Bij de bespreking van het voornaamwoord zal duidelijk worden dat Huydecoper lang niet altijd ingaat op accidentia die Moonen, Sewel en Ten Kate in hun respectieve grammaticale geschriften wèl aan de orde hebben gesteld. In die gevallen is er in de nu volgende paragrafen over de afzonderlijke accidentia geen gewag gemaakt van Huydecoper. De inhoud van deze paragrafen laat duidelijk zien dat hij er niet naar streefde met de Proeve een werk te schrijven waarin een complete grammatica van het Nederlands te vinden zou zijn.
Moonen heeft ‘Voornaemwoorden’1 in het eenentwintigste hoofdstuk van zijn grammatica traditioneel gedefinieerd als:
Woorden, die, voor een Naemwoort gestelt, eenen persoon of zaek, die iet lydt of doet, aenwyzen
(1706: 124)
De prepositie voor in de deelwoordconstructie kan op tweeërlei wijze opgevat worden. Het woord kan een zuiver lokale betekenis dragen (‘direct voorafgaand aan’) én ‘in plaats van’ betekenen. Op grond van de gegeven combinaties van voornaamwoord en zelfstandig naamwoord - Myn Vader, Dit Huis - zou men kunnen concluderen dat Moonen in het gegeven citaat in de eerste plaats aan de lokale betekenis van voor heeft gedacht.
In de daaropvolgende alinea, die nauw op de eerste alinea aansluit, heeft Moonen opgemerkt dat voornaamwoorden als vervanger van naamwoorden kunnen optreden:
Of de Voornaemwoorden worden in de plaetse des Naemwoorts gestelt, en dan een ander daer onder verstaen; als in, Dees heeft het gedaen, naemelyk, Man, knecht, mensch
(1706: 124)
Als we het voornaamwoord uit Moonens voorbeeldzin vervangen door het zelfstandige naamwoord waaraan het refereert, dan levert dat zinnen op waar Moonen vermoedelijk ook bedenkingen tegen gehad zou hebben: ‘Man heeft het gedaen’, et cetera. Waarom heeft hij niet gezegd dat in de zin ‘Dees heeft het gedaen’ het zelfstandig naamwoord Man na het voornaamwoord Dees weggelaten is? Bij de andere drie voorbeelden,2 heeft Moonen namelijk wèl aangetekend dat ze ontstaan zijn door ‘uitlaetingen der Naemwoorden’ (1706: 124). Zo houden we van een zin als ‘Myn zwaert heeft het getroffen’ na weglating van het zelfstandig naamwoord ‘Myn heeft het getroffen’ over. Toepassing van de regel dat in zulke gevallen ‘de Geslachtwoorden voor de Voornaemwoorden gestelt worden’ (1706: 124) resulteert uiteindelijk in ‘Het myne heeft het gedaen’.3
Het hoofdstuk uit Sewels Nederduytsche spraakkonst dat over voornaamwoorden handelt, opent met de volgende woorden:
Een Voornaamwoord wordt doorgaans voor een Naamwoord, dat is, in plaats daarvan, gebruykt
(1708: 117)
Sewel blijkt zich ervan bewust te zijn geweest dat voor in deze zinssnede twee interpretaties toelaat. Door de toelichting ‘dat is, in plaats daarvan’ lijkt die ambiguïteit te worden weggenomen.4 Concrete voorbeelden van zinnen waarin voornaamwoorden de plaats bekleden van naamwoorden, heeft Sewel niet geboden. Aan de adjectivische functie die voornaamwoorden dikwijls bekleden, is hij voorbijgegaan.
Ook Ten Kate heeft erop gewezen dat voornaamwoorden gebruikt kunnen worden in plaats van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. Doordat hij de pronomina in dit verband heeft aangeduid als Stedehouders - ‘plaatsvervangers’ - van nomina, heeft hij het dubbelzinnige woord voor weten te omzeilen. Van de drie naast Huydecoper onderzochte
taalkundigen, is Ten Kate de enige die aangeeft om welke reden voornaamwoorden gebruikt worden:
De Pronomina (of Voornaemwoorden)5 zijn als Stedehouders der Nomina Substantiva & Adjectiva, strekkende om 't verdriet van de herhaling der eerstgenoemde namen te voorkomen.6
(1723,I: 322)
Aangezien voornaamwoorden in het Nederlands volgens Ten Kate veelvuldiger voorkomen dan welke andere woordsoort ook, behoort men ‘het onderscheid van Verbuiging [...], nae vereisch van Stijl’ zorgvuldig in acht te nemen. Dit levert namelijk een belangrijke bijdrage ‘tot de Netheid, Cieraed, en Duidelijkheid onzer Tale’ (1723, I: 469). Niet voor niets heeft hij in de Aenleiding ruim 30 pagina's aan (de verbuiging van) deze woordsoort gewijd (1723, I: 469-501).
Het eerste gedeelte van vers 488 van het negende boek van Vondels Herscheppinge - ‘De zuster niets van haer bewust’ - gaf Huydecoper aanleiding uitgebreid stil te staan bij de voornaamwoorden. Hij erkent dat het omwille van de helderheid aanbeveling verdient om een persoon of zaak die in een tekst meer dan eens voorkomt, steeds met hetzelfde woord aan te duiden.7 Maar vanuit stilistisch oogpunt wijst Huydecoper net als Ten Kate een dergelijke herhaling van de hand:
doch de styl is aangenaamer, wanneer men Persoonen of Zaaken, eens uitgedrukt, in de tweede plaats aanwyst met een Voornaamwoord; zo genoemd, omdat zy Voor, d.i. in plaatse van de Naamwoorden, gebruikt worden.8
(1730: 422)
Wellicht dat Huydecoper tijdens het schrijven van deze woorden Sewels spraakkunst onder handbereik had. Zoals we gezien hebben, viel daarin te lezen dat voornaamwoorden niet zo genoemd worden omdat ze aan naamwoorden voorafgaan maar omdat ze er de plaats van innemen. Huydecoper vindt het dan ook van groot belang:
datmen de Voornaamwoorden wel leere onderscheiden; opdatmen weete wat zy beduiden, en tot welken Persoon of Zaak zy ons wyzen.
(1730: 422)
Van de onderzochte grammatici is Moonen de enige geweest die in zijn definitie de aandacht gevestigd heeft op de dubbelrol die voornaamwoorden vervullen: ze worden vóór of in plaats van een (zelfstandig) naamwoord gesteld. Anders gezegd, in het eerste geval zijn de pronomina bijvoeglijk gebruikt, in het tweede zelfstandig (vgl. Dibbets 1995: 197-199).
Het wekt met name bevreemding dat Ten Kate deze tweeledige functie niet verwerkt heeft in zijn omschrijving van de voornaamwoorden. Het onderscheid zelfstandig-bijvoeglijk loopt namelijk als een rode draad door het gesprek dat N. en L. in de Aenleiding over de (verbuiging van de) pronomina voeren. Nadat L. de ‘Personalia’ aan de orde gesteld heeft, merkt hij met betrekking tot de resterende voornaamwoorden op:
Sommigen van die verstrekken voor Substant: alleen, staende op zig zelf: Sommigen dienen voor Adjectiva; en sommigen dienen voor Subst: en Adjectiv:, al na de gelegentheid9
(1723, I: 475)
De ‘Personalia’ zijn, aldus Ten Kate, de enige voornaamwoorden die uitsluitend substantivisch gebruikt worden. Aan deze groep heeft hij op de bladzijden 469-475 van het eerste deel van de Aanleiding afzonderlijk aandacht geschonken. De andere voornaamwoorden komen ter sprake in het niet door overzichtelijkheid uitblinkende vervolg van het gesprek tussen N. en L. Ten Kate heeft dat zelf ook ingezien, want in bijlage 6 volgt een ‘Herzameling van de pronomina’; de structuur van deze appendix is als volgt:
I. Herzameling van de Pronomina, als Substantiva
i. Van de Personalia
ii. Die op een Persoon of Zake haren opzicht hebben
iii. Die door alle Geslagten eveneens zijn, of zonder Aenmerking op het Geslagt
II. Herzameling van de Pronomina, als Adjectiva
i. Die in 't Geslagt onderscheiden zijn
ii. Die door al de Geslagten eveneens zijn
iii. Die eveneens gaen als de Nom: Adject: en ook onder die kunnen getelt worden
We zien dat Ten Kate de behandelde voornaamwoorden ordelijk bij elkaar plaatst, waarbij hij is uitgegaan van de tweedeling zelfstandig-bijvoeglijk.10
Na zeventien voornaamwoorden opgesomd te hebben, komt Moonen te spreken over de accidentia die betrekking hebben op de voornaamwoorden. Als eerste heeft hij de eigenschap genus aan de orde gesteld:
De Voornaemwoorden worden ten aenzien van het Geslachte aengemerkt, als Manlyk, Vroulyk en Onzydigh; dat uit de veranderinge in het einde gezien kan worden
(1706: 124)
Direct daarop laat Moonen weten dat een bepaalde groep voornaamwoorden zich aan deze regel onttrekt:
hoewel 'er eenige by alle Geslachten gebruikt worden, zonder eenige verandering toe te laeten; als, Ik, gy, tu, wy, gy, vos, zy, mans en vrouwen.
(1706: 124-125)
De geboden voorbeelden maken duidelijk dat het hier gaat om wat wij tegenwoordig persoonlijke voornaamwoorden noemen - Moonen kende deze benaming niet en noemde ze ‘Aenwyzende’ voornaamwoorden (zie 7.4.7).11 De derde persoon enkelvoud in de bovenstaande reeks ontbreekt, omdat het voornaamwoord in het Nederlands dan namelijk over een aparte vorm voor elk geslacht beschikt: hy, zy en het.12
Expliciet heeft Sewel geslacht alleen vermeld als accidens van het bezittelijk voornaamwoord:
Bezittende Voornaamwoorden betékenen dat men eygendom óf recht op iets heeft; en zyn Mannelyk, Vrouwelyk, en Onzydig
(1708: 122)
Dat genus niet voorbehouden is aan pronomina possessiva, blijkt uit de paradigma's van andere soorten voornaamwoorden. Daarin komen we namelijk herhaalde malen de aanduidingen ‘Manlyk’ (‘Manl.’), ‘Vrouwelyk’ (‘Vrouwl.’) en ‘Onzydig’ (‘Onzyd.’) tegen.
In het eerste deel van zijn Aenleiding heeft Ten Kate evenals Moonen en Sewel ten aanzien van de voornaamwoorden drie genera onderkend: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Deze zijn in de paradigma's die hij in bijlage 6 heeft laten afdrukken, over het algemeen door middel van de afkortingen ‘m:’, ‘f:’, ‘n:’ aangeduid.
Over het accidens persona heeft Moonen met betrekking tot de voornaamwoorden opgemerkt:
In de Voornaemwoorden zyn drie Persoonen aen te merken; de Eerste, die 'er spreekt; als Ik, de Tweede, die aengesprooken wordt; als, Gy; de Derde, van wien men spreekt; als Hy.
(1706: 125)
Sewel heeft in zijn Nederduytsche spraakkonst geen gewag gemaakt van deze eigenschap, al heeft hij op de bladzijden 118-119 de verbuiging van de voornaamwoorden ik, gy, hy, zy in afzonderlijke rijtjes gepresenteerd.
In Ten Kates Aenleiding wordt het accidens persona in het gesprek tussen N. en L. terloops vermeld in een opmerking over zich:
't is 't Wederkeerige (of Reflectivum) tot ijder der driederhande gemelde Persoonen Ik, Gy, en Hy of Zy, te samen.
(1723, I: 472)
Op bladzijde 471 heeft N. er blijk van gegeven oog te hebben voor veranderingen in het taalgebruik:
Ik heb al voor eenigen tijd bespeurt gehad, dat ons GY, 't welk nu voor Singul: en Plural: te gelijk dient, eertijds alleenlijk voor Plural: verstrekte, en dat DU voor den Singul: quam.
Door het bestuderen van teksten uit oudere taalfasen was N.'s gesprekspartner L. tot dezelfde conclusie gekomen:
Dit DU in Singul: is nog wel in de later tijd, ten minste in Schrijftael, bij onze Voorouders gebruikt. Men vind het niet alleen in 't M-G. <Moeso-Gottisch> F-TH <Frank-Duitsch>, A-S. <Angel-Saxisch> en Ysl: <Yslandsch> maer ook bij onzen Melis Stoke. Zelf in daeglijksche Spreektael houd het nog stand onder onze Geburen de Vriezen, gelijk ook onder de Hoogduitschers.
(1723,I: 471)
Waarom men er op een bepaald moment toe is overgegaan ‘bij de tweede Persoon’ gy in plaats van du te gebruiken, weet L. niet met zekerheid te zeggen. Hij vermoedt dat het ontstaan is
uit een zekere opgevatte beleeftheid, van een ander in 't Meervoud aen te spreken, om eerbied te bewijzen, vermits de meerderheid Aenzienlijkheid toebrengt
(1723, I: 471)
Hoewel men zich normaliter tot iemand richt in de tweede persoon, heeft N. geconstateerd dat hiervoor in bepaalde gevallen de derde persoon gebezigd wordt:
Wanneer een Minder zijnen Meerder, of Lieden van Aenzien en Opvoeding elkander aenspreken, is men thans, volgens de beleeftheid, gewoon, den aengesprokenen in de 3. Persoon te bejegenen; als, Heeft myn Héér dat verrigt?
(1723, I: 473)
wat door L. beaamd wordt.
Wat het accidens ‘Aert’ aangaat, kan een voornaamwoord volgens Moonen of ‘Oirsprongkelyk’ (‘Ik, gy, hy, die, dees, wie, welke, zelf’) of ‘Afgeleidt’ zijn (‘Myn, uw, zyn’). De laatste drie voorbeelden wijzen uit dat Moonen tot de afgeleide voornaamwoorden alleen díe pronomina heeft gerekend die hij verderop in zijn grammatica de ‘Bezittende’ noemt.
Ten Kate heeft het accidens aard, overigens zonder de term te noemen, bij de behandeling van de persoonlijke voornaamwoorden ter sprake gebracht:
Dat wijders dezelfde rede van Onderscheid bij den Plur: tusschen HAER, m: f: & n: in den Gem: Stijl, en HEN, m: en n: en HAER of HEUR f: in 't Hoogdr: en Deft: ook geld en past bij die Pronomina Possessiva, welke daer van afgeleid zijn, namelijk HUNNE (te rug ziende op Masculina & Neutra), en HARE of HEURE (omziende na Foeminina) in 't Hoogd: en Deft:, dog HARE (zo wel wegens Masculina & Neutra als Foeminina) bij den Gemeenz: Spreekstijl.
(1723, I: 471)
Op de vraag of ook de andere pronomina possessiva ontsproten zijn aan de in getal, persoon en geslacht corresponderende pronomina personalia, heeft Ten Kate geen antwoord gegeven.
Over aard als eigenschap van voornaamwoorden heeft Huydecoper alleen gesproken met betrekking tot de ‘Wederkeerende’ voornaamwoorden. Nadat hij gesteld had dat zich binnen de genoemde categorie ‘het eerste en voornaamste’ is, heeft hij onder verwijzing naar Valla's De reciprocatione sui & suus geschreven dat ‘SUI [ZICH] Primitivum, maar SUUS [ZYN, HAAR, HUN] Derivativum’ is (1730: 423-424).
Moonen heeft binnen het accidens ‘Hoedanigheit’ met betrekking tot de voornaamwoorden een vijfdeling aangebracht in ‘Aenwyzende, Bezittende, Betreklyke, Wederkeerende, en Vraegende’ voornaamwoorden (1706: 125). Bij de ‘Aenwyzende’ voornaamwoorden heeft Moonen volstaan met het noemen van vijf woorden die van deze categorie deel uitmaken: ‘Ik, Gy, Hy, Die, ille, Dees, hic’. Achter Die zal hij ‘Ille’ hebben geplaatst om dit Die te onderscheiden van het betrekkelijk voornaamwoord die, waarvoor in het Latijn qui gebruikt wordt. Op het verschillend gebruik van die wordt ook nadrukkelijk gewezen op pagina 128 van Moonens spraakkunst: ‘Het Voornaemwoort Die, het zy Aenwyzend, Iste, het zy Betreklyk, Qui’. De betekenis van de ‘Bezittende’ voornaamwoorden van de eerste en tweede persoon heeft hij niet gegeven, dit in tegenstelling tot die van het pronomen possessivum van de derde persoon:
Zyn, dat eenen van het Manlyke en Onzydige Geslachte toebehoor[t], Haer, dat iemant uit het Vrouwelyke eigen is; Hun, dat van veele Manlyke en Onzydige Geslachtnaemen gebruikt wordt, Haer, waer door iet aen veele van het Vrouwelyke wordt geëigent.
(1706: 125)
De ‘Betreklyke’ voornaamwoorden heeft Moonen duidelijker omschreven:
De Betreklyke hebben hun opzicht op iemant of iet, waer van voorhene gesprooken is; en zyn Die, Dat, Wie, qui, quae, quod
(1706: 125)
Onder deze categorie vallen ook de voornaamwoorden welke (mannelijk en vrouwelijk) en welk (onzijdig).13
Nauw verwant hieraan zijn de ‘Wederkeerende’ voornaamwoorden. Binnen de Nederlandstalige grammaticale traditie is Moonen de eerste geweest die ze als een aparte klasse aangemerkt heeft (vgl. Schaars 1988: 247):
De Wederkeerende, op meer dan eenen persoon passende, zyn deeze, Zyn, Hun, Haer
(1706: 125)
Wat er achter de cryptische deelwoordconstructie schuilgaat, wordt duidelijk na lezing van een voorbeeldzin als ‘David worp uit zynen slinger den steen Goliath in zyn voorhooft’: de eerste keer verwijst het ‘Wederkeerende’ voornaamwoord naar David, de tweede maal naar een andere persoon: Goliath.
Over de vijfde en laatste klasse wordt het volgende meegedeeld:
De Vraegende, waer door men iet vraegt of onderzoekt, zyn Wie, Wat.
(1706: 126)
Moonen heeft in de bijzin niet vermeld dat men door ‘Vraegende’ voornaamwoorden ook kan informeren naar een persoon, naar ‘iemant’.
Sewel heeft in zijn Nederduytsche spraakkonst gesteld dat voornaamwoorden kunnen strekken
het zy tót aanwyzinge van een persoon óf zaak, óf om betrekking op iets te maaken, óf om iets te vraagen, óf om de bezitting te betékenen
(1708: 117)
Dit heeft Sewel ertoe gebracht deze woordsoort in vieren te verdelen. De eerste categorie wordt gevormd door de Aanwyzende14 voornaamwoorden, waartoe hij behalve deeze, die ook ik, gy, hy en ik zelf, gy zelf, hy zelf gerekend heeft. Tot de Betrekkelyke15 voornaamwoorden behoorden volgens Sewel dezelve (‘Latyn Is’), dezelve (‘Latyn Idem), de zelfste (‘Latynsch Ipsissimus’) en welke. Dat ook wie door hem als een relativum opgevat werd, blijkt uit twee voorbeeldzinnen die te vinden zijn in het grammaticaonderdeel syntaxis: ‘De man wiens vrouw doodgegaan is. Hy heeft eene vrouw wier schranderheyd boven andere uytmunt’ (1708: 192).16 Opmerkelijk genoeg heeft Sewel bij de behandeling van deze categorie geen melding gemaakt van het voornaamwoord die.17 Als vertegenwoordigers van de Vraagende18 heeft hij welke, wie en wat genoemd. Bij de Bezittende19 voornaamwoorden heeft Sewel slechts melding gemaakt van myn, uw, zyn.20
De ‘Wederkeerende Voornaemwoorden’, die Moonen twee jaar eerder als een afzonderlijke categorie had aangemerkt, worden door Sewel niet genoemd. Toch is ook hij verderop tot een vijfdeling gekomen, want op pagina 124 van zijn Nederduytsche spraakkonst heeft hij gewezen op het bestaan van de zogeheten ‘onbepaalde Voornaamwoorden’, een klasse die aan het begin van het hoofdstuk ontbrak. Als voorbeelden van deze niet nader omschreven klasse, noemt Sewel: ‘Alle, Eenige, Sommige, Etlyke, Zodaanig, De Gene, Zulk, Ander, Zeker, Elk, een Ieder óf Yder, een Iegelyk, Iemand, Niemand’ (1708: 124). Enkele woorden
uit deze opsomming (Zoodaenige, zulke, zommige, eenige, etlyke, geene, andere, alle) treffen we overigens ook aan in de grammatica van Moonen. Maar in tegenstelling tot Sewel heeft Moonen deze woorden niet opgevat als voornaamwoorden maar als ‘Byvoegelyke Naemwoorden, [...] die naer den aert der Voornaemwoorden zweemen’ (1706: 135).
In de ‘Derde verhandeling van de declinatien’ heeft Ten Kate de verbuiging van voornaamwoorden besproken. Uit dit opstel kunnen we opmaken dat hij ten minste zes verschillende soorten pronomina onderscheiden heeft.
Als eerste heeft Ten Kate de ‘Personalia’ behandeld, die op dezelfde pagina in de marge aangeduid worden als ‘Pronomina Personalia’ (1723, I: 469).21 Ook ‘'t Wederkeerige (of Reflectivum)’ zich - in de marge: ‘Pronomen Reflectivum’ - wordt door hem onder die voornaamwoorden geschaard waarvoor hij de term ‘Persoonlijke Pronomina’ (1723, I: 472) heeft gebruikt.22
Vervolgens heeft Ten Kate aandacht geschonken aan een categorie voornaamwoorden die hij de naam ‘Vragers’ gegeven heeft. Hiertoe worden gerekend ‘WIE’ en ‘WAT’ (1723, I: 475), ‘WELKE’, ‘WELK’ (1723, I: 478) en ‘Wàer van’ en ‘Wàer aen’ (1723, I: 492). De twee laatste voorbeelden zijn met de Latijnse woorden ‘Interrog:’ en ‘Interrogativ:’ aangeduid. Ten Kate heeft er verder op gewezen dat er eveneens pronomina zijn die in bepaalde gevallen dienst doen als ‘Vragers’, zoals ‘DEZE’, ‘DIT’,23 ‘DIE’,24 ‘DIE, DEZE, DEZELFDE’.25
Op pagina 347 had Ten Kate de Latijnse benaming ‘Pronomen Demonstrativum’ weergegeven met ‘'t Aenwijslijke Voornaemwoord’. Ter vertaling van ‘Demonstrativum’ heb ik ‘'t Aenwijslijke Voornaemwoord’ in de dertiende redewisseling niet aangetroffen, wel het uit de grammatica's van Moonen en Sewel reeds bekende ‘Aenwijzende’ voornaamwoord (1723, I: 482). Over het algemeen heeft Ten Kate zich bediend van de Latijnse term ‘Demonstrativum’ of afgekorte vormen daarvan: ‘Demonstrat:’ en ‘Demonstr:’. Van deze categorie maken de volgende voornaamwoorden deel uit: ‘DIE’,26 ‘DEZE’ en ‘DIT’,27 ‘Dàer van’ en ‘Dàer aen’.28
De verbuiging van de ‘Voornamen van bezitting’ heeft Ten Kate aan de orde gesteld op de pagina's 485-489 van de ‘Derde verhandeling van de declinatien’. In de marge van de eerste paragraaf die hierover handelt, heeft Ten Kate zeven ‘Possessiva’ opgesomd: ‘Myne, Uwe, Onze, Zyne, Haere (of Huere [sic]), en Hunne’ (1723, I: 485).29 Aan deze lijst kan ‘'t verouderde Dyne (tuus)’ (1723, I: 485) worden toegevoegd.
Na de bezittelijke voornaamwoorden heeft Ten Kate aandacht besteed aan de ‘Pronomina Relativa’. Het Latijn beschikt over drie verschillende vormen, één voor elk geslacht: qui, quae, quod, maar in het Nederlands ‘gebruiken wij 'er meer als een, daer wij ver-
anderlijk en niet onaerdig mêe spelen kunnen’ (1723, I: 489). In margine worden van deze categorie voornaamwoorden de volgende voorbeelden gegeven: ‘Die[,] Welke, Dewelke’, ‘Dat, Welk, het Welke, en 't Gene’. Ook ‘DEZE’ en ‘DIT’ kunnen gebruikt worden als ‘Relativum’, wat Ten Kate demonstreert aan de hand van het volgende voorbeeld: ‘DEZE (naemlijk de Persoon of Zaek waer van te vooren gesprooken is) Bleef verbórgen’ (1723, I: 478). De pronomina possessiva worden ook wel eens als ‘Relativa’ gebruikt, ‘in welk geval zij onzen Artic: Definit: ook voor-op nemen; als Dit is het MYNE’ (1723, I: 486); ze verwijzen dan naar een eerder genoemde zaak.
Tegenwoordig zeggen we dat het aanwijzend voornaamwoord degene in degene, die het antecedent van die is. Ten Kate sprak in een dergelijk geval van ‘een Voorlooper van een Relativum’ (1723, I: 478), zoals bijvoorbeeld het woord deze in ‘DEZE, Die verbórgen bleef’.30
Op bladzijde 498 van het eerste deel van de Aenleiding heeft Ten Kate gesproken van ‘Pronom: Numeral:’. Het voorbeeld ‘EERSTE’ duidt erop dat hij tot deze categorie in elk geval woorden rekende die nu bekend staan als rangtelwoorden.
De dertiende dialoog uit Ten Kates Aenleiding tussen N. en L. eindigt met een beschouwing over de verbuiging van voornaamwoorden die niet ingedeeld zijn bij een van de bovenstaande soorten. De meeste ervan noemen wij tegenwoordig onbepaalde voornaamwoorden.
In de aantekening bij vers 488 van het negende boek van Vondels Herscheppinge heeft Huydecoper verslag gedaan van zijn onderzoek naar de verschillende soorten voornaamwoorden die Moonen en Sewel in hun respectieve grammatica's onderscheiden hebben:
Sewel verdeelt de Voornw. in 4 soorten, Aanwyzende, Betrekkelyke, Vraagende, Bezittende: van de Wederkeerende maakt hy zo weinig gewag, alsofze noit genoemd waaren. doch hierin was hy ten minste voorzigtiger dan Moonen, die deeze als een vyfde soort, by de anderen voegt; en 'er op zulk een wyze van spreekt, dat ik, om de liefde van Moonen, wel wilde, dat hy 'er mede van gezweegen hadt.
(1730: 423)
Aan de indeling van Sewel heeft Huydecoper zijn zegel niet kunnen hechten, omdat daarin de ‘Wederkeerende’ voornaamwoorden geen plaats hebben gekregen. In de vijf soorten voornaamwoorden die Moonen onderscheiden heeft, lijkt Huydecoper zich, althans wat het aantal betreft, beter te kunnen vinden. Nu werpt de vraag zich op of Huydecoper elders in de Proeve nog andere dan de vijf hier genoemde voornaamwoorden besproken? Uit het onderstaande zal blijken dat dit niet het geval is.
De Nederlandse term ‘Aanwyzende’ voornaamwoorden heeft Huydecoper in de Proeve alleen gebruikt toen hij de vier soorten voornaamwoorden opsomde die Sewel onderscheiden had. Het Latijnse equivalent ‘Demonstrativum’ komt drie keer zo vaak voor: één keer op pagina 192 - in een citaat uit Ten Kates Aenleiding - en verder twee maal op bladzijde 391. Zo gaf een passage uit een toneelstuk van George Wetstein Huydecoper aanleiding tot de opmerking:
't Verschil tusschen Dien en Die is hier grooter dan 't schynt, en meer dan van eene letter; zynde geheel andere woorden. Dien is het Demonstrativum Eum of Illum31 [...]: Die is het Relativum
Qui32
(1730: 391)
Om het verschil tussen de eerste naamval mannelijk van het aanwijzend voornaamwoord en die van het betrekkelijk voornaamwoord in het Nederlands duidelijk te maken, heeft Huydecoper - overigens evenals Moonen, Sewel en Ten Kate - zijn toevlucht genomen tot het Latijn. In die taal heeft het demonstrativum namelijk wèl een andere vorm dan het relativum. In de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ schreef Huydecoper:
die, in 't Latyn, is of ille. maar die wordt ook dikwils gebruikt voor 't Lat. qui, dat is, de welke
(1730: 620)
Het lijkt erop dat Huydecoper ervan uitging dat het lezerspubliek van de Proeve elementaire kennis van het Latijn bezat.
Hoewel Ten Kate in zijn Aenleiding al gesproken had van ‘Personalia’, zou het nog tot aan het begin van de negentiende eeuw duren, voordat deze groep voornaamwoorden zich een vaste plaats in spraakkunsten zou weten te verwerven (Dibbets 1995: 210). Anders dan Ten Kate heeft Huydecoper de ‘personalia’ niet als afzonderlijke categorie behandeld: de termen ‘Persoonelyke Voornaamwoorden’ of ‘Pronomina personalia’ komen in de Proeve nergens voor. Huydecoper sloot zich aan bij Moonen en Sewel die deze woorden - evenals de triviumgrammatici (zie Dibbets 1995: 210) - ter sprake brachten bij de aanwijzende voornaamwoorden:
na een Praepositio, of Voorzetsel, mag het Demonstrativum worden verzweegen, als 'er het Relativum aanstonds op volgt. zo zegtmen, ik lach met die my haat, d.i. met hem, of, met den geenen, die my haat.33
(1730: 391)
De voorbeeldzin kan volgens Huydecoper dus door hem of door den geenen vervolledigd worden. Uit de eraan voorafgaande regel volgt dan dat zowel hem als den geenen een ‘Demonstrativum’ is.
Dat Huydecoper de voornaamwoorden die tegenwoordig als persoonlijke te boek staan, beschouwde als ‘Aanwyzende voornaamwoorden’, heeft hij impliciet te kennen gegeven in een aantekening op vers 116 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘Ik ben niet maghtigh hun te houden in bestek’. Op die plaats verwijst Huydecoper voor de verbuiging van het voornaamwoord waarvan hun de derde en zesde en hen de vierde naamval is, namelijk met instemming naar Moonens Nederduitsche spraekkunst, waarin de vormen hen en hun gerangschikt zijn onder het paradigma van het ‘Aenwyzende’ voornaamwoord Hy.
De technische term ‘betrekkelyk’ voornaamwoord is in de Proeve beter vertegenwoordigd. We treffen hem voor de eerste maal aan op bladzijde 88: ‘het volgende betrekkelyke voornaamwoord, die of dien’ - dien is hier een verbogen naamval van die in het mannelijk geslacht.34 Naast die komt in het Nederlands nog een andere vorm van het relativum voor, zoals blijkt op pagina 391: ‘het betrekkelyke Voornaamwoord die, of de welke’. De voorbeelden van deze soort voornaamwoorden die Huydecoper op pagina 344 van de Proeve genoemd heeft, zullen de hedendaagse lezer vreemd aandoen:
zo gebruikt Vondel honderdmaalen het lidwoord De, in plaatse van het Betrekkelyke Voornaamwoord Zyn, Haar, enz.
Het enkelvoud ‘Pronomen Possessivum’ komen we in de Proeve alleen tegen in een citaat uit Ten Kates Aenleiding. Even vaak heeft Huydecoper de meervoudsvorm daarvan
gebezigd. Op bladzijde 193 heeft hij over de verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden en deelwoorden opgemerkt:
Wy oordeelen dan, datmen na de Pronomina Possessiva, als Myn, Uw, Zyn,35 enz. de E zo wel van achter de Bynaam- als Deelwoorden onveranderlyk moet wegwerpen.
(1730: 193)
De Nederlandse benaming ‘Bezittende’ voornaamwoorden komt in de Proeve alleen voor op pagina 423, als één van de categorieën die Sewel in zijn spraakkunst heeft behandeld.
Vers 488 van het negende boek van Vondels Herscheppinge - ‘De zuster niets van haer bewust, nu vol mistrouwen’ - heeft Huydecoper aanleiding gegeven zijn licht te laten schijnen over voornaamwoorden in het algemeen en ‘Wederkeerende’ voornaamwoorden in het bijzonder. Hij had een goede reden om in deze aantekening bij het gebruik van pronomina stil te staan:
Wy treffen hier eene gunstige gelegenheid aan, om een deel onzer Taale, het welk noch zeer gebrekkig is, op te helderen: te meer, daar ik zie, dat onze voornaamste Taalmeesters, in dit stuk, recht verkeerd gewerkt, en zelfs de duisternis tegen het licht verdeedigd hebben.
(1730: 421)
Tot de ‘Wederkeerende’ voornaamwoorden behoren volgens Huydecoper vier woorden: ‘ZICH, HAAR, HUNNE, ZYN’. Ze worden zo genoemd ‘omdatze wederkeeren tot dat geene, waarvanze zyn voortgekomen’ (1730: 422). Op deze voornaamwoorden zal uitgebreid worden ingegaan in 7.4.8.10.
Het laatste accidens dat Moonen met betrekking tot de voornaamwoorden ter sprake heeft gebracht, is declinatio of ‘Buiging’:
De Voornaemwoorden worden ook geboogen door de Naemvallen in beide Getallen, maer wyken vry wat van de gemeene Buiginge af
(1706: 126)
Vanwege het verschil in verbuiging tussen de voornaamwoorden en andere verbuigbare woorden als lidwoorden en naamwoorden, heeft Moonen gemeend er goed aan te doen het grootste deel van zijn hoofdstuk te vullen met paradigma's, die met uitzondering van de twee laatste terug te voeren zijn tot de grammatica van Schottelius (Schaars 1988: 248).
Sewel heeft ‘Buyging’ ook genoemd als eigenschap van voornaamwoorden:
En dewyl ze ook geboogen worden, zullen wy derzelver Buyging alhier aantoonen
(1708: 117)
waarna het hoofdstuk afgesloten wordt met acht bladzijden die nagenoeg uitsluitend paradigma's bevatten.
Evenals Moonen en Sewel heeft Ten Kate ervoor gekozen door middel van ‘Voorbeelden van Verbuiging’ aan te duiden op welke wijze de voornaamwoorden ‘nae vereisch van Stijl’ onderscheiden dienen te worden (1723, I: 469).
In de volgende paragrafen zal een groot aantal paradigma's worden gepresenteerd. De overzichten van Moonen en Sewel zijn uit hun respectieve grammatica's overgenomen. De naar drie stijlen gedifferentieerde paradigma's van Ten Kate zijn gebaseerd op de gegevens die te vinden zijn op de bladzijden 469-510 van het eerste deel van de Aenleiding. Om praktische redenen is ervoor gekozen de chronologie in deze overzichten enigszins te doorbreken en de paradigma's van Ten Kate te plaatsen na die van Moonen, Sewel en Huydecoper.
Het zal opvallen dat de paradigma's van Huydecoper, die zijn gemaakt op basis van gegevens uit de Proeve, schril afsteken tegen die van zijn voorgangers. Daarbij dienen we ons wel te bedenken dat het geenszins in Huydecopers bedoeling lag complete verbuigingen van alle soorten voornaamwoorden te verstrekken. Doorgaans heeft hij alleen díe naamvalsvormen onder de aandacht van (aankomende) schrijvers, in het bijzonder dichters, willen brengen, die hem bij het lezen van Vondels vertaling en het werk van anderen stoorden of anderszins opmerkelijk schenen.36
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | ik | ik | |
| 2. | myns | myns, myner | |
| 3. | my | my, aan my | |
| 4. | my | my | |
| 5. | ô ik, ô my | ||
| 6. | van my | van my |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | wy | wy | |
| 2. | onzer | onzer | |
| 3. | ons | ons, aan ons | |
| 4. | ons | ons | |
| 5. | ô wy | ||
| 6. | van ons | van ons |
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | ik | ik | ik |
| 2. | van my | van my | van my |
| 3. | my, aen my | my, aen my | my, aen my, me |
| 4. | my | my | my, me |
| 5. | |||
| 6. | van/met/door my | van/met/door my | van/met/door my |
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | wy | wy | wy, we |
| 2. | van ons | van ons | van ons |
| 3. | ons, aan ons | ons, aan ons | ons, aan ons |
| 4. | ons | ons | ons |
| 5. | |||
| 6. | van/met/door ons | van/met/door ons | van/met/door ons |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | gy | gy | |
| 2. | uws | uws, uwer | |
| 3. | u | u, aan u | |
| 4. | u | u | u |
| 5. | gy | ô gy | gy |
| 6. | van u | van u |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | gy | gy, gylieden | |
| 2. | uwer | ulieder | |
| 3. | u | aan ulieden, ulieden | |
| 4. | u | ulieden | |
| 5. | gy | ô gylieden | |
| 6. | van u | van ulieden |
Dat voor Huydecoper u tot vierde en gy tot vijfde naamval enkelvoud strekt, valt af te leiden uit de volgende passage:
G. Brandt, daarentegen, dat onbegrypelyk kan schynen, zegt Gy, voor U, in 't Rymeloos Gedicht op de Vreede met Spanje p. 494.
Als het tweede gedeelte van de eerste dichtregel op zichzelf zou voorkomen, had Huydecoper het gebruik van gy als enkelvoudige aanspreekvorm goedgekeurd. Maar de tweede regel van Brandts gedicht eist geen vocativus maar een accusativus (‘Zal ik u dan roepen [...]’). Daarvoor bestaat in het Nederlands, zoals Huydecoper heeft opgemerkt, de vierde-naamvalsvorm u.
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | gy (du) | gy (du) | gy, je (du) |
| 2. | van u (van dy) | van u (van dy) | van u (van dy) |
| 3. | u, aan u (dy, aan dy) | u, aan u (dy, aan dy) | u, aan u (dy, aan dy) |
| 4. | u (dy) | u (dy) | u (dy) |
| 5. | gy (du) | gy (du) | gy (du) |
| 6. | van/met/door u | van/met/door u | van/met/door u |
| (van/met/door dy) | (van/met/door dy) | (van/met/door dy) |
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
|---|---|---|---|
| 1. | gy, gylieden | gy, gylieden | gy, je |
| 2. | van ulieden | van ulieden | van u |
| 3. | ulieden, aan ulieden | ulieden, aan ulieden | u, aan u |
| 4. | ulieden | ulieden | u |
| 5. | gy, gylieden | gy, gylieden | gy, gylieden |
| 6. | van/met/door ulieden | van/met/door ulieden | van/met/door u |
| Mannelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | hy | hy | |
| 2. | van hem | zyns, zyner | |
| 3. | hem | hem, zich, aan hem | |
| 4. | hem | hem, zich | |
| 5. | |||
| 6. | van hem | van hem, van zich |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | zy | zy | zy |
| 2. | hunner | hunner | hunner |
| 3. | hun | hen, hun, zich, aan hen37 | hun |
| 4. | hen, ze | hen, zich, ze | hen |
| 5. | |||
| 6. | van hun | van hen | hun |
Wat de verbuiging van het meervoud betreft kon Huydecoper zich volledig vinden in wat Moonen daarover in zijn grammatica meegedeeld had:
de Buigingen van dit voornaamwoord geeft ons Moonen zeer wel op, in zyn Spraekk. kap. 21. p. 127. en hebben wy het door alle zyne Naamvallen in eene Zinsluitinge vervat op deeze wyze: ZY zyn goede vrienden: doch geen HUNNER behaagt my, ook behaag ik HUN niet; echter haat ik HEN niet: maar zal my wel van HUN wachten.
(1730: 105)
De vijf naamvalsvormen uit de bovenstaande zin tonen aan dat de opmerking van Huydecoper betrekking heeft op de mannelijke of onzijdige verbuiging (zie hieronder voor de vrouwelijke declinatie). Het verschil tussen hun en hen is volgens hem daarin gelegen dat de eerste vorm zowel derde als zesde naamval is, terwijl de laatste vorm uitsluitend voorkomt als accusativus. Hij heeft geconstateerd dat Vondel zich over het algemeen strikt aan dit onderscheid heeft gehouden.38 Dit deed Huydecoper deugd want ‘het is een groot sieraad onzer taale, en geeft der redeneeringe daerenboven doorgaans licht en klaarheid’ (1730: 105).39
Hoewel Van Lelyveld door Wille (1924: 134) ietwat badinerend getypeerd is als een ‘verlengstuk van Huydecoper’, komt op diverse plaatsen in de tweede druk van de Proeve naar voren dat hij geen blind vertrouwen stelde in Huydecoper maar diens tekst met een kritisch oog bezag. Zo schreef Van Lelyveld in een voetnoot bij de zojuist aangehaalde passage:
wy hebben in onze taal het vermogen niet, om by onze naamwoorden en voornaamwoorden den Dativus en Ablativus, door verbuiging of verandering van Letters, uittedrukken; maar alleen door behulp onzer voorzetsels, aan, met, door, van enz.
Zulks in een enkel woord intevoeren, en dat alleen in het meervoud, kan in sommige gevallen wel eens klaarheid geven; doch is en blijft eene willekeurige kieschheid, en zal meestal eene noodelooze moeilijkheid veroorzaken: wie zal ons bewyzen, welke van onze Praepositiones by voorb.
een Accusativus, welke een Ablativus beheerschen? Iedere taal heeft hare eigenschappen, buiten welke geen taalopbouwer behoort te gaan.
(1782: 240)
Deze uitlating heeft Van Lelyveld mogelijk gedaan onder invloed van Ten Kates Aenleiding. Volgens die taalkundige kunnen hun en hen namelijk zowel dativus als ablativus zijn in de ‘hoogdravende’ en ‘deftige’ stijl:40
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | hy | hy | hy |
| 2. | van hem | van hem | van hem |
| 3. | hem, aan hem | hem, aan hem | hem, aan hem |
| 4. | hem | hem | hem |
| 5. | |||
| 6. | van/met/door hem | van/met/door hem | van/met/door hem |
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
|---|---|---|---|
| 1. | zy, zylieden | zy, zylieden | zy, ze |
| 2. | van hen, van hun, | van hen, van hun, | van haer |
| van haerlieden | van haerlieden | ||
| 3. | hen, hun, | hen, hun, | haer, |
| haerlieden, | haerlieden, | ||
| aen hen, aen hun, | aen hen, aen hun, | aen haer | |
| aen haerlieden | aen haerlieden | ||
| 4. | hen, hun, | hen, hun, | haer |
| haerlieden | haerlieden | ||
| 5. | |||
| 6. | van/met/door hen/ | van/met/door hen/ | van/met/door haer |
| hun/haerlieden | hun/haerlieden |
| Vrouwelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | zy | zy | |
| 2. | van haer | haars | |
| 3. | haer | haar, zich, aan haar | |
| 4. | haer, ze | haar, zich | haar, ze |
| 5. | |||
| 6. | van haer | van haar, van zich |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | zy | zy | |
| 2. | haerer | haarer | |
| 3. | haer | haar, zich, aan haar | |
| 4. | haer, ze | haar, ze | |
| 5. | |||
| 6. | van haer | van haar, van zich |
In vers 60 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘Wat gaef uw hart behaege en luste: ik schenk het u’ - was het volgens Huydecoper ‘noodzaakelyk’ dat het voornaamwoord het werd vervangen door het voornaamwoord haar, omdat er wordt verwezen naar
het niet-persoonlijke, vrouwelijke zelfstandige naamwoord gaaf. In de gegeven versregel vond hij haar echter ‘niet alte wel’ klinken, waarom hij heeft voorgesteld - ‘beter zou misschien zyn’ - haar te vervangen door het onbeklemtoonde ze (1730: 102).
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | zy | zy | zy, ze |
| 2. | van haer/heur | van haer/heur | van haer/heur |
| 3. | haer/heur, | haer/heur, | haer/heur, |
| aan haer/heur | aan haer/heur | aan haer/heur | |
| 4. | haer/heur | haer/heur | haer/heur |
| 5. | |||
| 6. | van/met/door | van/met/door | van/met/door |
| haer/heur | haer/heur | haer/heur |
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
|---|---|---|---|
| 1. | zy, zylieden | zy, zylieden | zy, ze |
| 2. | van haer, van | van haer, van | van haer |
| heur, van | heur, van | ||
| haerlieden | haerlieden | ||
| 3. | haer, heur, | haer, heur, | haer, aen |
| haerlieden, aen | haerlieden, aen | haer | |
| haer, aen heur, | haer, aen heur, | ||
| aen haerlieden | aen haerlieden | ||
| 4. | haer, heur, | haer, heur, | haer |
| haerlieden | haerlieden | ||
| 5. | |||
| 6. | van/met/door | van/met/door | van/met/door haer |
| haer/heur/ | haer/heur/ | ||
| haerlieden | haerlieden |
| Onzijdig | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | het | ||
| 2. | van het | ||
| 3. | het | ||
| 4. | het | ||
| 5. | |||
| 6. | van het |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | zy | ||
| 2. | hunner | ||
| 3. | hun | ||
| 4. | hen, ze | ||
| 5. | |||
| 6. | van hen |
Noch Sewel noch Huydecoper bieden informatie over de verbuiging van het voornaamwoord het; Ten Kate maakt alleen melding van het meervoud van het onzijdige geslacht:
| Ten Kate | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Hoogdravende | Deftig | Gemeenzaem |
| 1. | zy, zylieden | zy, zylieden | zy, ze |
| 2. | van hen, van hun, | van hen, van hun, | van haer |
| van haerlieden | van haerlieden | ||
| 3. | hen, hun, | hen, hun, | haer, |
| haerlieden, | haerlieden, | ||
| aen hen, aen hun, | aen hen, aen hun, | aen haer | |
| aen haerlieden | aen haerlieden | ||
| 4. | hen, hun, | hen, hun, | haer |
| haerlieden | haerlieden | ||
| 5. | |||
| 6. | van/met/door hen/ | van/met/door hen/ | van/met/door haer |
| hun/haerlieden | hun/haerlieden |
| Mannelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | dees | deez | |
| 2. | van deezen | deezes | |
| 3. | deezen | deezen | |
| 4. | deezen | deezen | deezen |
| 5. | |||
| 6. | van deezen | van deezen |
Huydecoper merkt op pagina 425 van de Proeve op dat de verbogen vorm deezen correspondeert met het Latijnse hunc.
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | deeze | deeze | |
| 2. | deezer | deezer | |
| 3. | deezen | deezen, aan deeze | |
| 4. | deeze | deeze | |
| 5. | |||
| 6. | van deeze | van deeze |
| Vrouwelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | deeze | deeze | |
| 2. | deezer | deezer | |
| 3. | deeze | aan deeze | |
| 4. | deeze | deeze | |
| 5. | |||
| 6. | van deeze | van deeze |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | deeze | deeze | |
| 2. | deezer | deezer | |
| 3. | deeze | deezen, aan deeze | |
| 4. | deeze | deeze | |
| 5. | |||
| 6. | van deeze | van deeze |
| Onzijdig | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | dit | dit | |
| 2. | van dit | van dit | |
| 3. | dit | aan dit | |
| 4. | dit | dit | dit |
| 5. | |||
| 6. | van dit | dan dit |
Dat Huydecoper dit als de vierde naamval van het voornaamwoord dit beschouwt, blijkt uit bladzijde 386 van de Proeve waar Huydecoper spreekt over ‘den Accusat. Dit’.
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | deeze | deeze | |
| 2. | deezer | deezer | |
| 3. | deezen | deezen, aan deeze | |
| 4. | deeze | deeze | |
| 5. | |||
| 6. | van deeze | van deeze |
Moonen heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat er geen verschil bestaat in verbuiging tussen het aanwijzende en het betrekkelijke voornaamwoord die41.
| Mannelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | die | die | |
| 2. | diens | diens | |
| 3. | dien | dien | |
| 4. | dien | dien | dien |
| 5. | |||
| 6. | van dien | van dien |
Op bladzijde 391 van de Proeve schrijft Huydecoper dat ‘Dien [...] het Demonstrativum Eum of Illum’ is.42
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | die | die | |
| 2. | dier | dier, van die | |
| 3. | dien | dien, aan die | |
| 4. | die | die | |
| 5. | |||
| 6. | van die | van die |
Als derde naamval meervoud heeft Moonen in het paradigma op bladzijde 128 ‘Dier’ opgegeven. Deze vorm dient volgens het overzicht met de ‘ZWAERSTE DRUKFEILEN’ veranderd te worden in ‘Dien’ (1706: 358).
| Vrouwelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | die | die | |
| 2. | dier | dier, van die | |
| 3. | die | aan die | |
| 4. | die | die | |
| 5. | |||
| 6. | van die | van die |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | die | die | |
| 2. | dier | dier, van die | |
| 3. | die | dien, aan die | |
| 4. | die | die | |
| 5. | |||
| 6. | van die | van die |
| Onzijdig | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | dat | dat | |
| 2. | van dat | van dat | |
| 3. | dat | aan dat | |
| 4. | dat | dat | |
| 5. | |||
| 6. | van dat | van dat |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | die | die | |
| 2. | dier | dier, van die | |
| 3. | dien | dien, aan die | |
| 4. | die | die | |
| 5. | |||
| 6. | van die | van die |
Het ‘Vraegende Voornaemwoort Wie, Wie, Wat’ wordt in Moonens spraakkunst net zo verbogen als het ‘Aenwyzende’ voornaamwoord. Als gevolg daarvan zal de tweede naamval vrouwelijk enkelvoud van wie wier zijn; de naamvalsvorm ‘Wiens’ (1706: 130) zal daarom wel onjuist zijn.
Moonen heeft het verschil in betekenis tussen de voornaamwoorden deze en die duidelijk gemaakt door er een Latijnse vertaling van te geven: ‘Die, ille’ - wat verderop is - en ‘Dees, hic’ (1706: 125) - wat bij de spreker is. Sewel heeft de paradigma's van zowel Deez als van Die af laten drukken, maar hij heeft niet vermeld waarin beide voornaamwoorden zich semantisch van elkaar onderscheiden. Ten Kate heeft zich evenals Moonen van het Latijn bediend om het hierboven genoemde verschil tussen beide vormen kenbaar te maken: deze betekent ‘hic’, die ‘ille’. Het eerste voornaamwoord verwijst naar ‘de nabij-gelegene of laetstgenoemde’, het tweede refereert aan ‘de wijder-af-zijnde of eerstgenoemde’ zaken. Wanneer beide voornaamwoorden kort na elkaar gebruikt worden, kan men volgens Ten Kate in plaats van die tevens gebruik maken van het pronomen gene ‘ille’, ‘dat niet zonder zijnen Overbuer DEZE gebruikt word’ (1723, I: 484).
Huydecoper was dezelfde mening toegedaan als Ten Kate. Ook hij vond namelijk
dat Deeze en Die,43 in één verband van rede geplaatst, verschillen, even als in 't Latyn Hic & Ille, en als by ons Deeze en Geene; of, om duidelyk te spreeken, even als de Een en de Ander?
(1730: 426)
Om deze reden vond Huydecoper het laakbaar dat Nylöe in de uit 1711 daterende derde druk van de Aanleiding tot de Nederduitsche taal wilde dat men zou schrijven: ‘Ik heb dezen tuin laaten omgraaven, om dien te bezaaien’.44 Dit was in Huydecopers ogen een schoolvoorbeeld van een zogeheten Qui pro Quo, want ‘DIEN (Lat. Illum) wyst ons tot een' andren tuin, dan DEEZEN (Lat. Hunc)’ (1730: 425). Dat het taaladvies van Nylöe geen navolging verdiende, heeft Huydecoper zijn lezers door middel van een komische vergelijking proberen in te prenten:
die DEEZEN tuin omgraaft, om DIEN te bezaaien, doet even of hy zyn' Hond de nagels afsneedt, opdat zyn Kat niet zou krabben.
(1730: 426)
Heeft Huydecoper op bladzijde 426 van de Proeve het verschil in betekenis tussen deeze en geene in het voorbijgaan aan de orde gesteld, in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ heeft hij deze tegenstelling uitvoeriger ter sprake gebracht:
Uit de Spreekwyze van deeze en geene, waarvoormen anders zegt, deeze en die,45 zien we klaar, dat geene het zelfde betekent met die,46 in 't Latyn, is of ille.
(1730: 620)
Terstond heeft Huydecoper hierop laten volgen dat het voornaamwoord die ook vaak gebruikt wordt in zinnen waar men in het Latijn qui, ‘dat is, de welke’, zou schrijven (1730: 620). Anders gezegd, in het Nederlands kan die dienst doen als pronomen demonstrativum en als pronomen relativum. Dit heeft ertoe geleid dat men een enkele maal,
zelfs by veelen onzer beste Schryveren, 't Onzydige, het geene, gebruikt vindt voor het welke (quod), in plaatse van voor dat (id, illud): het welk niet behoorde te geschieden.47
(1730: 620)
Impliciet heeft Huydecoper met deze opmerking kritiek geleverd op Ten Kate, die op bladzijde 489 van het eerste deel van de Aenleiding voor de eerste naamval enkelvoud onzijdig schreef: ‘EEN KIND, Dat, Het Gene, Het Wélke (quod)’.
De met het onzijdige voornaamwoord het geene corresponderende mannelijke en vrouwelijke vorm de geene heeft Huydecoper slechts in één geschrift - ‘het Treurspel van Horace en Curace, berymd door den Raadpens. J. de Wit’ - als betrekkelijk voornaamwoord aangetroffen. Tegen dat gebruik hoefde hij dus niet in verzet te komen: ‘Ik verwacht niet, dat iemand dit nu zal naarvolgen’ (1730: 620).
Kan het ‘Onzydige’ voornaamwoord het geene dus niet het ambt van betrekkelijk voornaamwoord bekleden, het wordt ‘zeer wel’ gebruikt in een zin als ‘'t geen, ik doe, is een zwaar werk’48 omdat
daar alleenlyk 't geen, zo veel zegt, als dat het welk, in 't Latyn, id quod.49 en dus past het nergens wel, dan daar het deeze Omschryving kan lyden.50
(1730: 620)
Om in hedendaagse termen te spreken: Huydecoper heeft hier aangegeven dat het pronomen demonstrativum 't geen kan fungeren als een relativum met ingesloten antecedent. In de betekenisomschrijving dat het welk is het welk namelijk het betrekkelijk voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord dat het expliciete antecedent.51
Van Lelyveld heeft zich evenals Huydecoper gestoord aan het gebruik, ‘of liever misbruik’, van het geene als betrekkelijk voornaamwoord. Om die reden heeft hij in de tweede uitgave van de Proeve schrijvers en dichters het zojuist besproken ‘Byvoegsel’ van Huydecoper warm aanbevolen, en ‘ter nadere opheldering en bevestiging’ van de kwestie verwezen naar Alewijns ‘Verdediging der voornaamste Dichterlyke Vryheden’ (Van Lelyveld 1782: 98). In deze verhandeling, opgenomen in het derde deel van de Werken van de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, heeft Alewijn drie argumenten aangevoerd om aan te tonen dat het geen nooit als ‘betreklijk steêwoord <voornaamvwoord>’ gebruikt kan worden. In de eerste plaats zou dit niet in overeenstemming zijn met de ‘beteekenis’ van de mannelijke en vrouwelijke pendanten: aangezien er in het Nederlands wordt gesproken van De gene, die daar spreekt: Is, qui (Ea, quae) loquitur behoort het ook te zijn Het gene, dat ik doe: Id, quod facio. In de tweede plaats zou het geene als betrekkelijk voornaamwoord afwijken van de ‘rangschikking’ <volgorde> in het mannelijk, het vrouwelijk en het meervoud: het is bijvoorbeeld De gene, die my eert en niet Die, de gene my eert. In de derde plaats zal men het gene bij de ‘ouden’ doorgaans als pronomen demonstrativum aantreffen (Alewijn 1774: 117).
Moonen heeft opgemerkt dat het betrekkelijk voornaamwoord die op dezelfde wijze verbogen wordt als het gelijkluidende aanwijzende voornaamwoord. Er wordt hier ervan uitgegaan dat de verbuiging van het ‘Betreklyke’ voornaamwoord wie (1706: 125) overeenstemt met die van het ‘Vraegende’ voornaamwoord wie dat ‘op zich zelfs, en zonder volgende Naemwoorden’ - anders gezegd substantivisch - voorkomt. Wordt het interrogativum daarentegen ‘in de samenvoeginge’ - met andere woorden adjectivisch - gebruikt, dan gaat ‘in alle Geslachten’, ‘in beide Getallen’ en ‘by alle Naemvallen’ het ‘Onzydige Wat’ aan het zelfstandig naamwoord vooraf: wat man? wat vrouwen? wat kints vader? (1706: 130-131).
Hierboven hebben we gezien dat Sewel het voornaamwoord die niet genoemd heeft bij de betrekkelijke voornaamwoorden. Wel heeft hij wie daartoe gerekend. Op bladzijde 121 van zijn Nederduytsche spraakkonst heeft hij de verbuiging ervan aan de orde gesteld. Niet alle daar gepresenteerde naamvalsvormen schijnen betrekking te hebben op wie als betrekkelijk voornaamwoord. Het is althans niet aannemelijk dat Sewel in de nominativus mannelijk enkelvoud, vrouwelijk enkelvoud en meervoud wat, in de dativus meervoud aan wat en in de accusativus meervoud wat als relativum geschreven zal hebben. Die naamvalsvormen zullen uitsluitend betrekking hebben op het vragend voornaamwoord wat. Dit lijkt door de volgende passage bevestigd te worden: ‘Het woord Wat wordt in alle geslachten, en ook in 't Meervoudige, gebruykt, als Wat Hollander? in plaats van Welk een Hollander’ (1708: 122). We ontmoeten het voornaamwoord wat hier dus - om met Moonen te spreken - ‘in de samenvoeginge’, in bijvoeglijk gebruik.
| Mannelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | die; wie | wie | die; - |
| 2. | diens; wiens | wiens | -; wiens |
| 3. | dien; wien | wien | -; wien |
| 4. | dien; wien | wien | dien; - |
| 5. | |||
| 6. | van dien; | ||
| van wien | van wien |
Dat de eerste-naamvalsvorm die volgens Huydecoper correspondeert met het Latijnse qui, blijkt het duidelijkst op pagina 387 van de Proeve, waar hij spreekt ‘van den Nominativus, Die’.52 Op dezelfde bladzijde heeft Huydecoper gewag gemaakt van ‘de voorgaande Dativus, Wien’ (1730: 387).
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper | |
|---|---|---|---|---|
| 1. | die; wie | wie | ||
| 2. | dier; wier | wier | ||
| 3. | dien; wien | wien, aan wie, | ||
| 4. | die; wie | wie | ||
| 5. | ||||
| 6. | van die; | |||
| van wie; | van wie |
Huydecoper heeft er in de aantekening bij vers 60 van het veertiende boek van de Herscheppinge - ‘En mits zy dienze mint niet deeren kon noch schaden’ - op gewezen dat Vondel in een bestek van nog geen honderd regels tot drie maal toe in de vierde naamval mannelijk die heeft gebezigd in plaats van het grammaticaal correcte dien (‘voor dieze, lees dienze’).53 Het gebruik van die in plaats van dien had Huydecoper ‘meermaalen’ aangetroffen in geschriften van de Ouden, ‘die in dit betrekkelyke Voornaamwoord het Manl. geslacht, anders wel waargenomen <in andere gevallen correct in acht genomen>, dikwils niet uitdrukken’ (1730: 540).54 Onder verwijzing naar deze aantekening heeft Huydecoper naar aanleiding van vers 572 van datzelfde boek - ‘'t Is om een' graeu <snauw> te doen, dat zal ik niet ontzien’ - opgemerkt:
voor dat zou hier beter zyn, dien, t.w. graeu: en zo behoorde het te weezen.
(1730: 134)
In de betekenis ‘snibbige uitval, snauw’ is het woord graeu volgens Huydecoper dus van het mannelijk geslacht; wordt met het zelfstandig naamwoord graeu echter het ‘plebs’ bedoeld, dan zal graeu voor hem onzijdig zijn geweest.55
Vers 833 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘Hier quam de dochter des centauwers by, wiens oogen’ - gaf Huydecoper aanleiding een beschouwing te geven over de verbuiging van het betrekkelijk voornaamwoord wie. Op een aantal punten week Vondel af van de declinatie die Huydecoper voorstond, te weten in de tweede naamval vrouwelijk enkelvoud:
wiens behoorde hier te zyn wier, tot aanwyzing van 't vrouwelyke geslacht. Maar Vondel gebruikt wier alleen in 't meervoudige: in 't eenvoudige altyd wiens, zo wel in 't vrouwelyke als mannelyke.56
(1730: 159)
en in de derde naamval vrouwelijk enkelvoud:
de n kan in het vrouwl. noit komen: echter schryft hy ook wien in Dat. Sing. B.X. v.150.
Der moeder van de goôn, wien 't loof wert opgedraegen.57
(1730: 159)
Hieraan heeft Huydecoper de conclusie verbonden dat ‘hier 't gezag van Vondel niet geldt, hoewel Moonen zich daarnaar geschikt hebbe’ (1730: 159): als tweede naamval enkelvoud vrouwelijk heeft deze in zijn grammatica namelijk wiens vermeld.58 Huydecoper heeft vervolgens opgemerkt dat de vorm die Moonen in de derde naamval heeft voorgeschreven - wie - niet in overeenstemming is met de taal van Vondel, die in de derde naamval enkelvoud vrouwelijk wien schreef (1730: 159).
Omdat Huydecoper niet de indruk heeft willen wekken ‘nieuwe wetten na [lees: ná] deeze meesters [Moonen en Sewel,59 RdB] te willen invoeren’, heeft hij voor nadere gegevens over de verbuiging van het betrekkelijk voornaamwoord wie verwezen naar de 72e van Hoofts ‘Waernemingen op de Hollandsche Tael’. De aldaar opgegeven verbuiging van het
vrouwelijk betrekkelijk voornaamwoord wie is in het onderstaande overzicht onder Huydecoper opgenomen.
| Vrouwelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | die; wie | wie | wie |
| 2. | dier; wiens | wier | wier |
| 3. | die; wie | aan wie | wie, wier |
| 4. | die; wie | wie | wie |
| 5. | o | ||
| 6. | van die; | wie | |
| van wie | van wie |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | die; wie | wie | wie |
| 2. | dier; wier | wier | wier |
| 3. | die; wie | wien, aan wie | wie, wier |
| 4. | die; wie | wie | wie |
| 5. | o | ||
| 6. | van die; | wie, wier | |
| van wie | van wie |
De verbuiging van het onzijdig betrekkelijk voornaamwoord wat gaat volgens Moonen en Sewel als volgt; Huydecoper heeft hierover geen informatie geboden.
| Onzijdig | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
| 1. | dat; wat | wat | |
| 2. | van dat; | ||
| van wat | van wat | ||
| 3. | dat; wat | aan wat | |
| 4. | dat; wat | wat | |
| 5. | |||
| 6. | van dat; | ||
| van wat | van wat |
| naamval | Moonen | Sewel | Huydecoper |
|---|---|---|---|
| 1. | die; wie | wie | |
| 2. | dier; wier | wier | |
| 3. | dien; wien | wien, aan wie | |
| 4. | die; wie | wie | |
| 5. | |||
| 6. | van die; | ||
| van wie | van wie |
Moonen heeft voor elk geslacht - zowel van de stam (zyn, haer) als van de uitgang (zyn, zyne; haer, haere) - in een afzonderlijk paradigma aangegeven hoe het bezittelijk voornaamwoord in het meervoud verbogen dient te worden. Het enige verschil tussen de drie
genera is dat het pronomen possessivum in het vrouwelijk in de derde naamval meervoud myne heeft, terwijl die naamvalsvorm in het mannelijk en in het onzijdig mynen luidt (1706: 132-133).
Het bijzondere aan de paradigma's uit Sewels Nederduytsche spraakkonst is, dat die grammaticus in het enkelvoud binnen elk geslacht een unieke genitief-, datief-, accusatief- en ablatiefvorm heeft vermeld. Sewel heeft zich wat al te zeer door de drang tot differentiatie laten leiden, waardoor de verschillende naamvals- en geslachtsvormen een wat geforceerde indruk maken. In de pluralis heeft Sewel geen onderscheid gemaakt tussen mannelijk, vrouwelijk en onzijdig (1708: 122-124). Hij wordt daarin gevolgd door Ten Kate, die er echter op heeft gewezen dat de derde naamval meervoud mannelijk en onzijdig in de verheven stijl ook mynen kan zijn.60 De pronomina uit de paradigmata van Ten Kate zijn ontleend aan bijlage 6, die een overzicht bevat van de verbuiging van de pronomina in de ‘hoogdravende’, ‘deftige’ en ‘gemeenzame’ stijl. Over het algemeen heeft Ten Kate niet aangegeven tot welke stijl een bepaalde verbogen vorm behoort.
| Mannelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
| 1. | myn | myn | myne, myn |
| 2. | myns | myns | van mynen, mynes |
| 3. | mynen | mynen | mynen, aan mynen |
| 4. | mynen | mynen | mynen |
| 5. | myn | ||
| 6. | van mynen | van mynen | van mynen |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
|---|---|---|---|
| 1. | myne | myne | myne, myn |
| 2. | myner | myner, van myne | van myne, van myn, myner |
| 3. | mynen | mynen, aan myne | myne, myn, aen myne, |
| aen myn, mynen | |||
| 4. | myne | myne | myne, myn |
| 5. | myne | ||
| 6. | van myne | van myne | van myne, van myn |
| Vrouwelijk | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
| 1. | myne | myne | myne, myn |
| 2. | myner | myner | van myne, myner |
| 3. | myne | aan myne | myne, aan myne |
| 4. | myne | myne | myne |
| 5. | myne | ||
| 6. | van myne | van myne | van myne |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
|---|---|---|---|
| 1. | myne | myne | myne, myn |
| 2. | myner | myner, van myne | van myne, van myn, myner |
| 3. | myne | mynen, aan myne | myne, myn, aen myne, |
| aen myn | |||
| 4. | myne | myne | myne, myn |
| 5. | myne | ||
| 6. | van myne | van myne | van myne, van myn |
| Onzijdig | |||
|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
| 1. | myn | myn | myn |
| 2. | myns | van myn | van myn, mynes |
| 3. | myn, mynen | aan myn | myn, aan myn |
| 4. | myn | myn | myn |
| 5. | myn | ||
| 6. | van myn, | van myn | van myn |
| mynen |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate |
|---|---|---|---|
| 1. | myne | myne | myne, myn |
| 2. | myner | myner, van myne | van myne, van myn, myner |
| 3. | mynen | mynen, aan myne | myne, myn, aen myne, |
| aen myn | |||
| 4. | myne | myne | myne, myn |
| 5. | myne | ||
| 6. | van myne | van myne | van myne, van myn |
Moonen heeft vermeld dat de ‘Bezittende Voornaemwoorden Myn, Zyn, Uw, Hun, Haer’ in alle geslachten op identieke wijze worden verbogen (1706: 131). Hoe het voornaamwoord ons diende te worden gedeclineerd, heeft hij door middel van afzonderlijke paradigma's laten weten; de verbuiging van het voornaamwoord ons namelijk niet voor elk van de drie geslachten - mannelijk, vrouwelijk, onzijdig - gelijk. Sewel heeft erop gewezen dat de verbuiging van het voornaamwoord ‘Zyn’ identiek is aan die van ‘Myn’. Hoewel dat ook geldt voor ‘Ons’, heeft hij - wellicht in navolging van Moonen - voor ‘Ons’ wèl de verschillende naamvalsvormen in aparte rijtjes gepresenteerd. Voor Ten Kate bestond er slechts op één punt verschil tussen ‘Onze’ en de overige bezittelijke voornaamwoorden. Konden de laatste - bij adjectivisch gebruik - in de nominatief enkelvoud en in de nominatief en accusatief meervoud mannelijk en vrouwelijk ‘bij inkrimping’ de finale e achterwege laten (myn in plaats van myne), ten aanzien van onze merkte hij op ‘dat het Possessivum ONZE bij een volgend Masc: & Foem: zig volledig houd, zelf in de daeglijkse Praettael’. Daarom zal men volgens Ten Kate (1723, I: 485) nooit spreken van ‘Ons Vórst, nogte Ons Dienstmeid’.61 Huydecoper lijkt in eerste instantie dezelfde mening toegedaan:
thans zegtmen doorgaands ons, alleen in 't Onzydig Geslachte, als ons huis; anders onze.
(1730: 513)
Anders geformuleerd; onze komen we tegen in het mannelijk en in het vrouwelijk geslacht. Vondel, zo heeft Huydecoper geconstateerd, heeft geen onderscheid gemaakt tussen onze en ons:
by Vondel evenwel vindenwe ons in alle Geslachten; ook in 't Meerv. getal.62
(1730: 513)
Ook in gedichten van andere goede schrijvers heeft Huydecoper voorbeelden van de vorm ons aangetroffen, waarna hij het advies uitgebracht heeft om het gebruik van ons in mannelijk en vrouwelijk enkelvoud en in het meervoud te beperken tot de dichterlijke taal:
in ongebonden styl zouden wy dit niet naarvolgen: in vaarzen hebben wy 'er niets tegen.
(1730: 513)
Opmerkelijk is het dat Hinlópen in de tweede druk van de Proeve Vondels gebruik van het uitgangsloze ons ter verklaring in een oude traditie heeft willen plaatsen toen hij schreef: ‘Vondel, en op zijn voorbeeld, anderen hebben hier in de ouden, of misschien de tale van hunnen tijd gevolgd, die noch op 't spoor der ouden liep’ (1788: 163-164).63
| Mannelijk | ||||
|---|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
| 1. | onze | ons | onze | onze, ons |
| 2. | van onzen, | onzes | van onzen, onzes | |
| onzes | ||||
| 3. | onzen | onzen | onzen, aen onzen | |
| 4. | onzen | onzen | onzen | |
| 5. | onze | |||
| 6. | van onzen | van onzen | van onzen |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
|---|---|---|---|---|
| 1. | onze | onze | onze | onze, ons |
| 2. | onzer | onzer, van onze | van onze, onzer | |
| 3. | onzen | onzen, aan onze | onze, aen onze, | |
| 4. | onze | onze | onze | |
| 5. | onze | |||
| 6. | van onze | van onze | aan onze, onzer |
| Vrouwelijk | ||||
|---|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
| 1. | onze | onze | onze | onze, ons |
| 2. | onzer | onzer | van onze, onzer | onzer, van |
| onze, van ons | ||||
| 3. | onze | aan onze | onze, aen onze | |
| 4. | onze | onze | onze | |
| 5. | onze | |||
| 6. | van onze | van onze | van onze, onzer |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
|---|---|---|---|---|
| 1. | onze | onze | onze | onze, ons |
| 2. | onzer | onzer, van onze | van onze, onzer | |
| 3. | onze | onzen, aan onze | onze, aen onze | |
| 4. | onze | onze | onze | |
| 5. | onze | |||
| 6. | van onze | van onze | aen onze, onzer |
Huydecoper heeft evenals Ten Kate in de tweede naamval enkelvoud vrouwelijk twee vormen erkend: onzer en van onze (van ons).64 Aan de eerste variant gaf hij de voorkeur in dichterlijke taal, omdat hij met Ten Kate van mening was dat vormen als onzer ‘veel deftiger’ waren om een genitivus uit te drukken dan een omschrijving met behulp van het voorzetsel van (1730: 170). Hiervan heeft hij in de Proeve op nog twee andere plaatsen blijk gegeven: ‘O wysheit van onze eeu; of, dat <wat> ik liever zag, onzer eeu’ (1730: 501) en ‘Hier evenwel zou Vondel, voor van ons, beter geschreeven hebben, de plondraer Onzer stede’ (1730: 513-514).
| Onzijdig | ||||
|---|---|---|---|---|
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
| 1. | ons | ons | ons | ons |
| 2. | van ons, onzes | van ons | van ons, onzes | |
| 3. | ons, onzen | aan ons | ons, aan ons | |
| 4. | ons | ons | ons | |
| 5. | ons | |||
| 6. | van ons, onzen | van ons | van ons |
| naamval | Moonen | Sewel | Ten Kate | Huydecoper |
|---|---|---|---|---|
| 1. | onze | onze | onze | onze, ons |
| 2. | onzer | onzer, van onze | van onze, onzer | |
| 3. | onzen | onzen, aan onze | onze, aan onze | |
| 4. | onze | onze | onze | |
| 5. | onze | |||
| 6. | van onze | van onze | van onze, onzer |
Op pagina 421 van de Proeve heeft Huydecoper naar aanleiding van de korte inhoud die Vondel aan het negende boek van de Herscheppinge heeft doen voorafgaan, geschreven:
Daar worden drie vrouwen genoemd, Iöle, Alkmene, Galantis; en eene vierde beschreeven onder de naam van Zuster. Nu is de vraag, of men bescheidelyk <nauwkeurig>, en op drie byzondere wyzen (t.w. zonder herhaaling van eenigen naam) wie deezer drie de gemelde Zuster toekome, kan uitdrukken? Ik oordeel ja: te weeten, dat onze taal daartoe byzondere Voornaamwoorden heeft.
(1730: 421)
Huydecoper was er op gebrand dit te laten zien, omdat het naar zijn zeggen nog niet eerder door iemand was aangetoond. In het volgende citaat komt naar voren welke voornaamwoorden in het Nederlands gebruikt zouden moeten worden om de relatie tussen de drie met name genoemde vrouwen en de anonieme zuster duidelijk tot uitdrukking te laten komen. Daarbij zal zeker hebben meegespeeld dat zo de differentiërende mogelijkheden van het Nederlands tot hun recht zouden komen. Hieruit zou blijken dat het Nederlands beter is dan andere talen.
Iöle is de geene die gezeid wordt te verhaalen. is nu deeze Zuster de Zuster van Iöle; zo moest 'er staan haar: Iöle verhaalde van HAAR zuster, enz. de SUA sorore. Was het de Zuster van Alkmene; zo diende men te schryven der zelver: Iöle verhaalde Alkmene van DER ZELVER zuster, enz. de EIUS sorore. Was het de Zuster van Galantis; zo zoumen, om een derde Voornaamwoord te
gebruiken, duidelykst zeggen, van de zuster VAN DEEZE, gelykmen in 't Latyn zou schryven, de HUIUS sorore.
(1730: 421)
Huydecoper zal de Latijnse voorbeelden sua, eius en huius niet alleen vermeld hebben om het verschil in gebruik tussen haar, der zelver en van deeze duidelijk te maken aan de Latijn kennende lezer, maar ook om in dit opzicht de gelijkwaardigheid van het Nederlands en het Latijn aan te tonen.
In het vervolg van deze aantekening heeft Huydecoper zich tot doel gesteld aan te tonen ‘waar men zich te dienen hebben van ZICH, ZYN, HAAR, HUNNE, die wy Wederkeerende heeten, gelyk de Latynen SUI en SUUS, Reciproca’ (1730: 422).
Aan deze reciproca of wederkerende voornaamwoorden heeft Laurenzo Valla een afzonderlijke studie gewijd: De Reciprocatione Sui, & Suus, libellus. Huydecopers verklaring dat de ‘wederkeerende’ voornaamwoorden zo genoemd worden ‘omdatze wederkeeren tot dat geene, waarvanze zyn voortgekomen’ is een vertaling van de etymologie van de zogenaamde reciproca die Valla in zijn geschrift heeft gegeven. Hoewel daarmee wel de naam is verklaard, zal het niet voor iedere lezer van de Proeve duidelijk geweest zijn wat onder ‘wederkeeren’ en ‘voortkomen’ moest worden verstaan. Met het volgende voorbeeld heeft Huydecoper het begrip proberen te verhelderen:
David worp Goliath den steen uit ZYNEN slinger recht in Des zelfs voorhoofd. alles is eenvoudig en klaar. Zynen moet wederkeeren tot David, staande aan 't hoofd van 't Werkwoord, want daarvan [t.w. David, RdB] is 't [t.w. zynen, RdB] voortgekomen; David worp uit zynen slinger: by gevolg kan zyn slinger hier niemands dan Davids slinger betekenen. uit deeze waarheid volgt van zelfs, dat hier des zelfs voorhoofd het voorhoofd van een' andren, dan van David, moet aanwyzen; t.w. het voorhoofd van Goliath. dus is des zelfs niet wederkeerende, maar betrekkelyk, of Relativum. lees nu in deeze woorden ook ZYN voorhoofd; en 't zal mede moeten wederkeeren tot David, en ons doen denken aan het voorhoofd van David: dat hier niet te pas komt.65
(1730: 422)
Een voornaamwoord moet dus de persoon of zaak aanduiden waarvan het is ‘voortgekomen’ - met andere woorden, het voornaamwoord moet verwijzen naar zijn antecedent - want ‘de Natuur zelve [leert], dat men niet kan wederkeeren, dan tot het geene waarvan men is gekomen of uitgegaan’ (1730: 424). Bij dit wederkeren blijkt een belangrijke rol weggelegd te zijn voor wat wij de persoonsvorm noemen. Werd daar in het bovenstaande citaat al op gezinspeeld (‘staande aan 't hoofd van 't Werkwoord’), op bladzijde 424 van de Proeve heeft Huydecoper het expliciet verwoord. In de voorbeeldzin ‘David worp den steen uit ZYNEN slinger, en Goliath werdt getroffen in ZYN voorhoofd’ bijvoorbeeld ‘keert het eerste Zynen weder tot David, langs het Werkwoord worp; het tweede Zyn tot Goliath, langs het Ww. werdt getroffen’. Het lijkt er dus op dat - om in hedendaagse termen te spreken - volgens Huydecoper het voornaamwoord zyn alleen kan terugslaan op het onderwerp, terwijl dit bij het voornaamwoord deszelfs nooit het geval kan zijn.
Het verschil in gebruik tussen zyn en des zelfs heeft Huydecoper met twee voorbeeldzinnen duidelijk doen uitkomen:
Jan vermoordde Klaas en ZYN vrouw (Lat. & SUAM conjugem) is te zeggen, dat Jan zyne eige vrouw vermoordde en Klaas. maar, Jan vermoordde Klaas en DES ZELFS vrouw (Lat. & EIUS conjugem) zegt, dat Jan Klaas, en de vrouw van Klaas vermoordde. Dit is reeds klaar <helder>; en op wat wyze gy het toetst, het zal altyd proef houden. ZYN is wederkeerende tot Jan, langs het Werkwoord vermoordde, Jan vermoordde zyn vrouw. dat Klaas eerst genoemd staat, geeft geen
verandering: want de Constructie, of het verband der woorden, eischt, datmen, Jan vermoordde Klaas en zyn vrouw, zo verstaa of 'er stondt, Jan vermoordde Klaas, en Jan vermoordde zyn vrouw
(1730: 425)
Als een Aristarchus heeft Huydecoper onderzocht wat enkele recente Nederlandse grammatici, die in dezen aan een ‘onbegrypelyke blindheid’ leden, over de wederkerende voornaamwoorden hadden geschreven. Over Sewel kon hij kort zijn, omdat er in diens Nederduytsche spraakkonst geen melding van werd gemaakt. En hoewel Huydecoper over het algemeen veel opheeft met het werk van Moonen, heeft hij voor de informatie die geboden werd met betrekking tot de wederkerende voornaamwoorden, geen goed woord over: ‘Ik zie, dat de Hr. Moonen hier niets verstaan heeft, dan dat het Lat. Reciprocus, in het Duitsch heet Wederkeerende’ (1730: 423).66 Huydecoper heeft vervolgens drie punten van kritiek geformuleerd. Ten eerste heeft Moonen zijns inziens ‘de betekenis deezer benaaminge’ niet goed onder woorden gebracht: ‘hy beschryft de Wederkeerende, als passende op meer dan eenen persoon. doch wat gemeenschap hebben deeze spreekwyzen, Wederkeeren, en Passen op meer dan eenen persoon? de aard deezer Vnw. ligt in Wederkeerende zelfs’ (1730: 423). Ten tweede heeft Moonen zich - in tegenstelling tot zyn, hun, haer - niet tot de wederkerende voornaamwoorden gerekend ‘schoon dit onder deezen het eerste en voornaamste is’ (1730: 423). Ten slotte is het eerste van de door Moonen gegeven voorbeelden - ‘David worp uit zynen slinger den steen Goliath in zyn voorhooft’ - volgens Huydecoper ‘volkomen strydig en met den aard van het Vnw. (want hy plaatst het daar 't niet voegt) en met den naam zelf van Wederkeerende’ (1730: 424).
Huydecoper heeft eveneens felle kritiek geuit op Nylöe, die ‘wat het gebruik van Zyn aangaat’ op één lijn zit met Moonen. Nylöe had in de derde druk van zijn Aanleiding tot de Nederduitsche taale uit 1711 beweerd dat het Nederlandse voornaamwoord de zelve gelijk stond aan het Latijnse idem.67 Maar Huydecoper was met Hooft, Verwer,68 Sewel69 en ‘honderd anderen’ van mening
dat De zelve het Lat. Is vervangt; en dat, gelyk de Latynen Is, als 'er meerder nadruk in lag, veranderden in Isdem, of Idem, zo ook wy De zelve, met dien zelfden nadruk, veranderen in De zelfde.70
(1730: 424)
In de betekenis van is heeft Nylöe het gebruik van de zelve willen uitbannen. Daartegen heeft Huydecoper bezwaar aangetekend
dewyl het bekend geweest is, zo lang men Duitsch gesproken of geschreeven heeft, en by Ouden en Nieuwen (schoon niet altyd ter plaatse daar 't behoorde) te vinden is
(1730: 424)
De bovenstaande gegevens kunnen als volgt overzichtelijk bij elkaar worden geplaatst; Ten Kate ontbreekt in het overzicht, omdat hij geen vergelijking heeft getrokken met het Latijn.
| is | idem | |
|---|---|---|
| Nylöe | - | de zelve |
| Moonen | - | de zelve |
| Verwer | dezelve | dezelfde |
| Sewel | de zelve | de zelfde |
| Huydecoper | de zelve | de zelfde |
Nadat Huydecoper de opvattingen van Moonen en Nylöe aangevallen had, heeft hij enkele voorbeelden gegeven om aan te tonen dat we in het Nederlands des zelfs ‘zeer dikwils ten uiterste noodig hebben, niet alleen om wel te schryven; maar, dat meer is, om verstaan <begrepen> te worden’ (1730: 426). Naar een persoon die niet aan het hoofd van een werkwoord staat - in moderne termen: een persoon die niet de persoonsvorm regeert, niet het onderwerp van een zin is - behoort men volgens Huydecoper niet te verwijzen met zyn omdat er dan ‘dubbelzinnigheid’ ontstaat. Grammaticaal gezien is zyn in dergelijke gevallen niet fout, maar voor de duidelijkheid van een tekst kan men beter des zelfs gebruiken.71 Overigens is die onduidelijkheid zijns inziens niet alleen eigen aan het Nederlands. Door na te gaan hoe vers 1 van het tiende hoofdstuk uit het eerste boek van Samuel - ‘Doe nam Samuel een olykruycke, ende gootse uyt op syn hooft’ - in verschillende talen is weergegeven, heeft Huydecoper geconstateerd dat er ook in het Hoogduits (‘auf sein haupt’), het Engels (‘upon his head’) en het Spaans (‘sobre su cabeça’) sprake is van dubbelzinnigheid. Daarentegen is de Griekse, de Latijnse (‘caput eius’) en de Italiaanse tekst (‘in su'l capo di esso’) ‘buiten eenige dubbelzinnigheid’. In de door Huydecoper geraadpleegde Franse vertaling van de bijbel heeft men het gebruik van een voornaamwoord vermeden (1730: 428).
Voor de lezers van de Proeve die van mening waren dat hij ‘wat te streng’ was ten aanzien van het gebruik van zyn en des zelfs heeft Huydecoper de volgende verantwoording afgelegd:
Al het gezeide heeft tot zyn' eenigen grondslag, de verstaanbaarheid en duidelykheid der Rede. daar dan geen gevaar van duisterheid of dubbelzinnigheid is, daar behoeftmen zich niet te stooren aan al het gezeide.72
(1730: 430)
Naar aanleiding hiervan heeft Huydecoper erop gewezen dat men in het Latijn naar de mening van Vossius ‘als de zin klaar is <als de betekenis duidelijk is>, een Betrekkelyk Vnw. voor een Wederkeerend, en dit weder in plaatse van dat, mag stellen’,73 terwijl Sanctius heeft gesteld ‘dat hier geen Regel plaats heeft <van kracht is>, wanneermen spreekt in den Eersten of Tweeden persoon’74 (1730: 430). Vervolgens heeft Huydecoper
onderzocht of in het Nederlands de woorden die behoren tot wat hij noemt de betrekkelijke en tot de wederkerende voornaamwoorden eveneens onderling gewisseld kunnen worden. Het gebruik van het ‘betrekkelijk voornaamwoord’ des zelfs in plaats van het wederkerend voornaamwoord zyn is door hem sterk afgeraden, en wel omdat hij wist,
en 't is klaar uit het geenwe van Moonen en Nyloë gezeid hebben, dat veelen dit Vnw. DEZELVE, voor 't Lat. IS, kwaalyk dulden konnen, daar het behoort: hoeveel minder dan daar het niet behoort noch voegt?
(1730: 430-431)
Daar staat tegenover dat Huydecoper het niet bezwaarlijk heeft gevonden om zyn, ‘waartoe de ooren meer gewend zyn’, te gebruiken in zinnen waar strikt genomen des zelfs zou horen te staan, mits deze zinnen niet dubbelzinnig worden.75
Het Nederlands biedt volgens Huydecoper meer mogelijkheden dan het Latijn om een wederkerend voornaamwoord te schrijven in plaats van een ‘betrekkelijk voornaamwoord'. Dat komt doordat in het Latijn suus ‘zonder eenige onderscheiding, in alle getalen en geslachten’ gebruikt wordt, terwijl de Nederlanders dat woord op ‘drie byzondere <verschillende> wyzen’ kunnen weergeven, namelijk
in het Eenv. Manl. en Onz. ZYN: in het Eenv. en Meerv. Vrouwl. HAAR: in het Meerv. Manl. en Onz. HUNNE.
(1730: 431)
Voor nadere gegevens over het gebruik van zyn en haar heeft Huydecoper verwezen naar de brief van Verwer aan Reland. Daarin wordt gesteld dat er in ‘Historien, Gedigten, en alle Cieraetschrift, daer nocht geld- nog lantzaek aen vast is’ (1709: 57) twee manieren in zwang zijn om te verwijzen naar mannelijke personen die aangeduid worden met vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. Zo spreekt ‘'t Gemeene Lant’ van ‘Zijne majesteit heeft zijne benden gemonstert’, terwijl ‘het Digterschap’ daarvoor zegt: ‘Zijne majesteit heeft hare benden gemonstert’ (1709: 56). Verwer heeft aan de eerste wijze van uitdrukken de voorkeur gegeven, omdat die ‘op de Reden gegrontvest’ is (1709: 57). Voor hem was het zogeheten ‘zakelijk relativum’ belangrijker dan het ‘letterlijk relativum’, of om in moderne termen te spreken het natuurlijk geslacht moest volgens hem de voorrang krijgen boven het grammaticaal geslacht. Dit gold ook voor Huydecoper, die aan het slot van de laatste aantekening op het eerste boek van Vondels Herscheppinge heeft opgemerkt
dat het voor 't begrip van allerlei Leezeren de gemakkelykste weg is (en wat is 'er, dat een schryver meerder behoort naar te jaagen?) het voornaamwoord zyn of haar betrekkelyk te maaken op den persoon waarvan gesproken wordt, en niet op den naam, waarmede die persoon te vooren uitgedrukt staat
(1730: 95-96)
Ten Kate blijkt zich er vaak over te hebben verwonderd dat sommige mensen de Fransen willen navolgen door in het Nederlands hare majesteit te gebruiken wanneer ze het over een koning hebben - in het Frans: sa majesté - want ‘ons ZYNE is ten opzigte van zijn bijhoorig Substant: zo wel Foem: als ons HAERE; en elk van die heeft zijn Onderscheidene Uitgangen in 't MASC: Foem: & Neutr:; dog den aert van onze Bezitters vind men onderscheiden in ons ZYNE, en HARE’ (1723, I: 489).76
De persoon of zaak waarnaar een voornaamwoord verwijst, is niet alleen bepalend voor de keuze tussen zyn en haar, maar ook voor die tussen zyn en hun. Zo was Huydecoper van oordeel dat ‘elk by hunnen naem’, te vinden in vers 289 van het vijfde boek van Vondels Herscheppinge, niet goed was, want ‘by Elk behoort Zyn’, zoals Vondel in vers 429 van het zesde boek van het ‘beschaafder’ Joannes de boetgezant - ‘En zy, die eerst, dus helsch in boosheit uitgespat’ - wel had geschreven (1730: 246).77