarin men informatie vindt over het
woordgeslacht van naamwoorden.102
Moonen heeft op bladzijde 61 van zijn spraakkunst het woord wyf als enige uitzondering vermeld op de regel dat zelfstandige naamwoorden die een vrouw aanduiden, van het vrouwelijke geslacht zijn.103 Ook Sewel (1708: 55) heeft erop gewezen dat Wyf een onzijdig woord is. Dit heeft tot gevolg dat men strikt volgens de grammatica naar wyf zou moeten verwijzen met het voornaamwoord zyn. Maar daaraan heeft Sewel zijn zegel niet kunnen hechten:
evenwel is het niet inschikkelyk <toelaatbaar>, dat men zoude zeggen, Het wyf heeft zyne kinderen geslagen, als men 'er haare eygene door verstaat; want zyne heeft opzicht op eens anders, en zoud op haars mans voorkinderen konnen gepast worden
(1708: 55-56)
In Ten Kates Aenleiding heeft N. er blijk van gegeven het vreemd te vinden dat het woord wyf van het onzijdig geslacht is, terwijl juist ‘die woorden, die de Personen door de Kunne <het geslacht> en haer Bedieningen <werkzaamheden> onderscheiden, bij ieder Tael van een en 't zelfde Geslagt behoorden te zijn’. L. heeft hem verzekerd dat deze eigenaardigheid niet alleen in het Nederlands is te vinden, maar ‘genoegsaem bij al de oude Verwanten’ voorkomt. Deze bewering heeft hij met verscheidene voorbeelden uit die verwante talen gestaafd (1723, I: 404; vgl. 1723, I: 463).
Huydecoper heeft het woord wyf uitgekozen om duidelijk te maken dat een verwijswoord geen informatie biedt over het geslacht van een eerder genoemd zelfstandig naamwoord:
Hooft zelf schryft in Tacitus p. 226. toen 't wyf vry was, gaat Ze uitstel zoeken. en Jer. de Decker in Joan. den Dooper:
En zal het wyf den vorst haest winnen op Haer zy.
ja de ouden, die de geslachten wel waarnamen, gebruikten dit woord wyf noit anders. zegtmen hiertegen, schoon ze en haer vrouwelyk zyn, 't lidwoord het toont evenwel dat wyf onzydig is?
(1730: 89)
Voor Huydecoper bezitten de genoemde voornaamwoorden geen bewijskracht ten aanzien van het geslacht van wyf. Analoog hieraan mogen we aan het gebruik van het pronomen zyn om te verwijzen naar min niet de conclusie verbinden dat dit zelfstandig naamwoord van het mannelijk geslacht is:
schoon zyne mannelyk is, blyft echter het woord min altyd vrouwelyk. omdat haare, zyne, betrekkelyk zyn op de persoonen, waarvan gesproken wordt; en niet op de naamen, waarmede die persoonen benoemd worden.
(1730: 89)
Anders gezegd, dit citaat toont aan dat Huydecoper onderscheid heeft gemaakt tussen het natuurlijke geslacht of sexus - ‘de persoonen, waarvan gesproken wordt’ - en het grammaticale geslacht of genus - ‘de naamen, waarmede die persoonen benoemd worden’.104
Verkeerde men in onzekerheid over het geslacht van een bepaald zelfstandig naamwoord, dan kon men volgens Huydecoper het best Van Hoogstratens Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden (1700) of één van de vermeerderde herdrukken ervan raadplegen. Hoewel Van Hoogstraten deze lijst in eerste instantie had bedoeld voor de ‘edelmoedige Jeugt’ van Amsterdam (1700: **3r), had Huydecoper het werk een rol toebedacht in de vorming van poëten: Van Hoogstraten werd door hem ‘de Gids en Leidsman der aankomende Dichteren, omtrent de geslachten der Naamwoorden’ genoemd (1730: 87). Ook al stak Huydecoper de loftrompet over Van Hoogstratens geslachtlijst, hij verliet zich niet blindelings op dit werk, waaraan in zijn ogen nog het een en ander schortte.105 Aardig is het om te weten dat Huydecoper bij het schrijven van de Proeve de beschikking blijkt te hebben gehad over een door Van Hoogstraten ‘met eige hand geschreeven vermeerdering van dien Geslachtlyst’ (1730: 47). Deze was hem ter hand gesteld door Daniel van der Lip, een van de twee vrienden aan wie de Proeve was opgedragen (zie 3.5).
Hierboven hebben we gezien dat Van Hoogstraten, Moonen en Sewel op basis van de naamvalsvorm van het eraan voorafgaande lidwoord het geslacht van een bepaald zelfstandig naamwoord hebben bepaald. Ook Huydecoper heeft deze methode onderschreven en haar ten grondslag gelegd aan de opmerking die hij gemaakt heeft bij vers 922 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge - ‘In harden steen, genoemt den toetssteen, en onteerde’:
Dat de geslachten der woorden alleen te kennen zyn uit het lidwoord, de of den; en niet altyd uit het volgende betrekkelyke voornaamwoord, die of dien, enz. Noch ook uit volgende benaamingen, van vader of moeder, zoon of dochter, enz.106
(1730: 88)
Aangezien Huydecoper in dit citaat spreekt over de en den zal hij uitsluitend hebben gedacht aan het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Onzijdige woorden waren - in de eerste en vierde naamval enkelvoud althans - door het lidwoord het duidelijk te herkennen.107 Hieraan heeft Huydecoper enkele bladzijden verderop - waarschijnlijk in het spoor van Van Hoogstraten - toegevoegd dat een voorafgaand bijvoeglijk naamwoord eveneens uitsluitsel kan geven over het geslacht van een zelfstandig naamwoord. Zo heeft hij naar aanleiding van het vermeende mannelijk geslacht van min, ‘liefde’, opgemerkt:
gelyk wy in den grondslag deezer Aanmerkinge zeiden, dat kan alleen beweezen worden uit het voorgestelde lidwoord den (ook wel uit de Byvoegelyke Naamwoorden, doch die vindtmen hier naauwlyks zonder het gemelde lidwoord) en daarom hadt hy een plaats uit Vondel moeten bybrengen, waarin hy duidelyk des mins, of den min, geschreeven hadt.
(1730: 90)
Huydecoper heeft in de Proeve niet alleen aangegeven op welke wijze het geslacht van een zelfstandig naamwoord kan worden vastgesteld, maar ook laten weten welke teksten normgevend zijn met betrekking tot de geslachten. De gedichten van Hooft werden door hem in elk geval niet daartoe gerekend, aangezien de regels voor de geslachtsaanduiding daarin met voeten werd getreden:
Daarenboven oordeel ik, dat een bewys omtrent de Geslachten, genomen uit de gedichten, voornaamelyk minnedichten, van Hooft, van geen gezag ter werreld is, dewyl hy zich daarin honderdmaalen vergeet, gelyk den geenen bekend is, die dit stuk verstaan.
(1730: 89)
Voor Huydecoper was Vondel op het punt van de geslachten het lichtend voorbeeld:
Laat ons [...] volgen het helder licht van onzen grooten Agrippyner
(1730: 91)
Daarnaast kon men volgens hem ook volledig staat maken op de geschriften van de Ouden, die - zoals we in de vorige paragraaf hebben gezien - het onderscheid in geslachten nauwkeurig in acht namen. Vermoedelijk vloeide deze uitspraak voort uit het onderzoek dat Huydecoper had verricht ten behoeve van zijn ‘Geslachtlyst getrokken uit schryveren die geleefd hebben voor de Nederlandsche Beroerten’ (1730: 113). Hoewel het in de bedoeling lag die lijst te eniger tijd in het licht te geven, heeft publicatie ervan nooit doorgang gevonden.108
Van Hoogstraten, aldus Huydecoper in de aantekening bij vers 89 van het zesde boek van Vondels Herscheppinge - ‘De zwarte streep verdiept. het lichte kleur in 't oogh’ - heeft in zijn geslachtlijst aangetekend dat Vondel aan het zelfstandig naamwoord kleur het onzijdig geslacht heeft toegekend, wat door hem werd afgekeurd.109 Huydecoper kon zich vinden in Van Hoogstratens oordeel, maar heeft ter verdediging van Vondel aangevoerd dat die daarin ‘'t oude gebruik’ volgde. Dit heeft hij met voorbeelden geadstrueerd. Om die reden zou kleur als onzijdig woord ook bij de Nieuwen gewettigd kunnen worden:
Echter oordeelen wy zo weinig als de Hr. Hoogstr. dat dit te volgen zy; doch hebben deeze voorbeelden willen aantekenen, om te toonen op wat gronden Vondel dit gedaan hebbe.
(1730: 268)
Uit dit citaat blijkt dat Huydecoper het achttiende-eeuwse Nederlands niet geheel en al wilde schoeien op de leest van de taal der Ouden. In het onderhavige geval diende hun taalgebruik alleen ter verklaring van een bijzonderheid in Vondels werk.
Huydecoper heeft vastgesteld dat er behalve kleur nog andere zelfstandige naamwoorden waren die bij de Ouden een ander geslacht hadden dan bij de Nieuwen:
't Is zeker, dat veele woorden, met eenen Klinker beginnende, by ons onzydig gebruikt worden, die by de ouden vrouwelyk waaren, als uur, oor, oog, aventuur, waarby men ook oorlog en antwoord tellen kan. De reden daarvan acht ik te weezen, dat de tongslag der ouden veel zachter was, dan de tegenwoordige: de uure, de ooge, de oore,110 de antwoord klonk hun zacht in de ooren, daar onze scherpheid nu zegt, het uur, het oog, het oor, enz. en stoutelyk <aanmatigend> zegt, dat het zo weezen moet, alleen omdatmen 't nu zo gewoon is.
(1730: 47)
Dat het geslacht van zelfstandige naamwoorden in de loop der eeuwen kon veranderen, was enkele jaren eerder al opgemerkt door Ten Kate. Hij heeft zich erover verwonderd dat dit ondanks de ‘ruwheid der Tusschen-eeuwen <middeleeuwen>’ niet op grote schaal heeft plaatsgevonden. Het is hem gebleken dat zich op het punt van de betekenis van woorden meer veranderingen hebben voorgedaan dan van het geslacht (1723, I: 399).
In de tweede druk van de Proeve heeft Van Lelyveld bij vers 230 van het zesde boek - ‘En 't schudden van het hooft, ter wederzyde heen’ - in de lopende tekst tussen aanhalingstekens de volgende tekst van Huydecoper toegevoegd:
Men zegt ter harte: is dan ook hart vrouwelijk? Ik antwoorde, by de ouden, van wien wy ter harte hebben overgenomen, is het doorgaands onzydig, doch ook dikwils, dewijl 't een woord is dat dikwils voorkomt, vrouwelijk.
(1784: 158)
waarna uit geschriften van de Ouden voorbeelden worden gegeven van hart als onzijdig en als vrouwelijk zelfstandig naamwoord. De opmerking dat woorden die frequent worden gebruikt, van het vrouwelijk geslacht zijn, is merkwaardig. Het is mij niet bekend waarop Huydecoper deze uitspraak heeft gebaseerd.
Verspreid in de Proeve heeft Huydecoper een klein aantal regulae speciales geformuleerd. Op bladzijde 140 heeft hij te verstaan gegeven dat boelschap - ‘geliefde’ - kan worden gebruikt om een man of een vrouw aan te duiden:
Doch 't woord zelf blyft altyd van 't Vrouwl. Geslacht, om den uitgang schap, die noit Manl. voorkomt.
(1730: 140)
Heeft Huydecoper alle substantieven die uitgaan op -schap over één kam geschoren, Moonen heeft ze in twee categorieën ondergebracht: de zelfstandige naamwoorden die van bijvoegelijke naamwoorden zijn afgeleid (dronkenschap), behoren tot het vrouwelijk geslacht, terwijl een deel van de zelfstandige naamwoorden die zijn gevormd door achter een zelfstandig naamwoord de uitgang -schap te hechten vrouwelijk (broederschap), een ander deel onzijdig (gezelschap) is. Het woord boelschap heeft Moonen tot de onzijdige woorden gerekend (1706: 77). De tweedeling die Moonen ten aanzien van de zelfstandige naamwoorden eindigend op -schap heeft gemaakt, komen we ook tegen bij Sewel (1708: 59) en bij Ten Kate (1723, I: 402-403).
Het woord punt in vers 59 van het vijfde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Het punt uit brein en been met kracht getrokken wort’ - gaf Huydecoper aanleiding tot de opmerking dat
veele onzydige woorden, door het aanneemen eener E vrouwelyk worden; ten minste als zodanigen gebruikt worden.
(1730: 239)
Daarom spreken we van het punt maar van de punte (1730: 239).
In al de taalkundige geschriften die ten aanzien van de geslachten zijn bestudeerd om Huydecopers opvattingen daarover te situeren, is het genus van samenstellingen aan de orde gesteld. Zo heeft Van Hoogstraten er in zijn geslachtlijst bij het lemma bloetverwantschap op gewezen dat ‘de samengestelde woorden gemeenlijk met de enkele, daerze uit gemaekt zyn, over een [komen]’ (1700: 11). Hoewel hij dit niet met zoveel woorden heeft gezegd, ga ik ervan uit dat hij hiermee heeft bedoeld dat het genus van samenstellingen wordt bepaald door het laatste zelfstandig naamwoord. Het woord bloetverwantschap bijvoorbeeld heeft Van Hoogstraten als een neutrum aangemerkt omdat verwantschap van het onzijdig geslacht is (1700: 10).111
Moonen heeft zich over het geslacht van samenstellingen in duidelijker bewoordingen uitgelaten. Volgens hem richten woorden die uit twee substantieven zijn samengesteld, zich in hun geslacht naar het zogenaamde ‘Grontwoort’, dat is het tweede deel van een samenstelling:
Verdubbelde of Samengelaschte Naemwoorden, welker beide leden Zelfstandige Naem- en Stam-woorden zyn, waer van het eene het Grontwoort, het andere Bygevoegt is, volgen het Geslachte van het Grontwoort, dat de leste plaets der Samengelaschte woorden inneemt, en daerom in den zin meest gade geslaegen wordt.
(1706: 78)
Het geslacht van ‘Samengelaschte Naemwoorden’ die niet bestaan uit twee substantieven maar uit een ‘Scheidbaer Voorzetsel’ en een zelfstandig naamwoord, is gelijk aan dat van het naamwoord:
Zelfstandige Naemwoorden behouden hun Geslacht: schoon zy van Enkele in Samengelaschte door de Scheidbaere Voorzetsels verandert worden.
(1706: 78)
waarna Moonen in alfabetische volgorde daarvan enkele voorbeelden heeft geleverd, zoals Aenslag, Nadorst en Voorrede.
Sewel heeft in zijn grammatica alleen samenstellingen van twee zelfstandige naamwoorden besproken. De regel die hij voor deze woorden heeft opgesteld, heeft hij niet zo helder onder woorden gebracht als Moonen:
De Kóppelwoorden vólgen in 't geslacht doorgaans de enkele, maar nógtans wyken zy 'er somwylen van af.
(1708: 57)
Het eerste deel van dit citaat vertoont een grote mate van overeenkomst met de hierboven aangehaalde woorden uit Van Hoogstratens geslachtlijst. Dat niet alle ‘Kóppelwoorden’ zich aan de genoemde regel onderwerpen, is in dat boek niet expliciet geformuleerd.
Gelet op de inhoud lijkt de informatie die Ten Kate over het genus van samenstellingen heeft geboden, sterk op de regel die Moonen in zijn grammatica heeft verstrekt:
't Is gemeen, en ook bekent, dat onze Composita of Saemgezette Woorden meest altijd (eenige weinigen uitgezondert) het geslagt volgen van 't agterste Deel.112
(1723, I: 406)
Evenals Moonen heeft Ten Kate naast de ‘Composita’ die uit twee ‘Nomina’ bestaan, ook samenstellingen onderscheiden waarvan het eerste deel een ‘Praepositie’ en het tweede deel een zelfstandig naamwoord is. Composita die van werkwoorden met een ‘Toevallig-Onafscheidelijk Voorzetsel’ zijn afgeleid (overleg), gedragen zich volgens Ten Kate op dezelfde wijze als substantieven die hun oorsprong vinden in werkwoorden met een ‘Altoos-Onafscheidelijk Voorzetsel’ (bewys). Beide categorieën zelfstandige naamwoorden hebben het onzijdig geslacht, ‘vermits haere Verba even zeer geenen inlasch van -GE- in Part: toelaten’ (1723, I: 408). Daarentegen moeten substantieven die afkomstig zijn van werkwoorden waarbij in het voltooid deelwoord tussen het ‘Voorzetsel’ en het oorspronkelijke werkwoord -ge- wordt geplaatst, worden behandeld als andere samenstellingen ‘bij welken 't agter-deel het Geslagt beheerscht’ (1723, I: 408-409).
Huydecoper heeft bevonden dat Vondel antwoord ‘zeer dikwils, ja meestentyds’ heeft behandeld als een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. In dit geslacht werd het ook door de Ouden gebruikt, zoals de achttiende-eeuwse taalgeleerde met enige voorbeelden heeft bevestigd. Op grond hiervan zou men tot de gevolgtrekking kunnen komen
dat de saamengestelde woorden niet altyd vast het geslachte der enkelen volgen; gelyk Hoogstr. doorgaans vast stelt: en ook zekerlyk om deeze reden, het vrouwelyk geslachte in dit woord geheel verwerpt113
(1730: 47)
Aan de andere kant zou men het vrouwelijk geslacht van antwoord kunnen rechtvaardigen door te verwijzen naar de ‘Hoogduitsche’ taal, ‘waarin wort, als by ons woord, onzydig; maar antwort, mede als hier, vrouwelyk is’ (1730: 47), een opmerking die Huydecoper had ontleend aan Ten Kate.114
Heeft Huydecoper op bladzijde 158 van de Proeve het onzijdig geslacht van vrouwmensch afgekeurd (‘welk laatste echter geen voorbeeld is om naartevolgen’), in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ heeft hij deze uitspraak herroepen:
wy erkennen nu, met D.v. Hoogstraten, dat, schoon Mensch manlyk zy, vrouwmensch echter onzydig is.115 Immers hebben wy zelfs p.47. reeds aangemerkt, dat het Geslacht der saamengestelde woorden niet altyd het zelfde is met dat der enkelen.
(1730: 624)
Het accidens species of aard heeft betrekking op de afleiding van naamwoorden. Ten aanzien van dit accidens onderscheiden grammatici als Van Heule en Kók grondwoorden en afleidingen. De afleidingen kunnen met behulp van affixen van grondwoorden worden afgeleid en zijn zowel semantisch als morfologisch bepaald (vgl. Dibbets 1995: 130-136).
Eén van de door Van Heule genoemde afleidingen zijn de naamwoorden die eindigen op de uitgang -en. Over het algemeen duiden deze een stof aan zoals de voorbeelden tinnen, koperen, gouden illustreren (vgl. Dibbets 1995: 134). Voordat deze stofadjectieven worden besproken, zal eerst nader worden ingegaan op de collectiva.
Voor de Latijnse benaming collectivum is in het Nederlands de term verzamelnaam in gebruik. Collectiva worden in de ANS omschreven als ‘benamingen van een aantal gelijksoortige wezens of dingen die tezamen een eenheid vormen’ (1984: 33).
Moonen heeft deze substantieven op bladzijde 288 van zijn grammatica aangeduid als ‘Verzaemelende Naemwoorden’, een term die in de lijst van ‘kunstwoorden’ ontbreekt en uitsluitend op de genoemde pagina wordt gevonden. Hiertoe behoren woorden als stoet, legioenen, hoop, vaendel, bende, stapel, kudde (1706: 288).
Van deze categorie binnen de zelfstandige naamwoorden heeft Sewel in zijn grammatica geen gewag gemaakt.
In zijn Aenleiding heeft Ten Kate over collectiva gesproken in verband met de geslachtsaanduiding van substantieven. Dat woorden als verstand, verhael, ontbyt, verslag, onderwys, overleg, ontzach, opzet, opzicht tot de onzijdige behoren, is volgens hem daaraan toe te schrijven dat de meeste ervan ‘Collectiva’ zijn, waarop hij ter nadere verklaring heeft laten volgen ‘dat de zulken, vermits aen die geen gedaentelijke Kun-verbeelding te passe komt <omdat die naar hun uiterlijke vorm noch mannelijk noch vrouwelijk zijn>, door onze
eerste Voorouderen in 't Onzijdige of Geenerleye Geslagt met rede gelaten zijn’ (1723, I: 407).
Huydecoper heeft in de Proeve naamwoorden die grammatici ‘Nomina Collectiva’116 noemen, gedefinieerd als
Naamwoorden, die, in 't Eenv. uitgedrukt, echter eene meerderheid van persoonen aanduiden en begrypen117
(1730: 451)
Auteurs die zich beijveren de regels van de grammatica strikt in acht te nemen, zullen dergelijke naamwoorden nooit met een meervoudige persoonsvorm verbinden. Niettemin stond Huydecoper deze incongruentie in bepaalde gevallen toe. Hij vond de combinatie van een collectivum en een meervoudige persoonsvorm ‘Poëetisch <gepast in dichterlijke taal> en keurlyk <smaakvol>, en by onze Voorvaderen, ook buiten de Poëzy, gemeen geweest’ (1730: 213),118 waarna hij uit geschriften van zowel Oude als Nieuwe schrijvers daarvan bewijsplaatsen heeft gepresenteerd.
Huydecoper heeft bevonden dat de Ouden ook dikwijls ‘'t woordeken Men’ gebruikten met een persoonsvorm in het meervoud. Een dergelijke constructio ad sententiam ging hem een stap te ver: ‘dit laatste zouden wy niemand raaden te volgen’ (1730: 452).
Moonen (1706: 51) heeft gesteld dat de ‘Byvoeglyke Naemwoorden, die, van eenige Stoffen oirsprongkelyk’ zijn, uitgaan op -en (Aerden, Tinnen, Koperen). Wanneer deze adjectieven in combinatie met een vrouwelijk substantief voorkomen, moeten we volgens Moonen niet - zoals bij andere bijvoeglijke naamwoorden het geval is - de ‘merkletter’ -e toevoegen aan de nominativus mannelijk of onzijdig, maar ‘de leste N verwerpen’, zoals blijkt uit zijn voorbeelden ‘Eene Aerde kruik, eene Tinne schotel, eene Kopere kroon’ (1706: 51). Over de meervoudsvorming van stofadjectieven maakt Moonen een soortgelijke opmerking. Terwijl men in de pluralis een -e moet schrijven achter de bijvoeglijke naamwoorden die bestaan uit twee of meer lettergrepen en eindigen op el, en of er, dient men in het meervoud volgens Moonen bij de stofadjectieven de slot--n weg te laten:
de Byvoeglyke Naemwoorden, die, van stoffen afkomstigh, in EN uitgaen [...] maeken, in plaetse van de Merkletter E tot zich te neemen, hun Meervouwigh Getal door het verwerpen der leste N
(1706: 112)
Dit heeft Moonen geïllustreerd aan de hand van voorbeelden als ‘Goude ringen, zilvere bekers, kopere kroonen’. De stofadjectieven onderscheiden zich verder van andere bijvoeglijke naamwoorden, doordat zij niet over het vermogen tot comparatie beschikken.
Sewel (1708: 108) heeft in de paragraaf van de Nederduytsche spraakkonst die over bijvoeglijke naamwoorden handelt, aangegeven dat deze verschillende uitgangen kunnen hebben. Ettelijke bijvoeglijke naamwoorden eindigen er volgens hem op -en. De vier voorbeelden die hij daarop heeft laten volgen, zijn alle wat wij noemen stofadjectieven: ‘Aarden, Gouden, Houten, Wollen’. Een onderscheid naar geslacht heeft Sewel niet gemaakt, waaruit we met de nodige armslag kunnen opmaken dat de genoemde vormen zowel voor het mannelijk, vrouwelijk als onzijdig worden gebruikt.
Ten Kate (1723, I: 392-393) was van mening dat de uitgang -en van de ‘Adjectiva, die van Metael of eenige andere stoffe haren naem ontleenen’ - in margine aangeduid als ‘Stoffelijke Adjectiva’ - in oorsprong gelijk is aan de genitiefuitgang -en van eigennamen: 't is Jan-en bedryf betekent ‘'t is het bedryf van Jan’. Deze constructie op -en is volgens Ten Kate kenmerkend voor ‘de daeglijkse Spreektael’, in ‘Schrijftael’ is deze genitief op -en niet in gebruik.119 In beide gevallen betekent -en volgens Ten Kate niets anders dan daer van, van dat, zodat gouden staat voor ‘van goud’.
Het in casus obliquus weglaten van de -n bij stofadjectieven is volgens Ten Kate ‘gebrekkig’ als men acht geeft ‘op de Oudheid, op de Vergelijking, en op de Agtbaerste Voorbeelden (die, te samen zijnde, veel in een Tael moeten gelden)’, waarop hij vier voorbeelden uit het Angelsaxisch en uit het Frank-Theutsch heeft laten volgen (1723, I: 377). Toch heeft Ten Kate het achterwege laten van de slot-n - wat door Moonen in het vrouwelijk enkelvoud en het meervoud werd voorgeschreven - niet afgekeurd. Ten Kate beschouwde het achterwege laten van de -n namelijk als een manier ‘om aen de daeglijksche Spreektael te meer te gelijken’. Ook in poëzie werd deze ‘afknodsing’ toegestaan, ‘om dat de dubbelstaertigheid [zoals in goudene, RdB] daer t'onpas komt’ (1723, I: 378).
Over de stofadjectieven heeft Huydecoper in de Proeve op enkele plaatsen gesproken. Op bladzijde 80 schrijft hij:
en van kornoeli, komt door aanvoeging van en, het byvoegelyke kornoeliën
(1730: 80)
Uitgebreid spreekt hij erover in een aantekening naar aanleiding van de zinsnede ‘Met haer metaele zein’ in vers 337 van het zevende boek van Vondels Herscheppinge. Hoewel men op grond van het vrouwelijk geslacht van zein (‘sikkel’) zou verwachten dat metaele correct is verbogen, behoort men volgens Huydecoper ‘in goed Duitsch’ metaalen te schrijven, want
het is eene eigenschap der Stoffelyke Bynaamwoorden, dat zy altyd eindigen in En
(1730: 348)
Omtrent de verbuiging van de ‘Stoffelyke Bynaamwoorden’ bestaat er tussen Moonen, Sewel, Ten Kate en Huydecoper alleen verschil van mening over de uitgang ervan wanneer ze aan vrouwelijke zelfstandige naamwoorden voorafgaan. Zoals we hebben gezien, wil Moonen de slot-n van het stofadjectief in dergelijke gevallen achterwege laten, terwijl de andere drie taalkundigen ook dan alleen de vorm op -en als correct Nederlands erkennen. Huydecoper heeft in de Proeve niet alleen vermeld wat Moonen, Sewel en Ten Kate over stofadjectieven hebben geschreven, maar ook een omvangrijk door hem becommentarieerd citaat opgenomen uit Tuinmans ‘Oud en Nieuw’, dat is te vinden achter diens Fakkel der Nederduitsche taale (1722):120
De Hr. Tuinman, in De Oude en Nieuwe Spreekwyzen §. 68. zegt zeer wel, datmen moet schryven, Roggenbrood, Terwen meel, Koperen beeld, Steenen hert, maar zo wel niet, dat Terwen, Koperen, enz. Substantiva zyn. hy voegt 'er by, men moet dan niet zeggen, Terwe brood, Steene hert, of dat moet niet Substantivè, maar Adjectivè, genomen worden; dat ook wel gebeurt. dit laatste is zeer ongerymd. Terwe en Steene is hier noit goed te maaken, en den ouden onbekend geweest. Koperen, Steenen, zyn Adjectiva; en hebben geen gemeenschap met Roggen en Terwen, het welk Substantiva zyn.
(1730: 348)
In een schema kunnen we de informatie die de bovengenoemde taalkundigen over de verbuiging van adjectivisch gebruikte stofadjectieven hebben geboden, als volgt weergeven:
| stofadjectief | Moonen | Sewel | Tuinman | Ten Kate | Huydecoper |
|---|---|---|---|---|---|
| mannelijk | -en | -en | -e | -en | -en |
| vrouwelijk | -e | -en | -e | -en | -en |
| onzijdig | -en | -en | -e | -en | -en |
Behalve op Tuinman en - in mindere mate - op Moonen heeft Huydecoper ook kritiek geleverd op David van Hoogstraten.121 Deze had in het ‘Berecht’ voor de tweede druk van zijn Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden (1710/11) gesteld, dat naar analogie van een sterk wapen een stofadjectief als stael vóór een onbepaald onzijdig woord onverbogen moest blijven: een stael wapen. Naar het voorbeeld van het sterke wapen wilde Van Hoogstraten dat men zou schrijven het stale wapen.
Nadat Huydecoper de standpunten van verschillende grammatici had uiteengezet, heeft hij systematisch (‘met orden’) uiteengezet hoe Vondel de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden heeft verbogen. Voor elk van de vier door Huydecoper onderscheiden gevallen - mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervoud - heeft hij Vondels taalgebruik vergeleken met voorbeelden uit geschriften van de Ouden, en er vervolgens een waardeoordeel aan verbonden:
in het MANL. Geslacht, werpt hy [Vondel, RdB] in den eersten Naamval de N weg
(1730: 349)
Soms heeft Vondel in de nominativus wèl een n geschreven aan het eind van een stofadjectief dat aan een mannelijk substantief voorafgaat:
dit is alleen goed, en by de ouden altyd gebruikelyk geweest
(1730: 349)
Bij het vrouwelijk geslacht is het weglaten van de -n niet voorbehouden aan de nominativus:
In 't VROUWL. verwerpt Vondel mede de N altyd. [...] de Ouden wederom altyd anders
(1730: 349)
In de Statenvertaling en bij Willeramus heeft Huydecoper stoffelijke adjectieven aangetroffen die op een -e eindigden: guldene respectievelijk silverine, waarbij hij heeft aangetekend:
doch de oudsten onzer Nederduitsche schryveren gebruiken in deeze langstaartige woorden, als Zilveren, Koperen, Yzeren, aan het einde die overtollige E noit; wel in de korter, als Gouden, Houten, Aarden; echter zelden, en ook ten overvloede.
(1730: 350)
In de verbuiging van de stofadjectieven die aan onzijdige substantieven voorafgaan, stemt Vondel wel overeen met de door Huydecoper geformuleerde eigenschap van deze categorie naamwoorden, dat zij altijd uitgaan op -en:
In het ONZ. alleen neemt Vondel dit wel in acht.
(1730: 350)
Om die reden heeft Huydecoper geen voorbeelden uit de geschriften der Ouden hoeven aan te halen: in dit geval was het namelijk in de ogen van Huydecoper verantwoord Vondel na te volgen.
Maar wederom in het MEERV. getal schryft hy altyd kwaalyk [...] anders leeren ons de Ouden
(1730: 351)
Het volgende schema laat - op basis van door Huydecoper verstrekte gegevens - zien hoe Vondel de stofadjectieven heeft verbogen:122
| stofadjectief | mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | meervoud |
|---|---|---|---|---|
| 1e naamval | -e | -e | -en | -e |
| 2e naamval | -en | -e | -en | -e |
| 3e naamval | -en | -e | -en | -e |
| 4e naamval | -en | -e | -en | -e |
| 5e naamval | -en | -e | -en | -e |
| 6e naamval | -en | -e | -en | -e |
Met een redelijke mate van nauwkeurigheid kunnen we bepalen wanneer Huydecoper het besluit heeft genomen om de stofadjectieven te laten uitgaan op -en. Aan het slot van de hierboven besproken aantekening heeft hij namelijk naar aanleiding van zijn in 1726 verschenen Horatiusvertaling in proza geschreven dat hij in plaats van zilvere, marmere, kopere beelden, die op bladzijde 115 van de vertaling voorkomen, wil
datmen daar, en op alle andere plaatsen, daar die zelfde misslag in onze werken gevonden wordt, leeze, Zilveren, Marmeren, Koperen, enz. zonder eenig onderscheid in Getalen of Geslachten te maaken. Dit, ook van Plantyn en Kiliaen altyd waargenomen <in acht genomen>, zy ons voortaan eene Staalen wet, en deeze Aantek. myn' leergierigen Leezer eene aanleiding, niet alleen om Oud en Nieuw by elkander te gelyken, maar ook om tusschen 't goede en 't kwaade eene voorzigtige <bedachtzame> keur te doen.
(1730: 351-352)
De eerste aantekening van het achtste boek handelt over het woord purper. Huydecoper heeft zich de vraag gesteld of dit woord betrekking heeft op ‘de kleur’ of op ‘de stoffe’ van een voorwerp. Het antwoord daarop heeft namelijk gevolgen voor de verbuiging van het woord. Als purper een stofnaam is, dan gaat het woord evenals de andere ‘stoffelyke Adjectiva’ uit op -en, maar duidt het een kleur aan, dan wordt het verbogen als een ‘normaal’ bijvoeglijk naamwoord (1730: 367).123 Huydecoper heeft ontdekt dat over het algemeen purper als een stofnaam wordt gezien:
doch wy vinden, dat het doorgaands onder de stoffelyken geteld wordt: en zo gebruikt Vondel 't
(1730: 367)
Dit stemt volgens Huydecoper overeen met de etymologie van het woord purper, want
Purper, in 't Latyn Purpura, is eigelyk een soort van schelpvisch, met wiens sap oudstyds de kleederen geverfd werden.
(1730: 367)
Omdat purper ‘eene stoffelyke zaak is, even als Goud, Zilver, enz. zo volgt natuurelyk datmen daarvan ook maake Purperen, even als Gouden en Zilveren’ (1730: 367).
Volgens De Vooys (1947: 57) is het sinds Huydecoper in gezaghebbende grammatica's regel geworden dat de stoffelijke adjectieven onverbogen blijven. Het onderscheid tussen -en bij mannelijke en onzijdige en -e bij vrouwelijke en meervoudige woorden, dat op gezag van Hooft en Vondel zijn intrede had gedaan - en onder meer terug te vinden is in Moonens Nederduitsche spraekkunst - werd door Huydecoper verworpen.
In het vijftiende hoofdstuk van zijn grammatica heeft Moonen ten aanzien van de zelfstandige naamwoorden twee ‘Getallen’ onderscheiden: ‘het Eenvouwige, en het Meervouwige’. Deze zijn als volgt gedefinieerd:
Het Eenvouwige Getal is, dat alleen van een eenigh ding spreekt
(1706: 80)
terwijl
Het Meervouwige Getal is, dat van veele dingen spreekt
(1706: 80)
Moonen is in dit kapittel niet ingegaan op de meervoudsvorming van zelfstandige naamwoorden; regels daarvoor heeft hij ter sprake gebracht in het zeventiende hoofdstuk van zijn spraakkunst, dat handelt over het accidens declinatie (zie 7.3.8). Uit de daar gepresenteerde paradigma's valt op te maken, dat het meervoud van de meeste zelfstandige naamwoorden wordt gevormd door achter het enkelvoud ervan -en of -s te plaatsen. Dit is onder meer afhankelijk van het geslacht van het substantief en van de naamval waarin het staat.
De paragraaf uit Sewels Nederduytsche spraakkonst die als titel ‘Van het GETAL Der Naamwoorden’ draagt, opent met de mededeling:
De Getallen zyn tweederley, Eenvoudig, en Meervoudig
(1708: 64)
Een nadere omschrijving van het eenvoudig en van het meervoudig getal ontbreekt in deze grammatica. Op de pagina's 65 tot en met 70 ervan heeft Sewel een groot aantal regels geformuleerd over de meervoudsvorming van zelfstandige naamwoorden. Daaraan voorafgaand heeft hij meegedeeld:
de meeste Zelfstandige Naamwoorden eyndigen in 't meervoudig getal in EN óf N, sommige ook in S, en etlyke in die beyde.
(1708: 64)
Bij de behandeling van de ‘Verbuigsame Deelen’ van het Nederlands - ‘de Articulus, het Pronomen, het Nomen Substantivum & Adjectivum, en 't Participium’ (1723, I: 324) - heeft Ten Kate de opmerking gemaakt
dat we in de beschouwingen der Zaken op de Eenheid of Veelheid ziende, het onderscheid van den Numerus of het Getal (bestaende in den Singularis of het Eenvoud, en den Pluralis of het Meervoud) zoeken aen te duiden
(1723, I: 324)
Hierop heeft hij direct laten volgen dat sommige talen bovendien de beschikking hebben over een ‘Dualis (of Tweevoud)’. Evenals Moonen heeft Ten Kate de meervoudsvorming van substantieven aan de orde gesteld bij de bespreking van de declinatie van de naamwoorden (1723, I: 382-391).
Huydecoper heeft ten aanzien van de (zelfstandige) naamwoorden twee getallen onderscheiden: ‘'t eenvoudige getal’ (1730: 255)124 en ‘'t Meervoudig Getal’ (1730: 472).125
Aangezien het zelfstandig naamwoord been van het onzijdig geslacht is, komt het volgens Huydecoper op het eerste gezicht vreemd voor dat ‘op de been’ correct Nederlands is; men zou namelijk ‘op het been’ verwachten. Van Hoogstraten heeft in zijn geslachtlijst het vermoeden uitgesproken dat op de been een ‘verkorting’ is van op de beenen, waarin hij zich gesterkt voelde door het taalgebruik van zowel Hooft als Vondel. Huydecoper kon zich volledig vinden in deze door hem in extenso geciteerde verklaring:126
dit [is] onwederspreekelyk waar, en dient onthouden te worden.
(1730: 292)
waarachter hij uit het werk van Aldegonde, De Potter, Questiers en Hooft voorbeelden bijeen heeft gebracht die Van Hoogstratens uitspraak kracht bijzetten. De drie laatstgenoemde auteurs hebben boven de tweede e van been een accent circonflexe geplaatst: beên. Deze schrijfwijze is door Huydecoper om de volgende reden van de hand gewezen:
ik vind het oneigen, beên te schryven, 't welk eene saamentrekking van twee greepen tot één beduidt: doch hier is eene afwerping van de merkletteren des Meerv. Getals, en; gelyk in Jaar voor jaaren, Pond voor ponden, enz.
(1730: 292)
Aan het eind van de aantekening waaruit deze aanhaling afkomstig is, heeft Huydecoper ook wapen bij zelfstandige naamwoorden als been, jaar, pond geschaard.
het eerste, In de wapen, oordeelen wy goed te zyn, even als op de been, en onder de voet, in het Meervoudige, voor in de wapenen, gelykmen zelfs noch wel hoort spreeken.
(1730: 299)
Hierboven is gebleken dat het meervoud van zelfstandige naamwoorden is te herkennen aan de uitgang -en. Deze zogenaamde ‘merkletteren des Meerv. Getals’ worden, aangezien de pluralis altijd van de singularis wordt afgeleid (1730: 619), aan het enkelvoudige substantief toegevoegd:
het Eenv. is Gebaar, en 't Meerv. Gebaaren
(1730: 291)
Huydecoper beweerde dat de zelfstandige naamwoorden jaar en pond, analoog aan het uitgangsloze meervoud been in de uitdrukking op de been, eveneens meervoudsvormen zijn. Het vermoeden bestaat dat hij daarbij heeft gedacht aan woordgroepen waarbij een hoeveelheidaanduidend woord wordt voorafgegaan door een telwoord, als in tweeëntwintig jaar oud en drie pond koffie.
Getuige het voorbeeld duizent pont kaes, dat te vinden is op pagina 83 van zijn spraakkunst, wil Moonen dat de gewichtseenheid bij een stofnaam na een hoofdtelwoord in het enkelvoud staat. Hoewel de gesproken taal anders doet vermoeden, was het hoeveelheidaanduidend woord in dergelijke constructies volgens Sewel meervoudig, zoals blijkt uit het gebruik van de apostrof in de voorbeelden uit het onderstaande citaat:
Hoewel onze taal een duydelyk onderscheyd tusschen het eenvoudig en meervoudig getal heeft; nógtans lydt het gebruyk <staat het gebruik toe> dat men zegt, Vyftig jaar' oud; Honderd pond' zwaar; Drie voet' lang: Drie honderd gulden s' jaars. Tien duyzend mann'
(1708: 191)
Volgens Ten Kate kunnen hoeveelheidaanduidende woorden na een telwoord zowel in het enkelvoud als in het meervoud voorkomen:
Maten, Sommen, of Gewigten [...] kan men [...] (1) als verdeelt, of (2) als vermengt en inééngetrokken hebben: als nu de Maten verdeelt zijn aen te merken, zo zeggen wij insgelijks, Daer ZYN TWEE LASTEN Tarw, naemlijk ieder last bijzonder zijnde; maer zo de Vergaderde maet twee lasten beloopt, zo stelt men zulks, vermits een enkelde vergaderde hoop zijnde, in Singul:, even als de Eenheid; en dit zelf ook bij 't Verbum, naemlijk Daer IS (en niet daer zijn) TWEE LAST Tarw.
(1723, I: 396)
Van Hoogstraten heeft in zijn uit 1703 daterende editie van Vondels Herscheppinge in de versregels 588 en 593 van het vijfde boek de pluralisvorm lendens veranderd in het meervoud lenden. Hoewel Vondel ook elders in de gemelde vertaling in het meervoud lenden heeft gebezigd - een vorm die eveneens bij Hooft is te vinden -,127 gevoelde Huydecoper
toch enige huivering voor de emendatie van Van Hoogstraten: ‘dewyl 't hier [...] tweemaalen voorkomt, kan 't geen drukfeil zyn’ (1730: 255). Aan de hand van verscheidene voorbeelden uit geschriften van Oude en Nieuwe schrijvers heeft Huydecoper vervolgens aangetoond dat
Hooft en Vondel, die twee groote Taalmeesters, hier beide van het oude en nieuwe gebruik van dit woord afgegaan zyn: want men zegt nu noch, en men zei ook van ouds in 't meerv. Lendenen.
(1730: 255)
waarna hij de onderhavige aantekening heeft besloten met de opmerking:
En ik weet niet, waarom wy hiervan zouden afgaan.128
(1730: 255)
Dat het meervoud van het zelfstandig naamwoord vogel kan worden gevormd door aan het enkelvoud ervan ofwel -en ofwel -s toe te voegen, heeft Huydecoper onder verwijzing naar de grammatica van Sewel aangestipt in een aantekening bij vers 136 van het vijftiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘De vogels vloogen door den hemel, vry van schrikken’. Op bladzijde 67 en 68 van de Nederduytsche spraakkonst heeft Sewel geschreven dat de meeste zelfstandige naamwoorden die op -er, -aar en -el eindigen, in het meervoud in de nominativus een -s hebben, maar in de genitivus, dativus, accusativus en ablativus -en. Op deze regel bestaan enkele uitzonderingen:
Dóch het gebruyk heeft gewild, dat Appelen, vogelen, en tafelen ook in den Nominativus gebruykt worden; want men zegt gemeenlyk [...] De vogelen vliegen in de lucht [...] evenwel zegt men mede, 't Zyn vette vogels
(1708: 68)
Moonen heeft in het zestiende hoofdstuk van zijn Nederduitsche spraekkunst aandacht geschonken aan het accidens declinatio of ‘Buiging’. Naar het voorbeeld van onder anderen Latijnse grammatici heeft hij ten aanzien van de naamwoorden, voor zowel het enkelvoud als het meervoud, zes naamvallen onderscheiden.129 Deze ‘byzondere aenwyzingen, waer door hun Getal en geboogene Uitgangen in hunne Buigingen gekent worden’ (1706: 83), worden vervolgens één voor één besproken:
De Noemer is de eerste en Rechte Naemval, die, voor het Werkwoort henegaende, en het Vraegwoort Wie, Welke of Wat beantwoordende, het Naemwoort in zyne eerste en weezentlyke Beduidenis stelt [...]
De Teeler is de tweede Naemval, en de eerste der vier, die Onrecht of Geboogen zyn; waer door men op de Vrage, Wiens of Van Wien, iet toeëigent, of aentoont, van wat Aert, Eigenschap, Geslachte elk ding zy. [...]
De Geever is de derde Naemval, waer door men, het Einde en Oogmerk en Voorwerp eener Gifte bepaelende, de Vrage Wien of Wie beantwoordt. [...]
De Aenklaeger is de vierde Naemval, in wien iet wordt Volbragt, en die, van het Werkwoort afhangende, de Vragen Wien of Wat beantwoordt. [...]
De Roeper, de vyfde Naemval, waer door men iemant aenspreekt of roept, en die met den Noemer overeenkoomt [...]
De Neemer is de zeste Naemval, die, de Oirzaeken en Werktuigen eener zaeke stellende, de Vragen Van Wien of Van Wat beantwoordt.
(1706: 84-85)
Van deze naamvallen vormen de ‘Noemer’ en de ‘Roeper’ ‘de Rechte of Staende’ en de overige vier de ‘Onrechte of Geboogene’ (1706: 86).
Evenals Moonen heeft Sewel er bij de behandeling van het accidens declinatio op gewezen dat de naamwoorden in zowel het enkelvoud als het meervoud aan zes naamvallen zijn onderworpen, te weten:
de Nominativus, Genitivus, Dativus, Accusativus, Vocativus, en Ablativus, welke men in 't Duytsch noemt den Noemer, Teeler, Geever, Aanklaager, Roeper, Afneemer130
(1708: 72)
Anders dan Moonen heeft Sewel in zijn grammatica amper gebruik gemaakt van de genoemde Nederlandse termen, maar ervoor gekozen de Latijnse benamingen te hanteren, omdat die bij de geleerden het best bekend zijn (1708: 38; vgl. 1708: 72). Voor ‘ongeleerden’, met wie Sewel mensen bedoeld zal hebben die het Latijn niet machtig zijn, zou het gebruik van de Nederlandse terminologie niet hebben geleid tot een beter begrip. Omdat de ongeleerden
niet zonder nader verklaaring een recht begrip uyt de verduytschte konnen krygen, zal ik my doorgaans <voortdurend> van deeze Latynsche naamen, als konstwoorden, bedienen, geloovende dat ik gemaklyker zal verstaan worden, dan óf ik de Duytsche gebruykte.131
(1708: 38)
Om ervoor te zorgen dat ook de ‘ongeleerden’ weten hoe zij de zes naamvallen dienen te gebruiken, heeft Sewel bij ieder ervan aangegeven op welke vraag zij een antwoord geven:
De Nominativus [...] geeft den naam en de beduydenis van het Naamwoord te verstaan, en wordt voor het Werkwoord gesteld, beantwoordende de vraage Wie? óf wat? [...]
De Genitivus [...] beantwoordt de vraage, Wiens? van wien? óf van wat? óf Waarvan? en in 't Meervoudige Welker? [...]132
De Dativus [...] beantwoordt de vraage, Wien? aan wie? Aan wat? Waaraan? [...]
De Accusativus [...] hangt van 't Werkwoord af [...], beantwoordende de vraage Wien? wie? welken? welke? wat? en in 't meervoudige Wie? [...]
De Vocativus wordt gebruykt in 't roepen óf aanspreeken [...]133
De Ablativus beantwoordt de vraage, Van wien? van welken? óf van wat?
Ten Kate heeft te kennen gegeven dat het betrekkelijk eenvoudig is om de ‘natuer of den aert’ te omschrijven van de nominativus,
in welk geval <naamval> de Persoon of zaek is die werkt [...], of die bezit [...], of die bestaet
van de dativus,
die de Begiftigde, of Aen iet toegeëigende Zaek of Persoon verbeeld
van de accusativus,
in welk geval de bewerkte of Lijdende Zaek of Persoon zig bevind
en van de vocativus,
in welk geval de Aengeroepene staet
(1723, I: 324)
Daarentegen heeft het hem de nodige hoofdbrekens gekost de functie van de twee resterende naamvallen - de genitivus en de ablativus - duidelijk te omschrijven. Ten aanzien van de genitivus heeft Ten Kate drie semantisch verschillende gebruikssituaties onderscheiden, die daarin met elkaar overeenstemmen
dat bij ijder van hen twee zaken, of, dat hier het zelfde is, twee Substantiva's zoodanig bij een verbonden worden, dat die te samen in eene soortelijke [zaak] <een categorie van een zaak> veranderen; want bij de woorden Liefhebber van Geregtigheid word de algemeene zin van Liefhebber enger ingetrokken tot een' bijzonder soort van Liefhebbers; zoo geschied mede bij de woorden Huisgenooten van dien Man; en Het Werk van zyn hand
(1723, I: 325)
Van de vier soorten ablativi waarvan Ten Kate gewag heeft gemaakt - de commorativus, instrumentalis, narrativus, discretivus -, is volgens die taalkundige alleen bij de laatste daadwerkelijk sprake van een ‘Afneming’: van hem (af), uit het huis, zonder dat; de overige drie soorten ablativi worden oneigenlijk met de term ablativus aangeduid. Een gemeenschappelijke betekenis binnen deze vier categorieën heeft hij niet kunnen ontdekken:
Bij gebrek van die kan men zig ondertussen behelpen met den gewoonen naem van Ablativus, nemende dien, voor 't gene het gebruik hem doet beteekenen, en niet voor 't gene hy na de Letter zou beduiden [t.w. ‘afnemer’, RdB].
(1723, I: 326)
Ten Kate heeft erop gewezen dat de Latijnse benamingen voor de naamvallen doorgaans in oneigenlijke zin gebruikt worden. Hij was van mening dat de Nederlandse termen ‘Noemer, Baerer, Gever, Aenklager, Roeper, en Nemer’ de betekenis van nominativus, genitivus, dativus, accus